Archief voor juli, 2013

Het laatste optreden van de dadaïsten in Zürich, met een provocerende, komisch-negatieve bijdrage van Walter Serner.

Sinds het einde van Cabaret Voltaire in juli 1916 waren de gezamenlijke dada-activiteiten in Zürich beperkt gebleven tot een aantal tentoonstellingen van moderne beeldende kunst en een achttal avondvoorstellingen, gewoonlijk in de tentoonstellingsruimte. De meeste van deze soirees waren voor een besloten publiek van rond de veertig tot maximaal honderd personen. De programma’s tonen literaire voordrachten, lezingen over kunst, muziek van moderne componisten, dans, en soms een toneelstuk. In het jaar 1918 heeft er slechts één dada-soiree plaatsgevonden, en die was gewijd aan Tzara, die op deze avond voordroeg uit eigen werk, waaronder zijn eerder besproken DADAManifest 1918 (zie het vorige stukje Tristan Tzara (2)).

laatste dada-soiree

De laatste dada-soiree in Zürich vond bijna negen maanden later plaats op 9 april 1919 in een grote zaal (Saal zur Kaufleuten). Aantal bezoekers: duizend. Het publiek had intussen hooggespannen verwachtingen gekregen van dadaïstisch tumult.

mouvement dadadada-soiree 19190409 kaufleuten

Het programma van de avond bestond uit drie delen. Om aan de publieksverwachtingen tegemoet te komen eindigde elk deel met een ontregelende, eigenzinnige performance, gevolgd door een pauze. Zo werd aan het einde van het eerste deel – na een lezing, een muziekuitvoering en gedichten – een simultaangedicht van Tzara door twintig personen uitgevoerd. Terwijl het publiek tijdens de eerdere voordrachten op deze avond gelach en kattengejank liet horen, brak volgens de deelnemende dadaïst Hans Richter bij het simultaangedicht de hel pas goed los. Twintig uitvoerenden op het podium, die niet echt met elkaar in de pas liepen. Richter:

Dit was waar het publiek, en vooral het jongere deel ervan, op gewacht had. Geschreeuw, gefluit, gezamenlijk gescandeerde kreten, gelach… en alles vermengde zich min of meer anti-harmonieus met het gebulder van de twintig op het podium.

Het tweede deel van het optreden begon met Richter zelf, die een eigen dada-manifest voordroeg, gevolgd door een muziekuitvoering, gedichten van Arp, en het sloot af met Walter Serners manifest Letzte Lockerung (“Laatste verlossing”). Volgens de beschrijving van Richter kwam Serner hierbij op in een smetteloos feestelijk kostuum, als voor een bruiloft, en zette een kleermakerspop zonder hoofd op het podium. Hij liep terug om een boeket kunstbloemen te halen, bood het aan de pop aan en legde het aan haar voeten. Vervolgens plaatste hij een stoel midden op het podium, ging er wijdbeens op zitten met zijn rug naar het publiek, en begon zijn manifest voor te dragen. Richter:
walter serner 2

Eindelijk! Dit was precies waar het publiek op had zitten wachten. De spanning in de zaal werd ondraaglijk. Eerst was het zo stil dat je een speld kon horen vallen. Toen begon het kattengejank, eerst spottend, later woedend. ‘Rat, hoerenjong, hoe durf je!’ tot het lawaai Serners stem bijna volledig overstemde.

Na nog wat provocaties begon vooral jong publiek het meubilair van de zaal te vernielen, joeg Serner het podium af en het gebouw uit, smeet de kleermakerspop en de stoel kapot en stampte op het boeket. De hele zaal was in rep en roer, het optreden werd afgebroken, de lichten gingen aan. Richter vervolgt: 

De mensen gingen beseffen dat niet alleen Serners provocaties, maar ook de woede-uitbarstingen van degenen die zich hadden laten provoceren iets onmenselijks hadden… en dat juist dít de reden voor Serners performance was geweest.

Door Serners bijdrage had het publiek aan zelfbewustzijn gewonnen, meent Richter. Over Serners manifest verderop meer.

Het derde deel dat volgens Richter niet minder provocerend was, bracht het er hierdoor, maar ook door de pauze die lang genoeg was, zonder kleerscheuren van af:

Het publiek was getemd.

