Archief voor januari, 2017

Over Tinguely’s bizarre machinesculpturen, zijn spektakelstukken, zijn samenwerkingen.

Als een bende nutteloze machines na vijftig jaar in een serieus museum voor moderne kunst nog zoveel vrolijkheid, verwondering en bewondering op nagenoeg alle gezichten kan toveren, dan hebben we met een opmerkelijk verschijnsel te maken. Opmerkelijk, want zulke publieksreacties kom je niet heel vaak tegen in de gevestigde kunstwereld. Of in een kunstwereld die zichzelf al te serieus neemt. Maar gelukkig staat een deel van die kunstwereld ook open voor eigenzinnige, anti-artistieke fenomenen als de Zwitser Jean Tinguely (1925-1991).

Tinguely, Gismo, 1960
Het Amsterdamse Stedelijk Museum toont een overzicht van zijn werk onder de titel Jean Tinguely: Machinespektakel. Ik zeg het maar alvast: het is een schitterende tentoonstelling. Een mooie balans tussen zijn werken en documentatie in verschillende vormen, waaronder een zaal met filmfragmenten van zijn spectaculaire en explosieve publieke performances. Elke zaal presenteert een fase in zijn werk, steeds anders vormgegeven, grofweg in chronologische volgorde. Die volgorde is prima: de ontwikkeling van Tinguely’s werk is boeiend van begin tot eind. Van zijn draadsculpturen en reliëfs met draaiende vormpjes tot aan zijn dramatische Mengele-Totentanz-installatie: je blijft kijken, luisteren, rondlopen.

gedoseerd spektakel

Mijn aanvankelijke teleurstelling dat zijn bewegende sculpturen maar eens in de zoveel tijd kort in werking zijn – want daar gaat het juist om, in hun beweging bestaan ze pas echt – werd geleidelijk aan overwonnen door de fenomenale presentatie, maar ook door de spanning van een te verwachten beloning: terwijl je noodgedwongen geduldig wacht op het in werking treden van de ene machine, hoor je verderop al het plotselinge kabaal van een andere. Dan heb je de neiging naar de andere te snellen met het risico dat de ene aan je neus voorbij gaat en je daar dan weer opnieuw op moet gaan wachten. Je blijft bezig (je maakt van de nood een deugd), maar dat heeft ook wel wat, zo kun je in je route een bepaalde mate van speelsheid inbouwen. En dat past dan ook wel weer bij het werk van Tinguely.

Tinguely, Pop, Op, Hop & Co, 1962-1965

Tinguely’s sculpturen hebben iets recalcitrants. Het zijn geen kunstwerken die puur om hun esthetische vormgeving benaderd willen worden. In die zin zou je ze als anti-sculpturen kunnen zien. Anti-kunst. Ze zijn grotendeels opgebouwd uit schroot en andere op vuilnisbelten of op straat gevonden voorwerpen – afgedankt spul. De samenhang van de onderdelen binnen zo’n sculptuur is gericht op beweging. Onderdelen die elkaar in beweging zetten ten dienste van een absurd draaiende machine, waarin dan vaak wel weer een gek object (een knuffelbeest, veertjes en andere gevonden dingen) de aandacht opeist.

Tinguely, Fournitures Baluba, Baluba Bleu, Baluba XIII, 1961-1962

BEWEGING

Tinguely schilderde rond 1947 geometrisch-abstracte composities met invloeden van modernisten als Kandinsky, Malevich, Mondriaan en Arp, maar een openbaring vormden de strakke werken van ijzerdraad van zijn Bazelse stadgenoot Walter Bodmer. De mobiles van Alexander Calder waren een andere grote inspiratiebron: ze bewogen. ‘Waarom zou een schilderij altijd onbeweeglijk moeten zijn? Waarom mag het niet ook veranderen?’ Deze uitspraak van Tinguely uit 1949, retorische vraag eigenlijk, sluit aan op zijn latere terugblik op zijn overgang naar beweging:

‘Ik schilderde en schilderde en schilderde. (…) Ik kon het nooit opbrengen om een schilderij af te maken, ik voelde me gewoon verlamd, als in een doodlopende steeg. Ik kon gewoon nooit het einde zien en wist niet wanneer ik moest stoppen met schilderen. (…) Dus begon ik te werken met beweging. Beweging bood mij een uitweg uit deze verstarring, bood me een eindpunt. Beweging zorgde ervoor dat ik kon zeggen: OK, het werk is af’ (1976).

