Dada & film 1: Charlie Chaplin

Geplaatst: 10 november 2013 in Uncategorized
Tags:, , , , , , , , , ,

Eerste deel van een serie over dada en film. Over de verwantschap tussen de films van Chaplin en dadaïstische maatschappijkritiek.

dada en film

De titel is misleidend: in de hoogtijdagen van dada was nog geen van de dadaïsten actief met filmmaken bezig. En ná die hoogtijdagen maar een paar: Hans Richter, Man Ray, Marcel Duchamp, Francis Picabia. De een gebruikte het medium in eerste instantie vooral voor vormexperimenten (Richter, Ray), de ander puur voor het opnemen van draaiende objecten (Duchamp), weer een ander om met behulp van een filmmaker absurde scènes vorm te geven (Picabia met René Clair in Entr’Acte). In de meeste gevallen werden de technische mogelijkheden van het medium onderzocht om verrassingseffecten te genereren (dubbelopnamen, over elkaar schuivende beelden, stop-motiontrucages, etc.). Maar in elk geval hadden de dadaïsten een grote belangstelling voor film, én ideeën over wat goede films waren.

Charlie Chaplin 

In het derde nummer van hun blaadje Der Dada (april 1920) brachten de Berlijnse dadaïsten een eerbetoon aan Charlie Chaplin, van wie de films op dat moment verboden waren in Duitsland. De volgende tekst gaven ze, als een wervende reclame, een prominente plaats in het blad:

De Int. Dada-Company, Berlijn stuurt
Charlie Chaplin
de grootste kunstenaar van de wereld en een goede dadaïst, sympathiegroeten. Wij protesteren tegen de uitsluiting van de Chaplin-films in Duitsland.

Der Dada 3 p3 jpg

De dadaïsten hadden toen waarschijnlijk nog geen enkele film van Chaplin gezien. Ze hadden erover gehoord en gelezen, via reizende filmcritici, of mogelijk via bevriende kunstenaars die bijvoorbeeld in Parijs al met zijn films hadden kennisgemaakt. Maar de films van Chaplin kwamen Duitsland niet in, evenmin als andere filmproducties uit Hollywood. Ze werden ongeschikt bevonden voor de moraal, en die was in tegenstelling tot het ‘vrije’ Amerika nog behoorlijk kleinburgerlijk en bekrompen. De Engelsman Chaplin werkte toen al jaren in de VS, met tientallen korte films op zijn naam. Pas vanaf 1921 – de Weimar Republiek bestond al een paar jaar – werden er korte films van Chaplin in Berlijn vertoond. Zijn eerste lange speelfilm The Kid uit 1921 verscheen in Berlijn in 1923.

charlie chaplin tramp full length

Intussen bloeide de Duitse filmindustrie. In 1917 werd in Berlijn de filmproductiemaatschappij UFA opgericht, die in eerste instantie vooral propagandafilms uitbracht (anti-geallieerden, het was nog oorlog). Maar het publiek wilde onderhoudende films zien, en die kwamen ook uit het buitenland. Niet uit de VS, zoals gezegd, en ook niet uit Frankrijk. Wel uit Italië en Denemarken (actrice Asta Nielsen was al een grote ster). En een taalbarrière speelde geen rol – de geluidsfilm bestond nog niet.

De Berlijnse dadaïsten moeten regelmatig films gekeken hebben, gezien hun fascinatie voor de moderne media en technologische ontwikkelingen. Ter oriëntatie: in 1919 kwam Das Cabinet des Dr. Caligari (Robert Wiene) uit, een beroemd geworden film in expressionistische stijl, met veel lichteffecten, dramatisch geschilderde, hoekige, schuine decors en pathetisch acteerwerk.

Over de verwantschap tussen de films van Chaplin en het werk van de Berlijnse dadaïsten schreef de Amerikaanse kunsthistorica Elizabeth King een interessant stuk “Berlin Dadaists and Charlie Chaplin: Medium, Mechanics and the Masses” (2012) waarbij sommige gesuggereerde overeenkomsten volgens mij wat vergezocht zijn, maar goed, de kern van haar betoog is: die verwantschap is overduidelijk.

In zowel de films van Chaplin als het werk van de dadaïsten werd de bourgeoisie op de hak genomen. In de films van Chaplin vooral door het typetje van de tramp, de vagebond, die met zijn nonconformistische uiterlijk en gedrag telkens weer chaos brengt in de burgerlijke settings waarin hij optreedt. Hij draait de gesettelde, ‘nette’ burgermannen en -vrouwen een loer, zet ze te kakken, of valt ze openlijk aan. Daarbij toont hij sympathie voor figuren in een underdogpositie. De dadaïsten doen hetzelfde, maar wel op een andere manier: in optredens, geschriften en beeldend werk. En politieker: ze betuigen openlijk sympathie aan het communisme. Maar in beide gevallen: met veel humor. Hieronder een korte film van Chaplin uit 1916, The Rink, met restaurantslapstick en rolschaatsverwikkelingen. Chaplins skate skills zijn magistraal.