Deze laatste dada-avond, met als enerverend hoogtepunt de performance van Walter Serner, was ook het laatste gezamenlijke dada-optreden in Zürich. In de herfst van 1919 vestigde Hans Arp zich tijdelijk in Keulen, waar hij met Max Ernst en Theodor Baargeld de Keulse afdeling van dada oprichtte. Walter Serner probeerde hetzelfde in Genève, waar hij eind 1919 het ‘Eerste Dadaïstische Wereldcongres’ organiseerde en in 1920 een ‘Groot Dadabal’. Beide evenementen pakten financieel desastreus uit. Tzara vertrok begin 1920 naar Parijs om er samen met André Breton Dada Parijs op te zetten. Ook Marcel Janco ging naar Parijs om er met zijn broer als architect te werken. In 1923 keerde hij definitief terug naar Roemenië. Richter vervolgde zijn experimenten in de beeldende abstractie en vertrok eind 1920, samen met kunstenaar en filmmaker Viking Eggeling, naar zijn ouders in het Noordoosten van Duitsland. Hugo Ball en Richard Huelsenbeck waren al in 1917 uit Zürich vertrokken. Ball had dada vaarwel gezegd, Huelsenbeck introduceerde dada begin 1918 in Berlijn.

Walter Serners Letzte Lockerung

Wat was er zo heftig aan Serners manifest waardoor het publiek op hol sloeg? Ik geef wat passages en gedachten uit dit manifest weer. Het lijkt in eerste instantie behoorlijk onsamenhangend, van de hak op de tak, en is gelardeerd met soms ludieke, soms onzinnige, niet ter zake doende terzijdes. Het gaat grofweg over het zinloze en belachelijke bestaan van de mens in het algemeen en van de kunstenaar in het bijzonder. Serner neemt de verveling als leidraad. Het manifest is onderverdeeld in twaalf paragrafen, waarvan de eerste als volgt luidt:

1. Om een vuurbal raast een strontbol waarop dameskousen verkocht worden en Gauguins getaxeerd. Een waarlijk bedroevende zaak, die evengoed toch nog wel wat onderscheid te bieden heeft: kousen kunnen begrepen worden, Gauguins niet. (…) De duizend van kleine hersenen voorziene rasta’s met hun stompzinnige voorschriften, die stukjes feuilleton serveren aan opgeheven bourgeois-wijsvingers (o pasteus geplas!) om geldstromen vrij te maken, hebben hierom verwaarlozingen aangericht, waardoor vandaag nog vele dames tekortkomen. (Denk drie minuten na over de psychose van slecht behandelde optica; klinisch symptoom, primair: onderschatting van de kousen; secundair: spijsverteringsproblemen.)

Rasta’s – afgeleid van het Franse rastaquouère: doorgaans onbetrouwbare, buitenlandse parvenu – moeten in dit verband óók begrepen worden als dada’s, dadaïsten. Serner had een ambivalente houding ten aanzien van dada: hij was betrokken bij dada-activiteiten, wierp zich aan het eind van de Zürichse dadaperiode op als dada-promotor, maar was het ook vaak oneens met Tzara over het dada-gedachtegoed.

De tweede paragraaf gaat over de onvoldoende gewaardeerde hersens.

2. Wat zou het eerste brein dat op de aardbol kwam gedaan hebben? Vermoedelijk was het verbaasd over zijn aanwezigheid en wist het zich geen raad met zichzelf en het smerige vehikel onder zijn voeten. Intussen is men aan het brein gewend geraakt, dat zo onbelangrijk gevonden wordt, dat men het niet eens negeert, maar wel rasta geworden is. (…)

Afijn, zo gaat Serner verder met de verveling in het leven van een treinmachinist, over de onzinnige roeping – volgens Napoleon – om akkers te bebouwen (‘Hoezo? Viel er een ploeg uit de hemel?’), om aan te tonen dat de verveling overheerst, waartegen alleen de desperado opgewassen is,

(…) die als profeet, kunstenaar, anarchist, staatsman etc., kortom als rasta heibel maakt.

Kunstenaars komen er bij Serner echter ook niet best af. Kunstenaars zijn verlegen en door het hanteren van een eigen stijl rechtvaardigen ze die verlegenheid en geven ze er uitdrukking aan. Daarmee willen ze de wereld mooier maken dan die is.

