Archief voor maart, 2013

Over een Nederlandse postpunk-stroming met kunstacademie-connecties.

In 1980 kwam in Amsterdam een LP uit, Maakt de Rietveld betere muziek dan schilderijen? Een registratie van optredens in Paradiso van bands van studenten aan de Rietveld-kunstacademie. Van de meeste bands op dit album is daarna weinig tot niets meer vernomen, maar het feit dat er een speciaal festivalletje van kunstacademiebands in Paradiso werd georganiseerd én dat die livemuziek ook nog eens op vinyl werd uitgebracht, zegt al iets over de mogelijke waarde van een kunstachtergrond bij het experimenteren met nieuwe muziekvormen – zie ook het vorige stukje art, rock, bands – en zonder enige dosis zelfoverschatting kom je er niet.

Rond het jaar 1980 leek iedereen in de ban van muziek. Nieuwe muziek, verrassende muziek. Ja, muziek moest verrassen, liefst ook verwarren. Verrassen door onconventionele klanken, niet-cliché songstructuren, niet-standaard bandbezettingen van gitaar, drums, bas en zang, onorthodox instrumentgebruik, en veel (basale) elektronica. Een mooie zangstem was irrelevant. Voor een hoop kunststudenten was kunst meer dan alleen beeldende kunst: ook video, ook performance, ook muziek. En zelf teksten schrijven. Er was een drive om creatief te zijn, op welk vlak dan ook. Sinds de punk was instrumentbeheersing geen voorwaarde meer om muziek te maken, dus iedereen kon zomaar muziek gaan maken. Maar terwijl de punkmuziek meestal beperkt bleef tot het gebruik van drie akkoorden in een vierkwartsmaat, en een standaardbezetting van gitaar, bas en drums, wilden sommige ‘postpunk’ bands vanuit het niets, from scratch, muziek maken. Tabula rasa, met een schone lei, blanco beginnen. Year zero. Geluiden, tonen, ritmes. Experimenteren. En dat gold in die tijd bij uitstek voor mensen met een kunstachtergrond. Want dan heb je al de neiging ontwikkeld om op meerdere vlakken in creatieve oplossingen te denken. En dat kan dus net zo goed met geluid als met beeld. Helemáál uit het niets kwamen de muzikale ideeën natuurlijk niet: je was al gepassioneerd muziekliefhebber en je kreeg je inspiratie uit verschillende hoeken, van de Amerikaanse en Britse experimentele postpunk, modern-klassieke elektronische muziek, minimal music, avantgarde-jazz, etnische muziek, etc. En eigenlijk wilde je toch wel popmuzikant zijn, ook al hield je je verre van de mainstream popmuziek.

De nadruk lag op het experiment, het nieuwe, je afzetten tegen alle mogelijke clichés in de (pop)muziek, en daar hebben we alweer een link met dada. De dadaïsten hadden immers genoeg van de uitgesleten paden in de heersende kunststromingen, bovendien kwamen ze fel in opstand tegen de vastgeroeste kleinburgerlijke waarden in de samenleving, die vaak gepaard gingen met een hypocriete moraal die niet strookte met de realiteit van de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog.

De punkbeweging had de rebellie tegen de ingedutte en over de top gearrangeerde progrock al met verve gevoerd. Een rebellie die gepaard ging met een pessimistisch wereldbeeld en een algemeen cynisme over de toekomstmogelijkheden voor jongeren, met name in het Groot-Brittannië onder Thatcher en in de VS onder Reagan. De Koude Oorlog sluimerde dreigend voort.

Maar met het het simplisme van de punkmuziek hadden velen het inmiddels alweer gehad. Eind jaren zeventig was er steeds meer poppubliek warm gaan lopen voor nieuwe geluiden. Wat wel gekoesterd werd als ‘punkwaarde’, was het doe-het-zelf uitgangspunt: iederéén kon nu muziek maken, net zoals de dadaïsten vonden dat iedereen kunst kon maken (‘Dada kann Jeder’).

