Archief voor september, 2013

Wat is het verschil tussen een machine en een machine? Een machine produceert iets. Iets, een product. Maar terwijl de ene machine iets nuttigs produceert, zoals bierflesjes of potloden, produceert de andere vooral zichzelf, dat wil zeggen zijn eigen functioneren. Zoals de machines van Tinguely. Die draaien om het draaien, en laten dat op een vrij extraverte manier zien. Heb je daar iets aan? Ja. Je kunt ernaar kijken, luisteren, je kunt het ondergaan, en met een vrolijk gemoed verdergaan, al of niet naar een volgende ‘nutteloze’ machine. Dus wat je eraan hebt: de machine kan je een leuke gedachtekronkel bezorgen, je stemming een lift geven, en zelfs die van een heel publiek.

De Kift

persfoto-de-kift-wim-op-drumfiets

Ook het Zaanse muziekgezelschap De Kift voert machines ten tonele. Niet zozeer in de muziek zelf – die ontstaat voornamelijk uit degelijk handwerk – maar meer in de omlijsting van concerten of op straat in de vorm van een drumstelfiets. Dus waar bij Tinguely de ‘nutteloze’ machine het eindproduct is, is die bij De Kift een onderdeel van het totaalpakket, van de hele show. Maar net als van Tinguely’s machines kun je van die van De Kift erg vrolijk worden.

 

 

foto Erik Christenhusz

De Kift, met wortels in de punk en de fanfare en sporen uit Balkan- en andere wereldmuziek, zorgt op de podia voor wervelende theatrale shows. Zanger-blazer-gitarist Ferry Heyne is een uitbundige vertolker van dramatische en tragikomische teksten, samengesteld uit de meer zwaarmoedige en melodramatische, maar vaak ook absurdistische wereldliteratuur, vooral uit Rusland. Elk album heeft een thema, een verhaal dat fragmentarisch verteld wordt in de verschillende nummers.

De Kift live

Brik

Van het meest recente studioalbum Brik is het thema een dolende rit op een ‘brik’ – een oude wagen of fiets (oorspronkelijk: klein oorlogsschip, tweemaster). Achterop het podium staat een machine, die nu en dan door Kift-muzikanten, maar vooral door drummer en vormgever Wim ter Weele aangezwengeld wordt. Over Brik, van de Kiftsite:

Brik is een onbesuisde woestijnrit vol vaart en fanfare, een gelukskruistocht van hier tot aan Rio de Janeiro. Spil van deze reis is de onfortuinlijke Admiraal B. Hij heeft De Kift een lift gegeven en doolt verscheurd en doodongelukkig met zijn brik door de woestijn. Ooit voer hij de brik als bevelhebber door de Caribische Zee, maar dat zijn nu kapotte herinneringen.

Brik is ook de naam van het ‘draaidrumstel’ dat De Kift bouwde. Een duivels draaiorgel opgetrokken uit schroot en oud ijzer, piepend en huilend als een mank vliegwiel. Dit brik vormt het gloeiend hart van een overrompelende reeks optredens. Een uitzinnig orkest over een spoor van rinkelende marsmuziek, doffe trommels en ontploffende carburateurs.

Deze magistrale ‘drummachine’ ratelt, beukt, kraakt en piept erop los – een beetje zoals de machines van Tinguely – en zorgt zo voor een ‘ritmische’ ondersteuning van de muziek. Het apparaat bestaat uit oude metalen buizen, trommels, fietswielen, blik, hout, zinken emmers en gieters, en een paar oude stofzuigers.

De muziek van De Kift is van een ongepolijste poëtische kracht. Een samenspel van koperwerk (trompetten, trombones, tuba’s), gitaren, drums, bas en toetsen kan evengoed voor spetterende rock als voor meer trage, gedragen liedjes zorgen. De inbreng van harmonium, steeldrum, draailier, autoharp, speeldoosjes en andere voor de popmuziek ‘vreemde’ instrumenten levert altijd een verrijking van de muziek op, vaak verrassend, maar nooit als overbodige gimmick.

Veel nummers worden akoestisch gespeeld en zonder drums – ook de drummer pakt dan een gitaar. De muziek kan daardoor ingetogen klinken, maar tegelijk ritmisch. Het ene nummer is eenvoudig van opzet, het andere heeft een aparte maatvoering, bij weer een ander nummer is het koper of de samenzang rijk gearrangeerd. Maar de muziek is nooit gladgepolijst, heeft altijd een ruw randje, passend bij de mentaliteit van de groep, voortgekomen uit zijn punk- en kraakverleden.

Schrijver-columnist Bert Wagendorp:

De Kift is geboren in fanfare, gedoopt in punk en groot geworden in liefde voor muziek en poëzie. Vrolijke muziek is het, muziek vol weemoed. Muziek waarvan tranen in je ogen schieten of een grijns op je gezicht verschijnt.