(…) Dat wil zeggen: uit het leven, dat onwaarschijnlijk is tot in de vingertoppen, iets waarschijnlijks maken! Over deze chaos van drek en raadsels een verlossende hemel plaatsen! De mensenstront ordenend parfumeren! Bedankt! (…)

Na al die galspuwerijen geeft Serner in de laatste paragrafen van zijn manifest enkele ‘adviezen’ voor een beter bewustzijn en een beter gevoel.

10. heeft men nooit een gedachte. In het beste geval doet de gedachte alsof. (Maar er is altijd een tegenspreker!) Elk woord is een blamage, goedbeschouwd. Men toetert altijd maar zinnen van een circusachtige zwaai over een kettingbrug (of ook: ravijnen, planten, bedden). Advies: stel je voor het inslapen met de heftigste duidelijkheid de psychische eindtoestand van een zelfmoordenaar voor, die zich met een kogel eindelijk zelfbewustzijn wil inschieten. Dat lukt echter alleen als je jezelf van tevoren belachelijk maakt. Zwaar belachelijk. Ontzettend belachelijk. Volstrekt mateloos belachelijk. Zo gruwelijk belachelijk, dat alles daarmee belachelijk geworden is. Dat ieder metaforisch op z’n kont valt. En niest.

Kunstenaars – die op hun best een soort ezels zijn –  en andere rasta´s kunnen het niet meer goed doen, blijkt uit de bijna laatste paragraaf:

11. (…) Men moet deze amfibieën, die zich te goed voelen om ezel te zijn, tot rede brengen door die rede bij hen uit te drijven! Uit te slaan! Men moet dit huiveringwekkende, meer dan levensgrote ansichtkaartenblauw, dat door deze wazige rasta’s naar de hi- ho- hu- ha- (wat?) hemel gelogen is, neerhalen! Men moet zijn hoofd angstig maar trefzeker aan dat van de buurman stoten, zoals aan een bedorven ei (goed, goed). Men moet naar het volkomen onbeschrijflijke, het volstrekt onuitsprekelijke van zó onverdraaglijk dichtbij schreeuwen dat geen hond zo nog langer verstandig wil verderleven, maar alleen veel dommer! Dat ieder zijn verstand verliest en zijn hoofd terugkrijgt! Men moet ze de pannenkoeken, de bijbelspreuken, de meisjesborsten, de procenten, de Gauguins, de zakdoeken, de kousenbanden, de borrels, de wc-deksels, de vesten, de wandluizen, al het spul dat ze gelijktijdig denken, doen en pletten, zo dicht op elkaar onder de kin schuiven, dat ze zich eindelijk even goed voelen als in de lange periode van zwabberigheid. Men moet. Men moet gewoon. Taratataa!

Eerder in dit manifest heeft Serner aangegeven dat honden geen hangmatten zijn, en onderkoninginnen geen fauteuils. Hij besluit:

12. Dameskousen zijn van onschatbare waarde. Een onderkoningin is een fauteuil. Een hond is een hangmat. L’art est mort. Vive Dada!

Kortom: de wereld bestaat uit drek en chaos; domheid en verveling regeren. Moderne kunstenaars willen het onwaarschijnlijke verbeelden en het onbeschrijflijke beschrijven in stijlen die gebaseerd zijn op ongepaste verlegenheid, maar dat is tot mislukken gedoemd want ezels blijven het toch wel. Alleen voor rasta’s is er nog een beetje hoop, want ondanks hun kleine hersens gaan ze de verveling te lijf. De mens moet meer bewustzijn krijgen, en als dat hun zelf niet lukt, moet het ze maar door de strot geduwd worden. De kunst is dood. Leve Dada!

Met dit Letzte Lockerung dada-manifest plaatste Serner dada meer dan ooit in een cynische en nihilistische hoek. Tzara zag tenminste in de kunst nog een uitweg uit de negatieve spiraal waarin de samenleving terecht was gekomen, ook al moest de kunst voldoen aan beperkingen als tegenspraak, spontane directheid en individuele onafhankelijheid. Serner zag echter ook in de moderne kunststromingen niets meer.

