Archief voor december, 2015

Klaar met ZERO? Nee. Nu nog iets meer over Nul, de Nederlandse tak van ZERO. Het werk van Armando, Henk Peeters, Jan Henderikse, Jan Schoonhoven en Herman de Vries (herman de vries) blijft boeien. En: kunsttijdschriften als kunstwerken. En: wat maakten ze na nul?

nieuw begin

Eigenlijk waren al die internationale ZERO-gelieerde kunstenaars in de jaren vijftig zo’n beetje tegelijkertijd bezig met het overboord gooien van de gevestigde moderne kunstrichtingen, met hun abstract-expressionistische stijlen en handschriften, met hun naoorlogse pathetiek. Dat was gedaan, vonden ze. Van wilde pathetische gebaren zoals bij Pollock of de Cobra-schilders moesten ze niets meer hebben. Voor een deel waren die expressionistische uitingen als reactie op de Tweede Wereldoorlog te beschouwen, een weerslag van het Lijden. De ZERO-kunstenaars wilden, net als de dadaïsten rond 1920, opnieuw beginnen, maar dan wel met een optimistische blik op de toekomst. Alles lag open, qua beeld, methoden, technieken, mentaliteit.

Eind jaren vijftig had je de Duitsers Mack, Piene en Uecker; de Fransen Yves Klein en Arman en de in Parijs wonende Venezolaan Jesus Rafael Soto; de Zwitsers Tinguely, Spoerri en Megert; de Italianen Fontana, Castellani en Manzoni; de Japanse Gutai-groep en vooral Yayoi Kusama; de Belg Pol Bury en de Nederlanders Armando, Peeters, en Schoonhoven, en vele anderen. Al werden de internationale contacten snel gelegd, ze begonnen vaak los van elkaar met dezelfde ideeën.

Nederlandse Informele Groep

De Nederlandse ‘nul’-groep ontstaat uit de ‘Nederlandse Informele Groep’ (N.I.G.), die in februari 1959 in de Düsseldorfse Galerie Gunar exposeert (Armando, Peeters, Schoonhoven, Henderikse en Kees van Bohemen. Van Bohemen, die uiteindelijk niet mee zal gaan in de kunstopvattingen van zijn groepsgenoten, keert al snel terug naar de figuratie). Op de opening maken ze kennis met Otto Piene, die een krap jaar eerder met Heinz Mack de naam ‘ZERO’ gemunt heeft voor hun nieuwe kunstopvattingen. De N.I.G.-groep blijkt er dezelfde overtuigingen en manieren van werken op na te houden: grotendeels monochroom, veel wit, patronen, ritme, gebruik van non-artistiek, gevonden materiaal zoals bouten, prikkeldraad, veertjes, kurken, lucifers en luciferdoosjes, stukken hout en karton, vuur.

NIG Galerie Schmela 1959

Armando, Henk Peeters, Kees van Bohemen en Jan Henderikse voor Galerie Schmela in Düsseldorf, 1959

Er moet een geheel nieuwe kunst komen en alles wijst erop, dat ze komt. Niet ‘mooi en lelijk’ meer, niet ‘goed en kwaad’ meer (ze bestaan nog steeds), maar een kunst die geen kunst meer is, maar een gegeven feit (als onze schilderijen). De weg hierheen moet zijn: meedogenloos en onherroepelijk. Zoals de zon praat.
(…)

Armando, uit ‘Credo 1’, 1958, opgenomen in de catalogus bij de tentoonstelling Holländische Informelle Gruppe in Galerie Gunar, Düsseldorf, februari 1959

De kunst lijkt nergens meer over te gaan, zogenaamd. Zo wordt er in april 1961 een Internationale tentoonstelling van NIETS gehouden in de Amsterdamse Galerie 207 (‘representatief voor avantgardisme, konventionalisme, modernisme, kommunisme, kapitalisme, pattriotisme, internationalisme, monochromie, monotonie, beweging, zen, surrealisme, dadaisme, lettrisme, situationisme, informele kunst, konstruktivisme, tachisme’). Behalve de N.I.G.-/nul-kunstenaars doen o.a. Piero Manzoni en Christian Megert mee. Bij de tentoonstelling wordt ook een manifest uitgegeven: ‘Manifest tegen niets’:

Een schilderij is net zoveel waard als geen schilderij.
Een plastiek is net zo goed als geen plastiek.
Een machine is net zo mooi als geen machine.
Muziek is net zo aangenaam als geen muziek.
Geen kunsthandel is nog wel zo doelmatig als kunsthandel.
Iets is haast niets (niet iets).

