Archief voor augustus, 2015

Over het vroege toneelstuk Stemmen van Wim T. Schippers, en ander werk. Geruststellend vertrouwde ontregeling. Zeg: dada, fluxus.

Met de stemmen van Wim T. Schippers zijn we haast allemaal opgegroeid: Ernie van Sesamstraat, en Kermit. Graaf Tel, zelfs. Veel mensen herinneren zich ook nog de stem van Jacques Plafond, van zijn radioprogramma Ronflonflon met Jacques Plafond, alweer zo’n 25 jaar geleden. Maar de tv-registratie van zijn eenakter Stemmen (1972) zag ik laatst voor het eerst – en ik was prettig verrast. Een opzienbarend scenario, met een mooi spel van door elkaar heen lopende gesprekken, ontregelende voorvallen en opgewonden standjes. Dingen die instorten, momenten van chaos. Kortom – typisch Wim T. Schippers.

Stemmen 8

chaos en misverstand

Het leven is onzinnig en chaotisch en kan het best met onzin en chaos bestreden worden. Dat kan lachwekkende situaties opleveren. Chaos en misverstand op tv met Fred Haché, Barend Servet en vooral Sjef van Oekel. Van Oekel krijgt zijn Discohoek waarin bekende popartiesten meegaan in de rommelige situaties van het programma. Donna Summer, Captain Beefheart. Vooruit, van allebei een clipje.

Hoepla

Het begon allemaal met Hoepla, althans, op tv. 1967, V.P.R.O. Wim T. Schippers, Wim van der Linden, Hans Verhagen, Willem de Ridder. Gericht op jongeren. Popcultuur. Kleine reportages over culturele en maatschappelijke onderwerpen: zenboeddhisme, macrobiotiek, ongeneeslijke ziektes, dronken dienstplichtige soldaten in de trein. Een interview met Jan Cremer in New York. Optredens van The Soft Machine, Zappa met zijn Mothers of Invention, The Jimi Hendrix Experience, Arthur Brown. Interviews met Mick Jagger, Eric Clapton, Pete Townshend. Met tussendoor een speelse grafische vormgeving, wit op zwart, dynamisch. Een foto van een vogeltje en dan het geluid van een explosie. Elke aflevering weer. Een jongerencultuur was in opmars tegen de vastgeroeste, verzuilde samenleving van de jaren zestig.


hoepla 1967 graphics

In de eerste aHoepla afficheflevering loopt model Phil Bloom voortdurend bijna naakt door het beeld (dat wil zeggen: gehuld in een slingertje kunstbloemen), en is in de tweede in haar hele blootje te zien. Blote borsten! Voor het eerst op de Nederlandse televisie! Schande! Veel opzeggingen van het VPRO-lidmaatschap. Maar ook lof voor de vernieuwende en gedurfde manier van televisie maken. Toch: na de derde aflevering en veel aanhoudende protesten, zelfs vanuit de VPRO-dominees (echt) en de politiek, werd de serie gestopt. Een vierde was bijna klaar voor uitzending, maar werd op het laatst geannuleerd.

goede smaak

Een paar jaar na Hoepla ging Wim T. Schippers verder met tegendraadse televisieprogramma’s, die vooral de geaccepteerde ‘goede smaak’ provoceerden. Chaos, gevloek, gekots, poep en pies, gesmijt met eten, onduidelijke draaiboeken, instortend meubilair, veel glasgerinkel en het contrast van keurig uiterlijk en onbetamelijk gedrag (Fred Haché, Barend Servet, Sjef van Oekel) – dit geheel van elementen die niet aan vertrouwde verwachtingspatronen voldeden, hoefde niet op algehele bijval te rekenen. Maar (vooral) jongeren die openstonden voor dwarse cultuuruitingen waren fan van Schippers-programma’s als de Fred Haché Show, Barend is weer bezig en Van Oekel’s Discohoek. En: ze hadden impact op het Nederlandse taalgebruik. Uitdrukkingen als ‘Pollens!’, ‘Ik word een peu nerveu’ (Barend Servet), ‘Prima de luxe’ (Fred Haché) of ‘Jammer, maar helaas’, ‘Reeds’, ‘Wordt het toch nog gezellig!’ (Sjef van Oekel) kon je vaak (en sommige nog steeds) horen. Wist je trouwens dat het woord ‘gekte’ ook door Schippers is bedacht?

Schippers zet zijn tv-ongein in de jaren zeventig voort in Het is weer zo laat (‘Waldolala’), en in de jaren tachtig met de series De Lachende Scheerkwast (met het Willy Dobbeplantsoen), Opzoek naar Yolanda, Plafond over de vloer, en We zijn weer thuis.