Ten slotte Hans Richter over Walter Serner:

Hij was de cynicus van de beweging, de zelfverklaarde anarchist, een Archimedes die de wereld uit zijn voegen tilde en vervolgens liet hangen. (…) In veel opzichten was hij, meer dan de idealist Ball of de realist Tzara, de belichaming van verzet in zijn existentiële vorm.

walter serner 1

Advertenties

Niemand kan aan het lot ontkomen
Niemand kan aan Dada ontkomen
Alleen Dada kan jullie aan het lot laten ontkomen
Tristan Tzara

Over het steeds zwartgalliger wordende dadaïsme van Tristan Tzara.

Van Tzara is een “Zürichse Kroniek 1915-1919” opgenomen in Huelsenbecks Dada Almanach (1920). Hierin somt hij hoogtepunten van de Zürichse dada-geschiedenis op, chronologisch met datumvermelding, in een zeer persoonlijke, associatief-poëtische staccato-stijl met reeksen steekwoorden, opgetekend als een soort dagboeknotities die zowel de gebeurtenissen als iets van de sfeer weergeven. De snelheid en levendigheid, de beklemtoning van bepaalde woorden en de vele uitroeptekens doen futuristisch aan, maar de associatieve en komische woordbuitelingen zijn weer dadaïstisch. Over de eerste dada-avond na Cabaret Voltaire (zie het vorige stukje) heeft Tzara het volgende opgetekend:

1 9 1 6 – 1 4  j u l i – voor het eerst in de hele wereld. 

Zaal Waag
1e DADA-SOIREE
(Muziek, dans, Theorieën, Manifesten, gedichten, schilderijen, kostuums, maskers) 

Voor een dicht opeengepakte menigte, Tzara manifest, wij willen wij willen wij willen in verschillende kleuren pissen, Huelsenbeck manifest, Ball manifest, Arp verklaring, Janco mijn schilderijen, Heusser eigen composities, de honden janken en de doorsnijding van Panama op de piano op de piano en aanlegsteiger – geschreeuwd gedicht – men s c h r e e u w t in de zaal, men vecht, eerste rang schenkt bijval tweede rang verklaart zich incompetent de rest schreeuwt, en die is sterker men brengt de grote t r o m, Huelsenbeck tegen 200, Ho osenlatz beklemtoond door de zeer grote trom en belletjes aan de linker voet – men protesteert men schreeuwt men gooit de ruiten in men vernielt men vecht de politie onderbreking.

Hervatting van de bokswedstrijd: kubistische dans kostuums van Janco, ieder zijn grote trom op het hoofd, geluiden, n e g e r m u z i e k / trabatgea bonooooooo oo ooooo / 5 literaire ervaringen: Tzara legt in rokkostuum voor het gordijn, gortdroog voor de dieren, de nieuwe esthetiek uit: gymnastisch gedicht, klinkerconcert, b r u ï t i s t i s c h gedicht, statisch gedicht, chemische rangschikking van begrippen, Biribum biribum saust der Ochs im Kreis herum (Huelsenbeck), klinkergedicht a a ò, i e o, a i ï, nieuwe vertolking de subjectieve gekte van slagaders de dans van het hart op de branden en de acrobatiek van de toeschouwers. Opnieuw schreeuwen, de grote trom, piano en machteloze kanonnen, men verscheurt de kartonnen kostuums het publiek stort zich in de kraamvrouwenkoorts onderbrrrreken. De ontevreden kranten 4-stemmig s i m u l t a a n gedicht + simultaan voor 300 die definitief idioot werden.

Dada Almanach p13

Dada Almanach p14

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Cabaret Voltaire-oprichters Hugo Ball en Emmy Hennings willen stoppen met dada en trekken zich terug aan de Zwitserse kant van het Lago Maggiore. Een klein jaar lang verblijven ze, na aandringen van de dadaïsten Tzara, Janco en Arp, nog wel regelmatig in Zürich voor de organisatie van culturele activiteiten zoals exposities en literaire avonden, in een bestaande, tot Galerie Dada omgedoopte kunsthandel. Wat onder de noemer van dada wordt georganiseerd staat volledig in het teken van de moderne kunst. In mei 1917 verlaten Ball en Hennings Zürich en dada definitief. Ball is uitgeput en ligt overhoop met Tzara. Galerie Dada wordt gesloten.

Ook Richard Huelsenbeck (van de ‘negergedichten’, de grote trom en geschreeuwde publieksprovocaties) keert terug naar Duitsland. Allereerst vanwege een psychosomatische maagziekte waarvoor hij psychiatrisch behandeld wordt, daarnaast om zijn studie geneeskunde voort te zetten.