Ultra

In 1980-1981 werd een reeks concerten onder de naam ‘Ultra’ (afgeleid van ‘Ultramodernen’) georganiseerd in het Amsterdamse jeugdhonk Oktopus. De muziek die je er hoorde was experimenteel, duister, meestal ritmisch, maar niet altijd. Soms was er een drumstel, vaak niet, dan was er een ritmebox, maar ook niet altijd, soms meerdere basgitaren, soms alleen gitaren, soms alleen elektronica. Maar heel vaak toch ook een standaardbezetting van gitaren, bas en drums. En schreeuwerige zingzeggerij, geen getrainde zangkwaliteiten.

Over deze Ultra-stroming heeft Harold Schellinx boeiend geschreven in zijn boek Ultra (gegevens onderaan), verrijkt met belangwekkende kanttekeningen uit de pophistorie, een uitgebreide discografie, en rijkelijk geïllustreerd met smeuïge autobiografische anekdotes, die soms erg persoonlijk zijn, maar ook inzicht geven in de Ultra-sfeer: een drive om muziek te maken, nieuwe muziek. De experimenteerdrift, de energie, de kunstconnecties worden er plastisch in beschreven. Die experimenteerdrift, de zucht naar het nieuwe en de overtuiging met belangrijke ontwikkelingen in de muziek bezig te zijn, vormen de gemeenschappelijke noemer van Ultra.Vinyl jaargang 3, 4

Het belang van deze nieuwe muziek werd zo groot gevonden dat er niet alleen concertreeksen georganiseerd werden, maar ook een platenlabel (Plurex) werd opgericht om die muziek te verspreiden, én een tijdschrift (Vinyl) dat erover vertelde en dat toonaangevend werd in de Nederlandse wereld van de (internationale) alternatieve popmuziek, en dat bovendien de Ultra-bands via de gratis bijgeleverde flexidiscs onder de aandacht bracht. Grote initiator van de Ultra-concertreeksen en het Plurex-label was Wally van Middendorp, voorman van de Minny Pops. Initiatiefnemers van het muziekblad Vinyl waren Arjen Schrama (Tox Modell) en Stephen Emmer (Minny Pops). Schellinx zelf was bandlid van The Young Lions, mede-organisator van de Ultra-avonden en redacteur van Vinyl.

De bands waren zo uiteenlopend als de ideeën die rondzweefden. Populair waren de Minny Pops, die een ritmebox (’Mini Pops’) als uitgangspunt hadden, en daaraan gitaar, bas en toetsen hadden toegevoegd. Daartegenover stond een band als Tox Modell, die met gitaren en bas zijn noiseklanken in ritmische patronen uitvoerde, zonder drums of ritmebox. Of The Young Lions, waarbij de ritmes – als die er al waren – weer uit een doosje kwamen, waarover op een gedreven manier uit gitaren, bas, toetsen en een synthesizer, avantgardistische patronen en tonenreeksen getoverd werden. Of Gulf Pressure Ais, waar de saxofoon voor een free jazz-achtige tic zorgde. Die saxofoon werd trouwens door meer Ultra-bands als onruststoker ingezet, waaronder Minioon, Necronomicon, Scratch, Extra Smeikals en Mick Ness. Het Nijmeegse Mekanik Kommando bracht met een bezetting van 2 basgitaren, een synthesizer, een ritmebox en allerhande speelgoedinstrumentjes een gelaagd, ritmisch geheel van donkere maar ook speelse melodielijnen, waar synthesizer-noise en handmatig gemaakte geluiden doorheen geweven waren. Tussen alle duistere synthesizerklanken kon een band als Suspect aangenaam verrassen met opzwepende drums en bas, waartegen de gitaar met een hoop feedback en andere effecten succesvol opbokste.

Belangrijk was ook de pose. Ernstige blikken, strakke kleding, zwarte puntschoenen en, bij Minny Pops en Tox Modell, veel hoekige, robotachtige bewegingen. Denk hierbij ook aan Kraftwerk, denk aan Devo. Standstill to Motion is dan ook een toepasselijke titel van het live-album van de Minny Pops, van een concert in de Amsterdamse Melkweg in 1981. De mens als emotieloze machine, waarvan de Engelse new wave-ijskast Gary Numan een commerciëler voorbeeld is.