Tinguely, Méta-Malevichs e.a. meta-mechanische reliëfs, 1953-1956

Tinguely ging bewegende oftewel kinetische schilderijen maken. Platte, zwarte vlakken met Malevich- en Miró-achtige vormen die in beweging steeds veranderende composities laten zien, aangedreven door kleine elektromotoren. En sculpturen met van ijzerdraad gemaakte tandwielen. De machines werden groter en complexer. ‘Meta-machines’ noemde hij ze. Zo kun je een Méta-Kandinsky tegenkomen en een Méta-Malevich (meerdere zelfs), die hij ook nog eens als bouwinstructie aan het publiek beschikbaar stelde. Je kon zelf je eigen ‘Tinguely’ maken.

tekenmachines

Sommige ‘nutteloze’ machines kregen een zeker nut toegewezen, zoals zijn Méta-Matic tekenmachines (vanaf 1959). Aan één van de armen van zo’n machine monteerde hij een tekenbord waarop een vel papier kan worden geklemd, een andere houdt een kleurpotlood of stift vast. Bord en stift bewegen geëxalteerd tegen elkaar aan, waardoor op het papier een ritmisch tekenspel ontstaat. De toeschouwer zet de machine in werking en maakt daarmee zijn eigen automatische tekening, een echt abstract-expressionistisch kunstwerk! Bij gelegenheid werden die tekeningen door Tinguely gesigneerd. Op sommige dagen kun je in deze tentoonstelling zo’n tekenmachine in werking zien (nog op 18 januari en 14 februari rond 11, 12 en 13 uur, check).

Tinguely, Méta-Matic Nr. 17, 1959; Nr. 20, 1959-1960

Rotozaza’s

Andere machines die niet alleen maar nutteloos draaien maar ook een doel hebben, zijn Tinguely’s Rotozaza’s. Zo kun je in Rotozaza nr. 1 (1967) gekleurde ballen gooien, die er door de machine via transportbanden aan het eind weer uitgefloept worden. In Rotozaza nr. 2 (1967) worden aan een lange fietsketting achter elkaar bierflesjes gehangen, die, onschuldig, na een korte reis op weg naar hun lotsbestemming, door een krachtige hamer doeltreffend aan gruzelementen worden geslagen. Rotozaza nr. 3 (1969) was een opdracht van een warenhuis in Bern, om voor de etalage een machine te maken die borden aan diggelen sloeg – 12.000 stuks (Tinguely had begin jaren vijftig naam gemaakt als etaleur voor een opticiën in Bazel). Als machines dan toch iets functioneels moeten hebben, laat het dan ludiek, onzinnig of destructief zijn.

DESTRUCTIESPEKTAKELS

De ultieme destructie: machines die zichzelf vernietigen. Op deze tentoonstelling is een zaaltje prachtig ingericht met filmprojecties van Tinguely’s spectaculaire, zichzelf vernietigende installaties, opgebouwd met behulp van zijn geliefde Niki de Saint Phalle.

In de binnentuin van het Museum of Modern Art (MoMA) in New York zette hij op 17 maart 1960 een enorme machinesculptuur van acht meter hoog in werking – uiteraard voor pers en publiek, beide onmisbaar bij het werk van Tinguely. Dit bouwwerk bevatte onder meer twee tekenmachines, een wasmachine, kinderwagens, tientallen fietswielen, een oude piano waarbij mechanische armen hard op de toetsen hamerden, een ijzeren pan die door grote bouten en moeren bewerkt werd, een ballon die met een harde klap uit elkaar knalde, vuurpijlen, rookbommetjes, en een karretje dat zich uit de machine losmaakte en de vijver van het MoMA in reed. Een gigantisch spektakel, totdat de machine na een half uur zoveel onderdelen had prijsgegeven dat die het begaf. De machine had een autonome performance uitgevoerd. Homage to New York heet het project. Dit spektakel werd door de pers over het algemeen jubelend ontvangen, als ultieme vorm van amusement, maar ook werd – terecht – opgemerkt dat dit werk als een kritische reactie op een te ver doorgevoerde technologie beschouwd moest worden, met alle ontsporende en desastreuze gevolgen (maatschappelijk, politiek, humanitair) van dien. Een duidelijke analogie met de opvattingen van de dadaïsten.