Ontregelen, de boel op zijn kop zetten, ingaan tegen de goede smaak: dat is dada, dat is fluxus. Of het nu om televisiewerk gaat, toneelstukken (Going To The Dogs, 1986; Hoogwater voorheen Laagwater, 2015), of beeldende kunst.

kunstManifestatie aan het strand te Petten

Terwijl zijn tv-werk situaties laat ontsporen en de falende, aan schijnzekerheden geklonken mens laat zien, ontkomt Schippers’ beeldende kunst (omdat het beeldende kunst is) niet aan esthetische waardering. Ook al krijgt hij zijn eerste bekendheid met een performance – het leeggieten van een flesje prik in de zee in 1961 (Manifestatie Aan Het Strand Te Petten, opnieuw uitgevoerd in 1963 voor een tv-programma van de VARA) – toch is zijn meer tastbare werk in de gevestigde kunstwereld opgenomen.

waarachtige oninteressantie

Ook dat meer tastbare werk (sculpturen, reliëfs, installaties) is verrassend, onconventioneel, brutaal met kwinkslagen. Logisch, al zijn werk komt voort uit dezelfde creatieve, ontregelende bron. Met collega-kunststudenten Ger van Elk en Bob Wesdorp stelt hij in 1961 het ‘A-dynamisch manifest’ op, dat pleit voor kunst waarin de persoonlijke expressie van de kunstenaar op geen enkele manier een rol speelt. De kunst moet getuigen van ‘waarachtige oninteressantie’, ‘theoretische en praktische slapte’, en van ‘saaiheid en verwarring’. Over de mogelijke vormen van de kunstwerken: het moeten liefst ‘plastieken ter stadsontsiering’ zijn, bijvoorbeeld in de vorm van reusachtige meubelen; een andere voorkeur is dat de kunstwerken het betreden en verlaten van gebouwen bemoeilijken; of dat grote aantallen zinloze voorwerpen in keurige rijen worden uitgestald. Deze kijk op vorm en functie van kunst komt sterk overeen met het gedachtegoed van fluxus, een (internationale) ‘neo-dada’-stroming aan het begin van de jaren zestig in de VS. Over fluxus meer in een volgend stukje.

esthetisch

Maar ondanks de theoretische uitgangspunten van saaiheid, verwarring en ontregeling komt er bij ‘stilstaand’ beeldend werk nog iets anders kijken: je kunt het aanraken, erlangs of eromheen lopen, je kunt er langdurig naar kijken, eraan ruiken, het in je opnemen, beschouwen. Een beeldend kunstwerk krijgt gewild of ongewild esthetische kwaliteiten, anders dan bij film of toneel. ‘De verzonken toren van Drienerlo’ (1979) is een kopie van een bestaande toren, in een vijver van de campus van de Universiteit Twente geplaatst. De toren wekt de suggestie van een gezonken kerk of zelfs van een heel ondergelopen dorp. Je kunt er de symboliek in zien van ten onder gaande kerkelijke dogma’s. Je kunt ook – zonder symboliek – denken aan een watersnoodramp of aan stuwmeren in bergvalleien, waar vroeger hele dorpjes leefden, waarvan je af en toe nog een kerktoren en wat bomen uit het water ziet steken. Die suggestie is er maar heel even, daarna kijk je naar een torentje in een vijver – een kunstwerk. Ontregelend, maar ook esthetisch.

Torentje_Drienerlo_Wim_T_Schippers_Enschede

      WTS Pindakaasvloer Boijmans

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

pindakaasvloer

Een pindakaasvloer. Gebruik een banale ondergrond (een vloer) en banale materie (zout, glasscherven, pindakaas). Bestrijk de vloer met die materie. Schippers bedacht de pindakaasvloer in 1962, voerde die in 1969 uit in een galerie (Mickery, Loenersloot), een museum (Centraal Museum, Utrecht, 1979), waarna het concept in 2010 werd aangekocht door museum Boijmans Van Beuningen, en tentoongesteld in 2011.

Het Boijmans kocht ook Schippers’ zwevende steen ‘Het Is Me Wat’ (1999), een elektromagnetisch hoogstandje waardoor een rotsblok (van purschuim) daadwerkelijk boven een massieve sokkel ‘zweeft’.

Het Is Me Wat

Schippers plaatste in 1965 een gigantische paarse stoel in het Vondelpark, ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van het park. Een reusachtige drol-sculptuur (‘Stationnement Gênant’) is in 2011 aangekocht door de VPRO, voor in de tuin van het omroepgebouw in Hilversum. Ook deze banale uitvergrotingen komen voort uit dada/fluxusgedachten, maar zou je evengoed in het hokje ‘Popart’ kunnen zetten.

drol 2

Het Stedelijk Museum in Amsterdam heeft dit jaar een aparte zaal met werk van Wim T. Schippers ingericht. Sculpturen, reliëfs. In deze zaal is ook televisiewerk van Schippers te zien, van Hoepla tot Van Oekel, en ook ‘Stemmen’.

Stemmen

Het stuk begint met een introductie van de personages bij een Hitchcock-achtig filmmuziekje. De cast is het toenmalige neusje van de zalm van het Nederlandse toneel. De leader eindigt met het silhouet van een landhuis in de nacht en het geluid van gierende wind – zet je schrap voor een thriller.