Over de mens als machine hadden overigens de dadaïsten al hun ideeën. De samenleving was een soort machine, waarin de mens zelf maar een onderdeel was, zonder geest, zonder ziel. Een soort automaat, voortbewogen door driften en instincten. De Berlijnse dadaïst George Grosz verbeeldde zo’n machinemens al in zijn aquarel-montage ‘“Daum” marries her pedantic automaton “George” in May 1920, John Heartfield is very glad of it. (Meta-Mech. contr. nach Prof. R. Hausmann)’, en samen met John Heartfield maakte hij de paspop-assemblage ‘Der wildgewordene Spiesser Heartfield (Elektro-mech. Tatlin-Plastik)’. Een grote invloed hierop ging weer uit van de ‘ontzielde’ ledenpoppen van de Italiaan Giorgio de Chirico, die zijn schilderwerk ‘pittura metafisica’ (‘metafysische schilderkunst’) noemde.

Minny Pops

Grosz - Daum

 

grosz heartfield der wildgewordene spiesser heartfield

De Chirico-The Profit

Duistere ritmes, kille synthesizergeluiden, ijselijke feedbacktonen en onpersoonlijke stemmen – in combinatie met onlevendige, robotachtige bewegingen en emotieloze blikken: geen lollige bedoening. De boodschappen waren somber, de muzikale ambities hoog. Dodelijke ernst, lachen was verdacht, behalve uit sarcasme. Ook onder het publiek zag je voornamelijk ernstige poses, en als er al gedanst werd, dan zag dat er ingetogen robotachtig uit. De tijd van doemdenken en weltschmerz. Een houding waar je overigens vaak genoeg gewoon doorheen kon prikken, en dan bleek er wel degelijk lol te bestaan. Maar dit terzijde.

Binnen Ultra heerste ook een tendens waarin publiekswaardering en commercieel succes verdacht waren. Zo vond Gulf Pressure Ais een enthousiast klappend publiek de doodsteek voor de band. Natuurlijk waren er ook bands die ondanks een antipop-houding geen bezwaar hadden tegen commerciële successen, zelfs internationaal, zoals Minny Pops, Mekanik Kommando, Suspect, Nasmak, Mecano.

In 2012 beleefde Ultra een revival met een festival in de Melkweg. Uit de hernieuwde belangstelling bleek dat Ultra begin jaren tachtig een waardevolle stroming was, maar ook tijdgebonden. Een aantal bands bracht albums uit die niet in de vergetelheid raakten, die ook nu nog goed klinken, zij het met de zeitgeist in het achterhoofd. Sommige Ultra’s gingen door in de muziek, vaak met internationale connecties, zoals Truus de Groot (Nasmak, Plus Instruments), Harold Schellinx (Young Lions), Dirk Polak (Mecano), Tim Benjamin (The Divorce). Anderen gingen door in de beeldende kunst of vormgeving, zoals Rob Scholte (Young Lions, Suspect), Maarten Ploeg, Peter Klashorst (Soviet Sex), Peter Mertens (Minny Pops, Young Lions), Ad de Jong (Gulf Pressure Ais), Kars Persoon, Jan Dierman, Joke Brouwer (Minioon), Kie Ellens (Extra Smeikals), en Peter Zegveld, beeldend kunstenaar én musicus  (The Gap).

Ultra was een stroming met een grote drive, en een experimenteerdrang die zich later vooral manifesteerde in de elektronische pop, maar die je ook weer terugziet in meerdere jonge Nederlandse acts, zoals die door Subbacultcha onlangs gepresenteerd werden in de Melkweg als ‘The Sound Of The Dutch Underground’. Met dezelfde onverstoorbare eigenwijsheid.