De eerste grote groepstentoonstelling met alle internationale ZERO-kunstenaars vindt plaats in het Städtisches Museum in Trier, september 1961, onder de naam Avantgarde 61. De nul-groep is nu volledig geïntegreerd in de ZERO-beweging.

kunsttijdschriten

Kunsttijdschriften uit de ZERO-kringen zijn geen magazines meer over kunst, kunstenaars en kunstwerken, maar in veel gevallen nadrukkelijk als kunstmanifestaties op zichzelf te beschouwen. En dan kon een tentoonstellingscatalogus ook weer op zo’n kunsttijdschrift lijken. Veel pagina’s kunnen als kunstwerken gezien worden, en de teksten over kunst zijn nu vooral van de hand van de kunstenaars zelf, niet meer van kunstcritici. ZERO 3 luciferAan ZERO 3 (juli 1961) was op de laatste pagina door Daniel Spoerri een lucifer toegevoegd, met de aanbeveling het boekwerk na lezing te verbranden. Op diezelfde bladzijde was vlak boven de lucifer een zonnebloempit bevestigd (door Tinguely), om die ‘in goede grond te planten, alvorens de volgende aanwijzing te volgen’. Een vergelijkbaar kunsttijdschrift was Azimuth (Milaan, twee nummers: september 1959, februari 1960), opgericht door Enrico Castellani en Piero Manzoni, als pendant van hun galerie Azimut.

 

nul = 0

In navolging van ZERO verschijnt in november dat jaar het eerste nummer van nul = 0, ‘tijdschrift voor de nieuwe konseptie in de beeldende kunst’, uitgegeven door Armando, Henk Peeters en herman de vries, die zich ook bij de nul-groep heeft gevoegd. Internationale tekstuele en visuele bijdragen van o.a. Armando, Peeters, Henderikse, Schoonhoven, de vries, Mack, Piene, Uecker, Arman, Yves Klein, Megert, Hans Haacke. De teksten zijn in het Duits en Frans, en alles consequent zonder hoofdletters. In dit nummer verwoordt herman de vries de uitgangspunten van de nul-kunstenaars in een programmatische tekst, waarvan hier enkele fragmenten:

(…) de verbindende factoren van hen die deze nieuwe conceptie vormgeven zijn: het objectieve: het zoveel mogelijk uitschakelen van de persoonlijke reactie; het normloze: het niet te normeren van de resultaten; het stupide: de kunst is op een punt aangeland waarin techniek en intellect niet meer hoeven mee te praten omdat ze nu in wezen door iedereen gemaakt zou kunnen worden. wat mij betreft houdt de kunst hier op kunst te zijn. expressie is niet zichtbaar meer, naar binnen gekeerd en hermetisch afgesloten. de expressie blijft dus buiten beschouwing. (…)
samenvatting: het beelden in deze nieuwe conceptie is geen beelden, het is een collectief stupide maar objectieve en volledig normloze aan zichzelf overgelaten en overlatende expressieloze inhumane absolute bezigheid.

herman de vries, uit ‘nul = 0’, nul = 0 (1961), z.p. (oorspronkelijk in het Duits met een samenvatting in het Frans; Nederlandse vertaling in cat.tent. ZERO, Stedelijk Museum 2015, p. 509; zie onderaan)

nul=0 omslag

nul=0 p0-1

 

 

 

 

 

 

 

Het eerste nummer van nul = 0 heeft een zilverpapieren omslag met rechtsboven een rond gat waardoor de O van de eerste bladzij gloort. Lichtblauwe bladzijden met tekst, witte met foto’s. Foto’s van kunstwerken, van kunstenaars, van kunstsituaties. De pagina’s met foto’s zien er spannend uit – de foto’s lijken elkaar om aandacht te verdringen. Tekstuele en visuele bijdragen van o.a. Otto Piene, Heinz Mack, Günther Uecker, Armando, Henk Peeters, herman de vries, Jan Schoonhoven, Arman, Yves Klein.

nul=0 p4-5

nul=0 p10-11

Kort na het verschijnen van nul = 0 vindt de tentoonstelling Expositie Demonstratie ZERO plaats (Arnhem, Internationale Galerie A, zie mijn vorige stukje ZERO), waar van de nul-groep alleen werk van Peeters en Schoonhoven te zien is. Het tijdschrift ZERO 3 wordt hierbij als een soort catalogus verkocht – de meeste kunstenaars die aan dit boekwerk bijdroegen zijn immers ook exposanten van deze tentoonstelling.