Blijft over in Zürich, als toonaangevende dadaïst: Tzara, naast Hans Arp en Marcel Janco. In juli 1917 geeft Tzara het blad DADA uit, dat in tegenspraak met zijn kunstcynisme geheel in het teken van de moderne kunst en literatuur staat, wat ook geldt voor het tweede nummer van dit blad, uit december van dat jaar. De opmaak van beide nummers is redelijk traditioneel.

DADA-MANIFEST 1918

Een jaar later komt DADA 3 uit in een meer speelse vormgeving, en met veel internationale bijdragen. In dit nummer is Tzara’s Dada-manifest 1918 opgenomen, op 23 juli 1918 voorgedragen tijdens een aan Tzara zelf gewijde soiree. Dit pagina’s lange manifest is serieuzer en grimmiger van toon dan zijn eerste van juli 1916. Het is weliswaar weer doorspekt met komische terzijdes en cryptisch-poëtische uitweidingen, maar zijn opvattingen over de moderne westerse wereld, de kleinburgerlijkheid en de kunst – en zelfs waar dada voor staat – worden hierin met veel pathos het publiek in geslingerd. Ik zou erbij zeggen: met dank aan Nietzsche.

Dada 3 Dada 3_1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tzara begint dit manifest alvast over de zinloosheid van manifesten – want dan moet je ‘A.B.C. willen, tegen 1,2,3 tekeer gaan’ en de vernieuwing propageren, terwijl de liefde voor het nieuwe meteen alweer verouderd is en er eigenlijk alleen maar is ‘om de verveling aan het kruis te nagelen’ – maar geeft tegelijk al aan waar het hem in de kern om te doen is. Behalve dat hij ‘uit principe tegen manifesten is zoals hij ook tegen principes is’, schrijft hij dit manifest namelijk

om te laten zien dat je in een enkele frisse ademtocht tegenovergestelde acties gelijktijdig kunt doen; ik ben tegen de actie; voor de voortdurende tegenspraak, ook voor de bevestiging, ik ben niet voor niets tegen en ik leg niets uit want ik haat het gezonde verstand.

            Dada betekent niets.

Hier had Tzara zijn manifest al kunnen beëindigen, want na die ontkenningen en tegenspraken weet je het eigenlijk wel: ‘Dada betekent niets’. Maar hij heeft nog een hoop te vertellen, samengevat in de volgende gedachten en citaten:

DADA is ontstaan uit behoefte aan onafhankelijkheid, uit wantrouwen jegens de gemeenschap. We willen onze vrijheid bewaren, we erkennen geen enkele theorie.

Van welke kant moet je tegen ‘t leven aankijken? Alles wat je ziet is immers vals. Het heeft geen zin om dingen van meerdere kanten te bekijken, om daardoor relatieve resultaten te boeken – een zogenaamde dialectiek waarmee je je opvattingen kunt vormen:

(…) dat wil zeggen de geest van de patates frites verkopen, terwijl je er methodisch omheen danst.
Als ik schreeuw:
                        Ideaal, ideaal, ideaal,
                        Kennis, kennis, kennis,
                        Boemboem, boemboem, boemboem,
dan heb ik vrij precies de ontwikkeling, de wet, de moraal en alle andere mooie kwaliteiten in kaart gebracht waarover verscheidene zeer intelligente mensen hebben gediscussieerd in zoveel boeken, om tot de conclusie te komen dat ieder volgens zijn persoonlijke boemboem heeft gedanst en dat hij gelijk heeft met zijn boemboem, bevrediging van ziekelijke nieuwsgierigheid; privé-klokkenspel voor onverklaarbare behoeften; bad; maag met terugwerking op het leven.

Men gelooft dat je met denken rationeel kunt uitleggen wat je schrijft. Gedachten zijn mooi voor de filosofie, maar wat moet je er verder mee. De psychoanalyse is een gevaarlijke ziekte, omdat die de antireële neigingen in slaap sust. Er is geen ultieme Waarheid.

De dialectiek is een grappige machine die ons – op een banale manier – naar opinies leidt die we anders toch ook wel gehad zouden hebben. 

 Al met al leidt dit tot

De dadaïstische spontaniteit.