Ultra-bands, o.a.:

Minny Pops
Tox Modell
The Young Lions
Soviet Sex
Gulf Pressure Ais
Suspect
Schlaflose Nächte
Mekanik Kommando
Mecano
Nasmak
Plus Instruments
Minioon
The Divorce
Bazooka
Gdansk
Puber Kristus/Das Wesen
Extra Smeikals
Necronomicon
Scratch
The Gap
Det Wiehl
Mick Ness
Nexda

tijdschrift Vinyl

Redacteuren o.a.: Arjen Schrama, Stephen Emmer, Joost Niemöller, Harold Schellinx, Oscar Smit, Mark Honingh, Gerard Walhof, Wim van Sinderen, Frans Hemelaar; medewerkers o.a. Joop van Brakel, André Bach, Fred Hermsen, Mathilde Santingh, Dennis Duchhart; vormgeving o.a.: Rob van Middendorp, Hans Meeuwsen, Max Kisman, fotografie o.a.: Arjen Schrama, Arthur Nieuwenhuijs, Peter Cox, Anton Corbijn

Bands op album Maakt de Rietveld betere muziek dan schilderijen?

Slauerhoff
Vlees
Vincent II
Mick Ness
Necronomicon
Last Match
Yellow
Mateloos

Leesvoer:

Harold Schellinx, Ultra. Opkomst en ondergang van de Ultramodernen, een unieke Nederlandse muziekstroming (1978-1983), Amsterdam (Lebowski) 2012

Advertenties

Popmuziek en kunst. Popmuzikanten met een kunstachtergrond: van veel bekende en minder bekende bands hebben leden op de kunstacademie gezeten. Zie het lijstje onderaan.

Denk alleen al aan de begintijd van de popmuziek (die wat mij betreft niet bij de rock-‘n-roll begint, maar bij de ‘British Invasion’ van 1963 in de VS, omdat juist de kruisbestuiving tussen de rebelse rock-‘n-roll uit de VS en een vrijere en minder stijlgebonden interpretatie daarvan door Britse bands de weg baande voor grote vernieuwingen): The Beatles (John Lennon), The Rolling Stones (Keith Richards), The Who (Pete Townshend), The Kinks (Ray Davies). Natuurlijk is een kunstachtergrond geen garantie voor vernieuwing, en natuurlijk zijn er talloze bands en artiesten die zonder kunstachtergrond hun stempel op ontwikkelingen in de popmuziek gedrukt hebben. Maar die kunstachtergrond speelde in veel gevallen wel degelijk een rol in de totstandkoming van de sound van een band of artiest, en niet alleen de sound, maar ook het uiterlijk, de podiumpresentatie, de stijl.

Even over de term popmuziek: in het Engels wordt onderscheid gemaakt tussen rock music en pop music. Met ‘rock music’ wordt de popmuziek bedoeld waarin de roots van de pop (blues, country, rock-‘n-roll) zoals de rhythm-‘n-blues, de bluesrock en de countryrock, de boventoon voeren; ‘pop music’ staat voor de meer commerciële, mainstream popmuziek. Met popmuziek bedoel ik met name rock music.

De vorige twee stukjes op dit blog gaan over de Talking Heads. David Byrne, Chris Frantz en Tina Weymouth kennen elkaar van de kunstacademie; Jerry Harrison, afkomstig van Jonathan Richman’s Modern Lovers, versterkte de band een paar jaar na de oprichting. Harrison heeft architectuur gestudeerd. De Talking Heads hadden niet de intentie veel experiment in hun muziek te leggen – de songs beantwoorden aan een vertrouwde popsound met verwijzingen naar 60’s bubblegum, country- en caraïbische muziek – , wel om een soort popmuziek te maken zonder overbodige franje. Het debuutalbum 77 heeft dan ook een vrij kale productie met hoog en droog gitaarwerk, een geprononceerde, vaak melodieuze bas en strak en eenvoudig drumwerk, hoewel ook keyboards, percussie-instrumenten en zelfs een steeldrum sporadisch ingezet worden. De kunstachtergrond van de Talking Heads zal ongetwijfeld wel invloed hebben gehad op de sound van hun muziek, maar is beter herkenbaar in hun artwork, video’s en podiumpresentatie. Bij andere bands met een kunstachtergrond kan de experimenteerdrift juist de boventoon voeren.