einde van de wereld

Twee jaar later ging hij opnieuw naar Amerika om, op verzoek van televisiestation NBC, een groot explosief project in de woestijn van Nevada uit te voeren: Study for an End of the World, Nr. 2. (Nr. 1 was een destructiespektakel in Denemarken, een jaar eerder). Weer werden vuilnisbelten, auto- en fietskerkhoven en schroothandelaren afgestruind om allerhande schroot, wielen, een koelkast, een toiletpot, speelgoed, een bord met de afbeelding van een hoorn des overvloeds en een watertank in een karavaan van een stuk of zeven wagens met volgeladen laadbakken naar de plek van bestemming te brengen. Daar werd een reeks bouwsels en rijdende karretjes opgesteld, verbonden met elektriciteitsdraden die samenkwamen op een groot houten schot met schakelaars en stoppenkasten. Onderdelen kwamen in beweging, het één na het ander – rook, een ontploffing, meer ontploffingen, tot ten slotte ook de watertank explodeerde. Meteen na afloop begaf Tinguely zich naar de smeulende resten van zijn installatie, nieuwsgierig naar de effecten van de verwoesting.

Een laatste openbare vernietigingsperformance voerde hij jaren later uit voor de Dom van Milaan met La Vittoria (1970): een enorm goudkleurig bouwwerk in de vorm van een rechtopstaande penis met twee grote ballen, met vanbinnen een groot raderwerk dat een spektakel van rook en vuurwerk ejaculeerde tot het gevaarte na een reeks van explosies in brand vloog en alleen nog een ijzeren geraamte overbleef.

SAMENWERKING

Eind jaren vijftig werkte Tinguely samen met Yves Klein. In het Stedelijk zijn nu twee machines van Tinguely te zien, die monochroom beschilderde ronde schijven van Klein aandrijven (helaas niet meer in werking). Met andere jonge kunstenaars van de groep Nouveaux Réalistes zoals Arman en Daniel Spoerri werkte hij ook mee aan projecten van de ZERO-groep in Duitsland en daarbuiten. Samenwerking was een belangrijk element in de ontwikkeling van een nieuwe kunstpraktijk: uitwisseling van creatieve ideeën kan tot sterke resultaten leiden, en als groep kun je gemeenschappelijke opvattingen uitdragen. Enkele avontuurlijke museumdirecteuren maakten grote samenwerkingsprojecten binnen de museummuren mogelijk. Deze projecten zijn in meerdere zalen mooi gedocumenteerd.

Dylaby

De Stedelijk-tentoonstellingen (onder directeur Willem Sandberg) Bewogen Beweging (1961) en vooral Dylaby (1962) waren in hun presentaties opzienbarend en grensverleggend. Beide tentoonstellingen werden mede samengesteld door Spoerri en Tinguely, en bij beide werd ook het publiek actief betrokken. Twee zaaltjes in de huidige tentoonstelling zijn ingericht met documentatie hiervan, waaronder foto’s en filmfragmenten van Ed van der Elsken. In Dylaby (Dynamisch Labyrint) nam het publiek niet alleen actief deel door Tinguely’s machines te bedienen, maar ook door een doolhof van allerlei kamers te doorkruisen, voor een deel in het donker. Bezoekers liepen de ene na de andere verrassing tegen het lijf, als in een spookhuis. Zo was er een ‘gekantelde’ museumzaal van Spoerri, waarin het leek alsof je over een zijwand liep, van vloer naar plafond, tussen de ‘opgehangen’ schilderijen door, en kwam je verderop in een kamer vol ballonnen terecht die op een luchtstroom bewogen. Er was een zaal als schiettent ingericht met witgeschilderde objecten en figuren van Niki de Saint Phalle, een soort levensgrote prehistorische monsters, waarvoor zakjes met verf bewogen die je met een buks kapot kon schieten. Zo konden bezoekers bijdragen aan de inkleuring van het tafereel, of, zo je wilt, aan de totstandkoming van een kunstwerk. Verdere deelnemende kunstenaars aan Dylaby waren Robert Rauschenberg, Martial Raysse en Per Olof Ultvedt. Zij kregen de vrije hand (en zelfs de sleutel van het gebouw) voor de inrichting. Het materiaal voor hun werk vonden ze op schroothopen en op de vlooienmarkt van het Waterlooplein. Aan de foto’s en filmpjes te zien hadden zowel de kunstenaars als het publiek de grootste lol. Na afloop ging bijna alles weer naar de schroothoop, op enkele machines en objecten na. De avontuurlijke inrichting was tijdelijk.