Tentoonstellingen van ZERO-kunstenaars volgen elkaar snel op. In Den Haag organiseert Galerie Orez in januari 1962 een grote tentoonstelling Nieuwe Tendenzen, waar alle usual zero-suspects en veel internationale nieuwelingen vertegenwoordigd zijn. Anderhalve maand later opent de eerste grote ZERO/nul-tentoonstelling in het Amsterdamse Stedelijk Museum (nul62). Het affiche laat een evenwichtig gecomponeerde collage zien van teksten en koppen over ZERO en nul, met enkele namen van deelnemende kunstenaars. De omslag van de catalogus is net zo’n uitgebalanceerd overzicht van foto’s van kunstwerken. De catalogus is eigenlijk ook in de vorm van een (vouwbare) poster: op de ene kant kunstwerken, op de andere teksten, manifesten en citaten van de kunstenaars.

nul catalogus en affiche SM 62

catalogus en affiche voor de tentoonstelling Nul62 in het Stedelijk Museum Amsterdam, maart 1962

nul catalogus SM 62

nul affiche SM 62

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

catalogus bij Nul62                                                                          affiche voor Nul62

Het tweede nummer van nul = 0 verschijnt in april 1963, en is opgedragen aan Yves Klein en Piero Manzoni, twee toonaangevende ZERO-kunstenaars die kort daarvoor plotseling zijn overleden. Op de cover zijn uitvergrote vingerafdrukken van Manzoni’s rechterhand te zien. Rechts bovenin de hoek een rode O. Binnenin weer foto’s van kunstwerken: geometrische patronen, ruimtelijk werk, lichtwerk.

nul = 0 2 omslag

nul = 0 2 pagina

 

 

 

 

 

 

 

omslag van nul = 0, nr.2                                                                            pagina uit nul = 0, nr.2

nul affiche SM 65In 1964-65 meerdere tentoonstellingen in het buitenland, en in Nederland de exposities ZERO-0-nul in Den Haag en nul 1965, de tweede grote nul-tentoonstelling in het Stedelijk (zie mijn vorige stukje ZERO).

Geleidelijk aan vallen de groepen uit elkaar: de ZERO-kunstenaars Mack, Piene en Uecker concentreren zich op hun individuele projecten, de groep nul wordt ook steeds minder hecht. Henderikse is na 1963 nauwelijks meer van de partij (hij beschouwde zichzelf steeds minder ‘nul’), en ook Armando is halverwege 1965 wel klaar met nul. ZERO en nul waren gelijkgestemde bewegingen geweest, met duidelijke kunstopvattingen. Het optreden als groep had ook hun persoonlijke kunst sterk gemaakt, zowel in vorm als in overtuigingskracht.

 

 

voorbij nul

Hoe gingen de Nederlandse nul-kunstenaars verder met hun eigen werk?
Jan Schoonhoven en herman de vries blijven vrij consequent hun nul-kunstopvattingen uitdragen. Schoonhoven met zijn witte reliëfs in patronen en vakjes, maar ook zijn ‘hokjes’-tekeningen die wat wildere ordeningen laten zien. De rasterpatronen laat hij op een gegeven moment los, met name in de jaren tachtig, ten gunste van een grotere variatie van meer ongebonden, abstracte vormen.

Schoonhoven zt 1965

Schoonhoven zt 1987

Jan Schoonhoven, z.t., 1965                                               Jan Schoonhoven, z.t., 1987

herman de vries produceert in zijn nul-tijd witte geometrische reliëfs en sculpturen, veel samengesteld uit balkjes en plankjes. Hij maakt gebruik van toeval én ordening. Toevallig geplaatste stippen en streepjes, binnen een strak patroon. Vanaf eind jaren zeventig gebruikt de vries voor die toevallige ordening materiaal uit de natuur: plant- en boomblaadjes, takken, zaden en zaadhulzen, bloemen. Dit jaar richtte hij het Nederlandse paviljoen op de biënnale van Venetië in.

herman de vries sculpturen 1960-66

herman de vries - from the forest floor 1997

 

herman de vries, sculpturen 1960-66                         herman de vries, from the forest floor, 1997

Henk Peeters, Jan Henderikse en Armando treden steeds meer buiten de nul-perken. Peeters is vanaf eind jaren vijftig bezig met patronen en rasters – sterk nul. Stippen van roet, watjes, veertjes. Veel wit. Maar vanaf 1964 ook conceptueler werk, met of zonder patroon. Een wand met strakgeordende, met water gevulde plastic zakjes, een werk dat hij Akwarel noemt. Een roze, vierkante vorm uit schuimplastic met de abstracte verbeelding van een vrouwelijk kruis: Lolita (1965). Koeienhuiden, felgekleurde vachtjes. Overigens dateert zijn werk met de vrieskist met ijsblokken en daarboven een als trofee getoond wit bontje (IJs, ijsbeer, ijskast), een komisch conceptueel werk, al van 1961.