Tegelijkertijd koesteren de Berlijnse dadaïsten een fascinatie voor het vrijere Amerika, waar moderne kleding, moderne (jazz-)muziek en nieuwe dansstijlen vandaan komen. George Grosz en John Heartfield hebben ook niet zomaar hun namen verengelst (oorspronkelijk Georg Groß en Helmut Herzfeld). Dit ‘Amerikanisme’ was een  katalysator voor de ontwikkeling van het dadaïsme in Berlijn, omdat de Amerikaanse cultuur liet zien dat er helemaal geen onderscheid tussen high art en low art hoeft te zijn. Koren op de molen van de dadaïsten, die het begrip kunst al op z’n kop zetten. Chaplin speelde zeker een rol hierin: de dadaïsten hadden hem hoog zitten, omdat hij in hun ogen grote kunst voor een groot publiek bracht. Bovendien zagen ze in hem een maatschappijcriticus – althans in de kunstenaar Chaplin die een gelijkgestemde visie kon uitdragen.

masker

Op hun beroemde groepstentoonstelling Erste Internationale Dada-Messe in Berlijn, zomer 1920, hadden de dadaïsten een doodsmasker van Beethoven opgehangen, in een smalle doorgang tussen twee zalen. Een foto daarvan illustreert de omslag van Richard Huelsenbecks Dada Almanach uit 1920.

Dada Almanach cover      Charlie Chaplin portrait

 

 

 

 

 

 

 

 

Het masker was bewerkt door de schilder Otto Schmalhausen. Het was van een soort kapsel voorzien, er waren zwart omrande ogen op geplakt en een snorretje. Je kunt er Charlie Chaplin in zien. Het voorhoofd is bestempeld met ‘OZ-DADA WORKS’ – Oz-Dada was de dadaïstische bijnaam van Otto Schmalhausen. In de catalogus van de Dada-Messe staat er van de hand van John Heartfields broer Wieland Herzfelde, die meerdere geëxposeerde werken van ‘verhelderende’ teksten heeft voorzien, bij dit werk het volgende te lezen:

Dada-Oz heeft zich voor de opgave gesteld ons de ‘helden van het verleden’ te verbeelden, onder andere ook Beethoven. Feitelijk levert het bekende dodenmasker van wit gips een vervalst en zwak beeld op. Nadat het echter door de handen van de Belgische dadaïst is gegaan, kijkt een glazige droefheid ons vanuit trouwe blauwe ogen aan, bevindt de snor zich in een koppige draai, en hangt het haar bij de zonderling ongeordend over het voorhoofd. Nu begrijp je hoe het mogelijk was dat hetzelfde gezelschap, dat in deze tijd Beethoven tot zijn muzikale idool heeft verheven, hem bij leven voor een onaangenaam mens hield.

In elk geval is de eerbiedwaardigheid van Beethoven, als bourgeois cultuuricoon, dadaïstisch ontkracht om er een nieuw cultuuricoon (Chaplin) voor in de plaats te zetten. De Franse cineast en criticus Louis Delluc omschreef het in die tijd als volgt: ‘Voor de creatieve filmartiest is het masker van Charlie Chaplin even belangrijk als het Beethoven-masker voor de musicus of componist’. Bovendien heeft het Chaplin-masker – evenals Chaplin dus – opgemaakte ogen, wat de cliché-mannelijkheid in de samenleving ironiseert. Denk bij het tramp-typetje van Chaplin aan zijn anti-macho manier van vechten of boksen, of juist de manier waarop hij klappen ontwijkt. De dadaïsten hadden kritiek op de autoritaire patriarchale samenleving en op traditionele relatievormen, met name uitgesproken door Raoul Hausmann.

Bij de slapstick horen overdrijving en vervorming, om het publiek te verrassen, te ontregelen, en te laten lachen. Zoals Chaplin in zijn films de karakters met hun gebaren en gezichtsuitdrukkingen uitvergroot, en zijn eigen lichaam in allerlei ongewone standen zet (dwarse voeten, of bijvoorbeeld sterk achterover hellend), zo vervormen de dadaïsten in hun fotomontages ook menselijke figuren, door verschillende lichaamsdelen samen te voegen. Kijk maar naar dit fragment van Hannah Höchs Schnitt mit dem Küchenmesser Dada durch die letzte Weimarer Bierbauchkulturepoche Deutschlands (1919). Höch Schnitt detailOok verrassend, ontregelend en komisch. In dit werk worden figuren uit de politiek, de cultuur en het establishment, maar ook mededadaïsten, op een mild-ironische manier voor het voetlicht gebracht.

Zoals de films van Chaplin zowel verstrooiing brachten als de gevestigde orde op de hak namen, zo brachten ook de dadaïsten verstrooiing. Niet alleen protest en provocaties, nihilisme en sarcasme, maar ook lol. Hun optredens waren zowel fel en provocerend als melig en ludiek. Het publiek kwam om vermaakt te worden. Hun beeldende werk en teksten bevatten zowel felle aanklachten als ironie en meligheid. In het blaadje Der Dada 3 komen deze verschillende eigenschappen mooi samen.

Over de dadaïstische fotomontages, hun shockwerking en hun verwantschap met film: binnenkort in dit theater.

Filmtip: dinsdag 12 november 19:15 in EYE, Amsterdam, programma E*Cinema Academy: Surrealism, The Dream Team: Buñuel + Dalí . Met Un Chien Andalou en l‘Age d’Or.

reacties
  1. […] Dada & film 1: Charlie Chaplin […]

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s