tinguely-saint-phalle-dylaby-1962-foto-vd-elsken

HON

Tinguely wilde niet alleen af van traditionele kunstvormen, maar ook van traditionele tentoonstellingen, en zelfs van traditionele musea. Waarom zou het museum niet een interactieve presentatieplek kunnen zijn, een ‘cultuurstation’ geïnspireerd op de kermis? Een met Dylaby vergelijkbare tentoonstelling werd in 1966 ingericht in het Moderna Museet in Stockholm onder directeur Pontus Hultén door Tinguely, De Saint Phalle en Ultvedt: HON-en-katedral (‘ZIJ – een kathedraal’). Een gigantische, op haar rug liggende vrouwfiguur met gespreide benen en een grote bolle buik, ronde borsten en een klein hoofd, een kleurrijke ‘Nana’ van Niki de Saint Phalle, bood via de vagina toegang tot een pretpark met onder meer een planetarium, een glijbaan, een wand met ‘vervalste’ kunstwerken van Klee, Pollock en anderen, een milkbar, een flessenvernietiger (als Rotozaza nr. 2), een cinema waar een korte film met Greta Garbo draaide. Aan de buitenkant kon je via een trap een terras bovenop de buik bereiken. Dit filmpje geeft een mooie impressie van de opbouw en afbraak van dit tijdelijke pretpark:

Crocrodrome

Een ander tijdelijk ‘dynamisch labyrint’, Crocrodrome, werd gerealiseerd in de entreehal van het Centre Pompidou in Parijs, ter gelegenheid van de opening van het museum op 1 juni 1977. Participerende kunstenaars waren Tinguely, De Saint Phalle, Spoerri en hun Zwitserse collega Bernhard Luginbühl. Directeur van dit nieuwe museum werd Pontus Hultén. Ze bouwden een enorme soort draak waarvan de kaken langzaam op en neer bewogen, en binnenin kon je in wagentjes door een spookhuis geleid worden, je kon een rariteitenkabinet bezoeken, een ‘sentimenteel museum’, een gigantische flipperkast van roestig ijzer bespelen en in een ‘afwijkende winkel’ relikwieën, fetisjen en kunstobjecten kopen (de inkomsten daaruit werden gedoneerd aan o.a. Amnesty International). Eén van de achterpoten was bedekt met chocola. Tussen de poten van het monster had Tinguely ook zijn Ballet des pauvres geplaatst, de ‘dansende jurkjes’ die nu ook een zaaltje in het Stedelijk betoveren.

Tinguely, Ballet des pauvres, 1961

Le Cyclop

Tegenover het sTinguely, De Saint Phalle e.a., Le Cyclop, 1969-1994tarre, statische museum had Tinguely bewust zijn dynamische, steeds tijdelijke en vergankelijke ‘pretparken’ gesteld. Toch wilde hij ook een permanent dynamisch labyrint neerzetten. Uiteindelijk werd dat Le Cyclop, in 1969 ontworpen, een reusachtig hoofd met één oog, aan de buitenkant vormgegeven door een mozaiek van spiegels. Het bestaat uit drie verdiepingen met allerlei amusementsplekken, gebouwd in de bossen ten zuiden van Parijs, gefinancierd door Tinguely en De Saint Phalle. In 1971 werd met de bouw begonnen door hetzelfde team als voor Crocrodrome: Tinguely, De Saint Phalle, Spoerri, Luginbühl en enkele andere kunstenaars. Luginbühl bouwde een reuze-knikkerbaan en verwerkte ook zijn reuze-flipperkast uit de Crocrodrome ergens in het hoofd, De Saint Phalle maakte een waterglijbaan in de vorm van een tong, Spoerri weer een gekantelde kamer, en Tinguely een klein theater met een aantal van zijn werken. Op de bovenste verdieping staat ook een treinwagon geparkeerd. In 1987 werd Le Cyclop geschonken aan de Franse staat, waarna nog werken van bevriende, gelijkgestemde kunstenaars werden toegevoegd. In 1994 werd het door president Mitterrand geopend en door Niki de Saint Phalle voor voltooid verklaard (Tinguely was inmiddels overleden), en opengesteld voor het publiek, wat nog steeds het geval is (’s zomers).