Peeters Zero 1960Peeters Installatie in AP 2000

Henk Peeters, Pyrografie 60-11, 1960                   Henk Peeters, installatie in AP, 2000

Jan Henderikse was binnen de nul-groep al vroeg wat speelser, wat meer dada/fluxus/popart door het gebruik van gevonden materiaal, dat hij dan wel weer nul-matig in grote hoeveelheden en geordend bij elkaar bracht, zoals in een cirkel van kurken (Kurkenreliëf, 1962), of een wand van bierkratjes (Zonder titel (Kratjeswand), 1962), en zijn assemblages van luciferdoosjes en nummerplaten. Na nul houdt hij zijn ritmische patronen van gelijksoortige voorwerpen voor gezien, en maakt hij collages van munten en banale gevonden voorwerpen, of van sportplaatjes of popsterren.

Henderikse Kurkenrelief 1962

Henderikse Assemblage 2010

Jan Henderikse, Kurkenreliëf, 1962                                                   Jan Henderikse, Assemblage, 2010

Armando

Armando wand ZERO SM

Hoewel Armando in zijn nul-tijd overtuigd is van een nieuwe, slechts naar zichzelf verwijzende kunst (zie het citaat uit Credo 1 in het begin van dit stukje), blijft hij gefascineerd door de thematiek van menselijk geweld, van goed en kwaad, daders en slachtoffers. Daarbij doorbreekt hij taboes door ook de schoonheid van het kwaad naar boven te halen, of door een uitgesproken fascinatie voor de dader. Zijn waarnemingen van diverse facetten van de oorlog, als opgroeiende jongen, vooral die bij ‘het kamp’ van Amersfoort, blijven leidend voor zijn uitingen in beeld en geschrift. ‘Schuldig landschap’: bos en heide hadden zich niets aangetrokken van de oorlogshandelingen. Ze waren getuigen geweest, maar niet onschuldig, hadden geweigerd zich uit te spreken. Bomen die schaamteloos doorgroeien – ‘schoonheid is niet pluis.’

Armando’s zakelijke nul-werk wordt dus weer gevolgd door romantische verwijzingen naar de oorlog, naar daders en slachtoffers, naar schuldige objecten: bosranden, menselijke gestalten, machtige dieren, vlaggen, ladders, hekken, geweren. Veel dreiging, veel zwart, rood, later juist weer lichte tinten blauw, groen, bruin. Nul is voor Armando een serieuze richting geweest, maar de relatie tussen schoonheid en kwaad borrelt altijd aan de oppervlakte. Trouwens, ook zijn nul-werken zou je betrekkelijk heftig kunnen noemen: die dreigende wand van zwarte autobanden, de kille gladde houten en metalen panelen, wit, maar ook veel zwart en rood, grote bouten, prikkeldraad…

Armando Fahne 1980-81

Armando Der Vogel 2006

 

 

Armando, Der Vogel, 2006

 

 

Armando, Fahne, 1981

Ten slotte een citaat uit Armando’s De straat en het struikgewas, ik sla het zomaar open.

Ik bedoel dit: aan de bosrand werd een zootje mensen vermoord, er werd geslagen, gekermd, geschreeuwd en geschoten. Intussen zong een vogel het hoogste lied. Hij zat een beetje te schommelen op een tak.
Vermoedelijk dacht de vogel: je kunt me nog meer vertellen, het leven gaat door. Of misschien dacht die vogel iets heel, heel anders, of dacht ie helemaal niet. Het is niet meer te achterhalen. De vogel is, volgens zeggen, dood.

Armando, De straat en het struikgewas, Amsterdam (Rainbow Pockets), 1988. Uit het verhaal ‘De dieren en de bloemen’.

Van Jan Schoonhoven zijn er momenteel twee tentoonstellingen te zien: in Delft in het museum Prinsehof: Kijk, Jan Schoonhoven; en in het Schiedamse Stedelijk Museum: De werkelijkheid van Jan Schoonhoven, beide t/m 14 februari 2016.

Ik heb weer dankbaar gebruik gemaakt van de prachtige catalogus met uitstekende essays:
ZERO – LET US EXPLORE THE STARS (cat. tent. Stedelijk Museum Amsterdam, 4 juli – 8 november 2015, red. Margriet Schavemaker & Dirk Pörschmann). Stedelijk Museum, Amsterdam; ZERO Foundation, Düsseldorf; Verlag der Buchhandlung Walther König, Keulen, 2015.

verder o.a.:
Johan Pas, ‘The Magazine is the Message: het papieren netwerk van de Europese neo-avant-garde (1958-1963)’, TS Tijdschrift voor tijdschriftstudies, nr. 35, juli 2014, p.37-58. www.tijdschriftstudies.nl

Armando autobanden ZERO SM

Henderikse kratjeswand ZERO SM

 

Advertenties