Aan alle ontwikkelingsstadia van de popmuziek hebben kunstacademies belangrijke bijdragen geleverd. De vrijere bewegingen in de beeldende kunst – nieuwe stromingen die elkaar opvolgden, in Amerika vanaf de jaren vijftig met name abstract expressionisme en pop art – zorgden ook op de academies voor meer ongedwongenheid en experiment, en een grote belangstelling voor ontwikkelingen in de muziek: jazz, blues, rock-‘n-roll. Happenings en andere ‘tegenculturele’ bewegingen voedden kunsttheorieën en de belangstelling van kunststudenten. Kunststudenten die actief met muziek bezig waren, wilden die ontwikkelingen en theorieën in hun muzikale verkenningen toepassethe who smashingn.

Zo konden bands met een rock-‘n-roll- of rhythm-‘n-blues-inslag de impact van happenings in hun live-acts gebruiken. Voorbeeld: The Who. Pete Townshend was onder de indruk van activistische tendensen in de kunst. De vernieling van het instrumentarium op het podium komt – in samenhang met maatschappelijke onvrede – voor een belangrijk deel daarvandaan.

Het gevoel van vrijheid en alles-is-mogelijk zorgde op academies voor een romantische, bohemien-achtige wereld, die ook oversloeg op de muziekmakende kunststudenten. Dit gevoel van vrijheid bood zowel in de kunst als in de muziek ruimte voor experiment en nieuwe ideeën, of het nu ging om extreme muzikale experimenten en publieksontregeling bij een groep als Throbbing Gristle, of om de creativiteit die ten grondslag ligt aan de opbouw van een song zoals bij de Beatles.

high art, low art

Kunstacademies hadden ook een belangrijke rol in het samenbrengen van high art en low art. De serieuze kunstvormen, modernistisch of klassiek, waren toegankelijk voor een relatief klein publiek. Muzikanten met een kunstachtergrond bezaten kennis van die ‘hogere’ kunstvormen, terwijl ze met hun muziek in veel gevallen een groot publiek wilden bereiken (afgezien van minder toegankelijke acts als Throbbing Gristle). High art bagage bij popmuzikanten, low art uitwerking in populaire (pop)cultuur, een samensmelting die wordt versterkt door commerciële belangen.

Ook voor de stijlontwikkeling waren de kunstopleidingen essentieel. Uiterlijk, presentatie, vormgeving, aankleding van liveshows – van de Beatles en de Stones tot David Bowie en Roxy Music, New York Dolls, Residents, Ramones, Sex Pistols, Specials, Virgin Prunes, Devo, tot de Hives en de White Stripes – eigenlijk zijn de meeste popartiesten bewust bezig met hun presentatie en stijl. En het is ook voornamelijk de stijl die de popmuziek met de commercie verbindt. Van vroege popbands als de Beatles en de Stones werd de stijl, het imago, voor een groot deel bepaald door de managers en platenbazen. De Beatles als de nogal brave popgroep (een imago waar Lennon niet blij mee was) en de Stones als de rebelse band, terwijl in werkelijkheid beide bands even braaf of rebels waren. Ook de Sex Pistols met hun kapotte T-shirts, bij elkaar gehouden met veiligheidsspelden, waren gestyled door manager Malcolm McLaren en ontwerpster Vivienne Westwood. Een door de bands zelf ontwikkelde stijl werd vaak snel door de commercie opgepakt zodat het publiek en met name de fans die bepaalde iconische stijl konden overnemen – denk aan de flower power hippies (Woodstock), Bowie, Roxy Music, punk, new wave, new pop (Duran Duran), gothic, en in Nederland rond 1980: Ultra. Later: grunge. Weer later: ringbaardjes en geitensikjes, en quasi-nonchalante kapsels. Nu: baarden. En af en toe zelfs een gestileerde snor. Maar zeker ook de kleding, of die nu strak-in-het-pak is of bewust informeel.