De dadaïst streeft naar ‘actieve eenvoud’. Elke handeling is echter vergeefs, gemeten naar de eeuwigheidsschaal – de mens is machteloos.

Omdat het leven een slechte klucht is, en wij geloven dat we er zo goed mogelijk uit moeten komen, hebben wij de kunst uitgeroepen als enige basis voor onderlinge verstandhouding. Een kunstenaar maakt echter kunst voor zichzelf. Kunst wordt dan weer begrijpelijk gemaakt door journalisten, wat te betreuren is.

Ook kwalijk: kunst die van de natuur afgeleid is, dat is een soort geconfijte diarree. Als je die kunst aanmoedigt, moet je die ook verteren.

Eigenlijk is elk schilderij of beeldhouwwerk nutteloos. Kunst moet een monster zijn dat volgzame geesten bang maakt, geen schattig ding dat ‘de eetzalen van in mensenkostuums gestoken dieren versiert’.

Absolute kunst bestaat uit contrasten: ‘orde – wanorde, ik – niet-ik, bevestiging – ontkenning.’ Van een oud werk kun je houden vanwege zijn vernieuwing. Het is het contrast dat ons aan het verleden bindt.

We moeten tegen verwachtingspatronen en logica ingaan en naar een individuele fantasie streven.

Logica is een extra complicerende factor, want geen enkele logica is juist. De waarheid moet te vinden zijn in de onvolmaaktheid, de tegenspraak en de gelijktijdige eenheid van tegenpolen.

Moraal heeft liefdadigheid en medelijden uitgevonden, daar is niets goeds aan, dat levert vooral sentimentaliteit op. Controle over moraal en logica verziekt de geest van de kunstenaar. Wat er goddelijk aan ons is, is het ontwaken van de anti-menselijke handeling. We moeten allemaal schreeuwen – er is veel destructief, negatief werk te verzetten.

Ik verkondig de oppositie van alle kosmische eigenschappen tegen de gonorroe van deze verdorven zon die uit de fabrieken van de filosofische gedachte komt, de verbitterde strijd met alle middelen van de

                        Dadaïstische walging.

Ten slotte geeft Tzara een opsomming van de meest uiteenlopende zaken die ‘dada’ zijn:

Elk product van de walging die tot afwijzing van de familie kan leiden, is dada; protest met de vuist, vanuit heel het wezen in een destructieve actie: DADA; (…) afschaffing van de logica, dans van de machtelozen van de schepping: DADA; (…) afschaffing van het geheugen: DADA; afschaffing van de archeologie: DADA; afschaffing van de profeten: DADA; afschaffing van de toekomst: DADA; een absoluut onbetwistbaar geloof in elke god die spontane directheid voortbrengt: DADA; een elegante en onbevooroordeelde sprong van de ene harmonie naar de andere sfeer; het traject van een woord dat als een discus met schreeuwgeluid geworpen is; respecteren van alle individualiteiten in hun dwaasheid van het moment; (…) je kerk ontdoen van alle nutteloze en zware toebehoren; (…) Vrijheid: DADA DADA DADA, uitschreeuwen van de verkrampte kleuren, vermenging van tegenstellingen en van alle tegenspraak, van grotesken, van inconsequenties: HET LEVEN

Na dit pleidooi voor vrijheidsdrang en ‘spontane directheid’, en het wantrouwen van de (kleinburgerlijke) gemeenschap, van gangbare maatschappelijke waarden, van moraal en logica, zou je kunnen denken dat het dadaïsme in Zürich weer tot bloei kwam, maar niets wijst daarop. De gezamenlijke dada-activiteiten stonden in het teken van de moderne kunst. De dada-soirees waren tamelijk onschuldige voordrachtsavonden geweest. Alleen de laatste manifestatie in Zürich, de officieel achtste dada-soiree, was weer een echte dada-avond met een groot publiek van duizend bezoekers, een hoop tumult en een enerverend hoogtepunt met de ultieme cynicus Walter Serner. Deze soiree vond plaats op 9 april 1919, negen maanden na de avond waarop Tzara zijn Dada-manifest 1918 voordroeg, en die voor de rest ook alleen aan Tzara gewijd was.

Over die tumultueuze laatste dada-manifestatie in Zürich een andere keer meer!

Arp Tzara Richter 2