Een kamer vol gasten. Je hoort conversaties maar je ziet ze niet. Je ziet wel mensen praten, maar die hoor je niet. Je hoort geklets, van verschillende gesprekken door elkaar, waardoor je juist voornamelijk geroezemoes hoort. Stemmen. Je wordt in dit stuk heel behendig om de gesprekken heen geleid, zodat je geen enkel gesprek kunt volgen. Ook het beeld laat zich afleiden van de pratende gasten: de camera staat nu eens gericht op de kroonluchter, met nog net pratende hoofden onder in beeld, dan weer op gasten van wie je de gesprekken juist niet hoort. De kadrering is magistraal, die versterkt de ongeïnteresseerdheid (van Schippers, van de camera, van de kijker?) in de gevoerde conversaties.

Stemmen 2

Stemmen 7

Opeens gebeurt er iets waar de camera als de kippen bij is: een parelketting breekt en valt uit elkaar op de vloer. De camera blijft even bij de parels op de vloer hangen, om daarna weer verveeld het gezelschap en de kamer te bekijken.

de pianist

Stemmen 4

Totdat er gebeld wordt. Nieuwsgierig zoomt de camera in op de deur. Een ernstige jongeman in pak met lang haar en een sik (Schippers alias Jacques Plafond) loopt direct naar de piano en gaat op de kruk zitten, afzijdig van het publiek. Hij wordt uitvoerig en vol eerbetoon door de gastheer geïntroduceerd als ‘veelbelovend pianist tevens modern componist’, de heer Johan van Spengen, die zijn eigen compositie ‘Fantastique moderne’ zal spelen. De pianist haalt zijn bladmuziek tevoorschijn en begint harde dissonante akkoorden aan te slaan. De camera zoomt in op zijn handen, zijn gezicht, zijn ogen. Sterke concentratie, dodelijke ernst. Temperament. Hier lijkt een getormenteerde kunstenaar aan het werk, die steeds gepassioneerder op de piano beukt. Je ziet de gastheer in elkaar krimpen, de gasten kijken steeds verontruster. Zeven minuten lang gaat het spel door, totdat er een vaas van de piano valt, breekt, de gastheer hem op de schouders tikt en hem verzoekt zijn uitvoering te staken. Verontwaardigd pakt de pianist zijn spullen bij elkaar en vertrekt: ‘Niet mooi? Niet mooi? Bent u gek geworden! Bah! Lomperd! Lafbek! Schande! Durft mij te onderbreken om te vertellen dat ie ’t niet mooi vindt, schande! Lafbek! Maar zo ongemakkelijk [!] komt u hier niet vanaf. Ik maak hier wel degelijk werk van, reken daarop!‘ 

De gasten maken opgewonden de balans op van de schokkende gebeurtenis, de gesprekken zijn voor een groot deel te volgen. Even later valt de kroonluchter naar beneden, nieuwe consternatie. Het geklets hervat toch alweer snel zijn kabbelende toon. Tussendoor loopt een gast (André van den Heuvel), die verder helemaal niet in het stuk voorkomt, gemoedelijk maar nieuwsgierig de kamer binnen, richt zijn blik langdurig op de camera, en verdwijnt weer uit beeld.

de pianostemmer

Stemmen 10

De bel gaat, een opgewonden man vraagt naar ‘de patiënt’. Hij blijkt pianostemmer te zijn. Vertelt over mislukte ambities, wat mooi contrasteert met de hooghartige sneren van de heer des huizes. Verbijsterd over de staat van de piano haalt hij alle panelen los en tikt driftig tegen onderdelen van het instrument. De pianostemmer (‘J. Plek’) maakt de gastheer wijs dat de piano volkomen verrot is, en probeert hem een nieuwe aan te smeren. En dan: ‘WÉÉT U WÁT!! Ik zet hem weer netjes voor u in elkaar.’ Hij plaatst de panelen provisorisch terug en vertrekt, maar niet zonder de gastheer een offerte voor een nieuwe piano te laten tekenen. Een geweldige rol, overigens, van Henk van Ulsen.

Na een gepassioneerd relaas van de gastheer over de begintijd van de luchtvaart stort opeens de piano volledig in elkaar. Ook na deze consternatie wordt er weer geanimeerd doorgekletst. Een enkele gast wordt dronken (‘Gelul!!!’).

Stemmen 11

Stemmen 12

Het stuk is een schitterend spel van ‘waarachtige oninteressantie’, sociale onbeholpenheid, snel voorbijgaande consternatie na chaotische voorvallen, uitgekookt camerawerk en treffend acteerwerk. Kijk die shit.

Stemmen, eenakter door Wim T. Schippers, 1972, 35 min.
Met Jacques Plafond (Wim T. Schippers), Will van Selst, John Soer, Ina van Faassen, Elisabeth Andersen, Gerard Hartkamp, Carol van Herwijnen, John Lanting, Mieke Bos, Paul Cammermans, Yoka Berretty, Henk van Ulsen en André van den Heuvel.
Regie (tv-productie) Wim van der Linden, Gied Jaspars.

Advertenties