Nieuwe stijlontwikkelingen worden dus gretig door de commercie opgepikt, zelfs de subversieve trekken van punkbands. Via popmuzikanten, publiek, en in de reclame dan weer via fotomodellen, waardoor ook film- en voetbalsterren en uiteindelijk een groot publiek de mode overnemen. Vervolgens staat weer een tegencultuur op, waarbij dezelfde mechanismen in werking treden. Het (pop)publiek wordt aan de ene kant door de commercie gemanipuleerd tot bepaalde stijlkeuzes, aan de andere kant is de beleving van de popliefhebber dat hij zelfbewuste, individuele keuzes maakt, wat voor een deel ook wel weer zo is.

art rock

Als je popmuziek en kunst met elkaar in verband brengt, dan schiet al gauw de term art rock te binnen. Maar dat is een verwarrend begrip. In principe valt daar alle experimentele popmuziek onder, muziek die de standaard structuren van de popsong ter discussie stelt, het standaard instrumentarium van een band e.d. Maar in de praktijk wordt de term art rock vooral toegepast op popgroepen die hun invloeden halen uit niet-popgenres als avantgardemuziek, klassieke muziek, jazz. Deze bands willen de grenzen van de popmuziek verleggen door een meer experimentele en conceptuele kijk op (pop)muziek, terwijl de thematiek niet meer de liefdesperikelen en andere jeugdbesognes behelst, maar op filosofie, fantasie en politiek gericht is. De albums bestaan dan gewoonlijk niet meer uit een reeks korte liedjes, maar uit serieuze composities die vaak leiden tot conceptalbums. Denk aan bands als Pink Floyd, King Crimson, Emerson, Lake & Palmer (ELP), Yes, Genesis. En wanneer de rock ‘symfonisch’ wordt, met orkestrale klanken uit synthesisers, wordt de term prog(ressive) rock gehanteerd. Meestal is bij deze bands eerder sprake van een muzikale dan van een kunstachtergrond. Maar dit terzijde.

art punk

Dan is er ook nog een stroming bedacht voor de meer experimentele post-punkbands: art punk of avant punk (van avant-garde). Hiertoe behoren zowel de protopunkacts als Patti Smith, Television en de New York Dolls, als latere experimentele bands die hun muziek laten beïnvloeden door verschillende muziekstijlen, zowel uit de avantgarde als uit etnische culturen, zoals de Nederlandse Ex, die hun experimentele, jazzy punkklanken laten samengaan met Ethiopische muziek. Of de Kift, die punk verbindt met fanfare en balkanmuziek. Onder art punk of avant punk worden onder meer deze bands gerekend: Crass, Devo, The Fall, Gang of Four, Pere Ubu, Wire, de New Yorkse No Wavebands als Teenage Jesus & The Jerks (met Lydia Lunch) en James Chance & The Contortions, en ik zou ook zeggen: Sonic Youth.


Hieronder een lijst van bands met popmuzikanten met een kunstachtergrond. Dit is wat ik tot nu toe gevonden heb, dus aanvullingen welkom!