Mengele-Totentanz

Niet alles wat Tinguely maakte was opgewekt amusement, al had zijn werk duidelijk een anti-kunst-karakter, dat de statische kunstwereld op een speelse manier op de hak nam. Het heeft ook ludiek-destructieve kanten, en naar het eind van zijn leven toe zelfs een sombere, naar de dood verwijzende teneur. Eind 1985 onderging hij na een zware hartaanval een gecompliceerde operatie, waarna hij zich bewuster met de dood en het thema van de traditionele dodendans bezighield. In augustus 1986 – nog herstellend van zijn operatie – was hij getuige van een enorme, verwoestende brand op een boerderij, waarbij ook veel dieren omkwamen. Veel restanten versleepte hij naar zijn atelier waar hij ze verwerkte tot de sinistere machinesculpturen die nu in de oude erezaal van het Stedelijk in een sublieme opstelling tentoongesteld staan, een soort altaarstuk dat hij Mengele-Totentanz noemde. De installatie is dramatisch belicht van onderaf, waardoor indrukwekkende schaduwen op de achterwand geprojecteerd worden. Elke zes minuten gaan de machines, waarin veel dierenschedels verwerkt zijn, in een eerbiedwaardig tempo ratelen, piepen, schuren en kreunen – wat mij betreft een oogverblindend en oorstrelend spektakel. Mengele is overigens de firmanaam van enkele in de brand verwoeste landbouwmachines – inderdaad familie van de beruchte Auschwitz-kamparts Josef Mengele, wat deze sculpturen een extra macabere lading geeft. Hulde voor het Stedelijk (en dan met name curator Margriet Schavemaker) en het Düsseldorfse Museum Kunstpalast, die de beeldengroep bij hoge uitzondering wisten los te krijgen van het Bazelse Tinguely Museum.

Tinguely, Mengele-Totentanz (Hoch-Altar), 1986

Deze tentoonstelling laat zien hoe Tinguely speelde met de concepten kunst, sculptuur, tentoonstelling, museum, kunst in de openbare ruimte, esthetiek. Een anti-esthetisch bouwsel, samengesteld uit aan elkaar gelaste stukken schroot, krijgt in zijn bewegingen een nieuwe vorm van esthetiek. Een museum was opeens niet meer alleen een contemplatieve plek voor esthetisch genoegen en geestelijke verheffing, maar kon ook een pretpark zijn. Machines zijn er niet alleen om nuttige dingen te produceren, maar ook om dingen zinloos te vernietigen of om doelbewust in de soep te lopen. De bezoeker hoeft niet alleen maar beschouwer op gepaste afstand te zijn, maar is bij Tinguely ook deelnemer. De vertrouwde rollen worden – in het verlengde van Duchamp – ter discussie gesteld. Maar misschien het belangrijkste: het spel. Het spelplezier van de kunstenaar, van het publiek, zowel van de ingewijde als van degene die niets van moderne kunst weet. En misschien ook wel het spelplezier van de machine zelf.

Tinguely, Le Cyclograveur, 1960

 

Literatuur, o.a.:
Tentoonstellingscatalogus TINGUELY, Stedelijk Museum Amsterdam, 2016 (i.s.m. Museum Kunstpalast, Düsseldorf).
Een prachtig boekje, gericht op kinderen: H.J.A. Hofland, Tinguely. Zichtbare muziek, Zwolle (Waanders), Rotterdam (Kunsthal), 2007.
Een mooie recensie is van Sacha Bronwasser, ‘Lachen om briljante spektakelmachines, nu het nog kan’, de Volkskrant, 13 oktober 2016.

De catalogus bij de tentoonstelling is prachtig vormgegeven, met veel documentatie en interessante essays (al zijn die niet allemaal even spannend of helder geschreven – zo wordt een boeiend onderwerp als de betekenis van het medium televisie voor het werk van Tinguely enigszins ontsierd door enkele passages in warrig ‘poststructuralistisch’ jargon).

Tentoonstelling en catalogus zijn samengesteld in samenwerking met Museum Kunstpalast in Düsseldorf (Jean Tinguely. Super Meta Maxi, 23 april t/m 14 augustus 2016).

De tentoonstelling is nog te zien t/m 5 maart.

Een goed en inzichtelijk filmpje van het Stedelijk Museum bij deze tentoonstelling:

en ook deze:
https://www.youtube.com/watch?v=bXrG5aghoFM
en:
https://www.youtube.com/watch?v=voc5ECLMUMA

Zie ook: Nutteloze machines 2: Jean Tinguely

Advertenties