De Kift heeft in de loop der jaren (de band bestaat 25 jaar) zijn muzikale grenzen voortdurend verkend, door het toelaten van allerlei soorten muzikale invloeden, maar ook door samenwerking met andere bands. Calexico, Franz Ferdinand, Zita Swoon, De Rondo’s, Stuurbaard Bakkebaard, het jazzgezelschap Available Jelly en vooral het Franse Monofocus, waarmee ze gedurende een reeks concerten in Nederland en Frankrijk gezamenlijk optraden – voor een deel ook werkelijk als één groep. En nu ook met Rats on Rafts.

Maar niet alleen muzikale, ook muziektheatrale grenzen worden opgezocht. Al op hun derde album Gaaphonger wordt het drama van de overwintering van Willem Barentsz op Nova Zembla (1596) in een eigenzinnige Kift-interpretatie meer als theaterstuk dan als popalbum neergezet. De Kift ontwikkelde muziektheaterproducties (De IJzeren Hond, en Kees de Jongen met Frank Groothof), bracht een ‘opera’ uit met klassiek geschoolde zangers (Vier voor Vier), en speelde de belangrijkste rollen in de veelgeprezen film De arm van Jezus van André van der Hout, waarvoor de band ook de muziek maakte.

Dat theatrale is er altijd, bij elk optreden. In de eerste plaats natuurlijk door Ferry Heyne met zijn expressieve stemgebruik, mimiek en bewegingen. Door zijn aanstekelijke uitbundigheid die regelmatig ook op de rest van de groep lijkt uit te stralen. Maar ook in de rollen van toetsenman Frank van den Bos, en van de gespeeld-norse drummer Wim ter Weele. De personages zijn meestal mislukkelingen en randfiguren, mensen die ondanks alle ellende hun dromen en sprankjes hoop blijven koesteren.

Drama is nodig om de zwaarmoedige, weemoedige en melancholieke teksten te vertolken, maar in alles van een voorstelling van De Kift – theatrale performance, decors, kostuums, attributen, en vaak ook in de teksten zelf – zit ook een luchtige twist, een komische noot. En juist dat tragikomische doet zijn werk, bezorgt het publiek een collectieve ontroering bij de meer stille, gedragen stukken, en feelgood momenten bij de uitbundige, spetterende nummers.

Natuurlijk zit die komische noot ook in de Brik-machine zelf: er moet hard en ernstig gewerkt worden, gezweet om hem aan de praat te krijgen, om er ratelende, piepende en krakende geluiden in verschillende ritmes tegelijk uit te krijgen, die heel eigenwijs op de muziek gaan zitten. En de muziek zegt: kom maar, ik kan je hebben. En het publiek wordt vrolijk.

De Kift Brik

Tip: Het De Kift Festival, 26 oktober, Amsterdam, Paradiso.

Na Hausmanns imaginaire machine die de geestloosheid van de mens moest verbeelden – de mens als ‘nutteloos bewegende onzin’ – volgen nu echte machines. Machines met als doel: draaien, werken. Zonder nut.

Jean Tinguely

Nutteloze machines zijn het handelsmerk van de Zwitserse kunstenaar Jean Tinguely (1925-1991). Zijn machines intrigeren door hun spektakel van bewegingen en geluid. En door de gekozen voorwerpen – auto-onderdelen, dierenschedels, een michelinmannetje, veertjes, carnavalsmaskers, muziekinstrumenten – die door die machines in beweging worden gezet. Door de effecten die de machines teweeg brengen. Want niet al zijn machines zijn doelloos, dat wil zeggen: sommige machines hebben een functie. Niet dat die iets nuttigs produceren zoals bierflesjes of potloden, maar ze doen iets met bepaalde voorwerpen, al zijn die machinaties wel vaak op destructie gericht.

Rotozaza

Zulke machines noemde hij Rotozaza’s. In Rotozaza nr. 1 kun je ballen gooien, die er via een transportband ook weer uitgeschoten worden. In Rotozaza nr. 2 kun je bierflesjes hangen, als aan een waslijn, en die bierflesjes worden één voor één, aan de lopende band, doeltreffend kapotgeslagen. Rotozaza nr. 3 was bestemd voor de etalage van een warenhuis, en kreeg het voor elkaar om 12.000 borden stuk te slaan.

Métamatic

Ook zijn Métamatic-machines hebben een doel, alleen hierin staat niet van tevoren vast wat wanneer gebeurt, dat laat hij voor een deel aan de machines zelf over. Onder deze Métamatics vallen zijn tekenmachines, waarbij de machine stiften aandrijft die een vel papier te lijf gaan: automatisch geproduceerde tekeningen. Hiermee ironiseert Tinguely het werkproces van het kunstenaarsgenie, zoals de dadaïsten ook al het unieke individuele kunstenaarshandschrift aan de kaak stelden. De dadaïsten deden dat door voorhanden materiaal samen te voegen, of door juist heel zakelijk, onpersoonlijk, te schilderen en te tekenen. Tinguely ging een stapje verder: tekeningen kunnen net zo goed door machines gemaakt worden.