The Beatles (John Lennon)
The Rolling Stones (Keith Richards, Charlie Watts, Ron Wood)
The Who (Pete Townshend)
The Kinks (Ray Davies)
The Animals (Eric Burdon)
The Yardbirds (Eric Clapton, Jeff Beck, Jimmy Page, Chris Dreja)
Led Zeppelin (Jimmy Page)
Deep Purple (Roger Glover)
Bonzo Dog Doo-Dah Band (Vivian Stanshall, Rodney Slater, Roger Ruskin-Spear, Neil Innes)
Commander Cody
Pink Floyd (Syd Barrett)
The Pretty Things (Dick Taylor, Phil May)
The Move en ELO (Roy Wood)
David Bowie (technische hogeschool: kunst, muziek, design)
Captain Beefheartcaptain beefheart magic band
Fairport Convention (Sandy Denny)
John Mayall
Alexis Korner
Cat Stevens
Queen (Freddy Mercury)
10cc (Lol Creme, Kevin Godley)
Red Crayola (Mayo Thompson e.a.)
Patti Smith
Blondie (Chris Stein)
Kraftwerk (Ralf Hütter, Florian Schneider)
Roxy Music (Bryan Ferry, Brian Eno, Andy MacKay, Graham Simpson)
Sex Pistols (Glen Matlock, en oprichter/manager Malcolm McLaren)
The Clash (Joe Strummer, Mick Jones, Paul Simonon)
X-Ray Spex (Lora Logic)
Wire (Colin Newman, Bruce Gilbert, Graham Lewis, Robert Gotobed)
Clock DVA (Adi Newton)
Virgin Prunes (Gavin Friday; Gucci: geen kunstacademie, wel kunstenaar)
Gang of Four (Jon King, Andy Gill, Dave Allen, Hugo Burnham)
The Mekons (Jon Langford, Kevin Lycett, Mark White, Andy Corrigan, Tom Greenhalgh)
Talking Heads (David Byrne, Chris Frantz, Tina Weymouth; Jerry Harrison: architectuur)
Devo (Gerald V. Casale, Mark Mothersbaugh)
Tuxedomoon (Steve Brown, Blaine Reininger, Winston Tong)
Suicide (Alan Vega)
Z’ev
Cabaret Voltaire (Richard H. Kirk)
Throbbing Gristle (Genesis P-Orridge, Peter Christopherson)
The Specials (Jerry Dammers, Horace Panter)
Madness (Mike Barson)
Ian Dury
Adam & The Ants (Adam Ant, Marco Pirroni)
Psychedelic Furs (Richard Butler)
Bauhaus (Kevin Haskins)
Soft Cell (Marc Almond, David Ball)
Frankie Goes To Hollywood (Paul Rutherford)
The Slits (Viv Albertine)
Yello (Dieter Meier)
D.A.F. (Gabi Delgado, Robert Görl)
Lene Lovich
Sonic Youth (Lee Ranaldo, Kim Gordon)
Nick Cave
Swans (Michael Gira)
Laurie Anderson
Marilyn Manson
Scritti Politti (Green Gartside)
The Three Johns (John Hyatt, Jon Langford)
Fad Gadget
Ultravox (John Foxx, Dennis Leigh, Chris Cross)
Duran Duran (Nick Rhodes, Stephen Duffy, John Taylor)
dEUS (Rudy Trouvé, Stef Kamil Carlens; Tom Barman: filmacademie)
Dead Man Ray (Rudy Trouvé, Daan Stuyven)
Zita Swoon (Stef Kamil Carlens)
DM Stith
Ariel Pink
Ane Brun
Django Django (David Maclean, Vincent Neff, Jimmy Dixon, Tommy Grace)
Alt-J (Gwil Sainsbury, Gus Unger-Hamilton, Thom Green)
Herman Brood
White Honey (Hanneke Kappen)
T-Beng (v/h Trio Bert en Gerard: Gerard Druiven)
The Meteors (Hugo Postma/Sinzheimer)
Nits (Henk Hofstede)
Claw Boys Claw (Peter te Bos)
Krang (Adri Karsenberg)
De Rondo’s (Wim ter Weele en allemaal)
De Kift (Wim ter Weele)
Beukorkest (Stuurbaard Bakkebaard met kunstenaar-zanger Rik van Iersel en gastmuzikanten)

Ultra-bands, o.a.:

Minny Pops (Rob van Middendorp, Peter Mertens)
Young Lions (Rob Scholte, Harold Schellinx, Peter Mertens)
Soviet Sex (Maarten Ploeg, Peter Klashorst)
Gulf Pressure Ais (Ad de Jong)
Suspect en Schlaflose Nächte (Peter Essens/Prima, Rob Scholte)
Mekanik Kommando (Peter van Vliet, Laszlo Panyigay)
The Divorce (Bart Zwier, Mark Glynne, Tim Benjamin)
Minioon (Joke Brouwer, Kars Persoon, Jan Dierman/van Diermen)
Extra Smeikals (Kie Ellens)
The Gap (Peter Zegveld)
Mecano (Dirk Polak)

Over de Ultra-stroming zal het volgende stukje gaan.

Gebruikt leesvoer o.a.:

Simon Frith, Howard Horne, Art into Pop, New York (Methuen & Co) 1987
Simon Reynolds, Rip It Up And Start Again. Postpunk 1978-1984, Londen (Faber & Faber) 2005
Harold Schellinx, Ultra. Opkomst en ondergang van de Ultramodernen, een unieke Nederlandse muziekstroming (1978-1983) Amsterdam (Lebowski) 2012