Homage to New York

De ultieme Métamatic: een machine die zichzelf vernietigt. Zoals zijn Homage to New York (1960), op de binnenplaats van het Museum of Modern Art (MoMA) in New York. Dit apparaat was acht meter hoog en bevatte onder meer twee tekenmachines, een oude piano waarbij mechanische armen hard op de toetsen hamerden, een ijzeren pan die door grote bouten en moeren bewerkt werd, een ballon die met een harde klap uit elkaar knalde, vuurpijlen, rookbommetjes, en een karretje dat zich uit de machine losmaakte en de vijver van het MoMA in reed. Veel spektakel totdat de machine zoveel onderdelen had prijsgegeven dat die het begaf. Een korte impressie van deze gebeurtenis is in dit filmpje te zien:

 

De meeste van Tinguely’s machines draaien echter zonder doel, puur om alle bewegingen binnen de machine, om het letterlijk audiovisuele spektakel, met alle absurde humor die de werkende machine teweegbrengt. Zo kun je een dierenschedel vervaarlijk op en neer zien bewegen, alsof die een prooi te lijf gaat, of ontdek je opeens een razendsnel ronddraaiend michelinmannetje.

Fontaine Stravinsky

Samen met de Franse kunstenares en jarenlange levenspartner Niki de Saint Phalle ontwierp hij voor een bassin bij het Parijse Centre Pompidou een serie van zestien fonteinen (‘La Fontaine Stravinsky’, 1983), gebaseerd op personages uit Strawinsky’s Sacre du Printemps en andere werken. Tinguely’s eigenzinnig bewegende, waterspuitende sculpturen gaan vergezeld van Saint Phalle’s kleurige ronde figuren in haar typerende, bewust kinderlijke vormgeving. Deze combinatie van ludiek bewegende, robuuste zwart-ijzeren machines en kleurige, grappige figuren – daar kan een mens erg vrolijk van worden.

Le Cyclop

Niki de Saint Phalle werkte, samen met veertien andere bekende kunstenaars, ook mee aan Tinguely’s grootste machine, Le Cyclop. Die is gebouwd in een bos bij Fontainebleau, bij Parijs. Het gevaarte bestaat uit drie verdiepingen, en heeft een reusachtig, eenogig gezicht. Op de bovenste verdieping staat ook een complete treinwagon. De bouw duurde tien jaar, vanaf 1969, en daarna werd er nog vijftien jaar aan gewerkt om alle kunstenaarsbijdragen erin op te nemen.

Kunst?

Ook al hechtte Tinguely weinig waarde aan het begrip kunst, hij bewoog zich wel in de kunstwereld – zij het vooral de meer tegendraadse: hij behoorde in de jaren 1960 tot de groep van de Nouveaux Réalistes met o.a. Spoerri, Arman, Yves Klein, Christo, Saint Phalle – en zijn werk is vooral te zien in de grote musea van moderne beeldende kunst, en uiteraard in het Tinguely-museum in Bazel. Zijn bewegende sculpturen zijn enorm schatplichtig aan dada: het gebruik van gevonden materialen, ruimte voor toeval, de speelse humor, en het non-conformistische, haast anarchistische anti-kunst karakter (ook politiek gezien was hij, teleurgesteld in de communistische partij in Zwitserland na de Tweede Wereldoorlog, anarchist geworden).

Duchamp
duchamp fietswiel

Nog een duidelijke link met dada: Marcel Duchamp, die hij zeer bewonderde en ook persoonlijk kende. Duchamp – van de ready-mades zoals het urinoir (Fountain, 1917) en het ‘Fietswiel’ (1913), maar ook van het ‘Grote Glas’ (1915-1923), het dubbele raam met de symbolische uitbeelding van een bruid en haar seksueel gefrustreerde vrijgezellen –  is vooral bekend als conceptueel kunstenaar (waarbij het gaat om de presentatie van een idee), maar hij was ook zeer gefascineerd door beweging – al voordat hij de schilderkunst afzwoer: in zijn futuristisch-kubistische schilderij van het ‘Naakt, de trap afdalend’ (1912). Verder: in het fietswiel dat kan draaien. En in de machinerie die gesuggereerd wordt in het ‘Grote Glas’, met onder andere een ‘chocolademolen’. Maar bij uitstek door zijn daadwerkelijk draaiende machines: draaischijven met vindingrijke, allitererende teksten, en met geometrische figuren die door de draaiing een hallucinerende, ruimtelijke vorm suggereren (hierover maakte hij een korte film, Anémic-Cinéma (1926). Deze werken (vanaf midden jaren 1920) noemde hij Rotoreliefs. 

Naar Duchamps Rotoreliefs maakt Tinguely een concrete verwijzing met zijn Rotozaza’s en eigenlijk al zijn machines. Laat die machines maar draaien, piepen, kraken, zoemen, tikken, schuren, ratelen, beuken, knallen!

 

Tinguely MMetaMMeta RotoZaza tekening

Leestip:

H.J.A. Hofland, Tinguely, zichtbare muziek. Zwolle (Waanders), Rotterdam (Kunsthal), 2007

 

Binnenkort: deel 3 van het drieluik Nutteloze machines: De Kift en hun brik.