Archief voor juni, 2017

Düsseldorf, 1979. Een stel kunstacademievrienden uit Groningen verkent de musea voor moderne kunst in het Roergebied. Op een van de avonden raken we verzeild in een hippe kroeg in de Düsseldorfse Altstadt. Bier en toffe muziek. Er staat een plaat op die onze gemoederen in een vrolijke vervoering brengt, een vervoering die ons niet loslaat. Aanstekelijke rock – we zitten midden in de new wave – met puntige, rockende drums, harde, kale, maar ongehoorde gitaarrifs, spaarzame orgeltonen en vreemde zangpartijen met prettig gestoorde vrouwenstemmen.

‘Wat is dit!’ vragen wij in ons beste Duits. ‘Das sind die Bee-zweiundfünfzig’, wordt ons wijsgemaakt. Genoteerd. Terug in Groningen is het eerste wat we allemaal doen: die plaat kopen, de eerste van The B-52’s.

kosmisch

Het openingsnummer ‘Planet Claire’ geeft de toon al aan – na een intro van ‘kosmische’ geluiden en morsepiepjes – met het rockende ‘Peter Gunn’-thema* en een bizarre tekst over een vrouw die van de planeet Claire komt, in een Plymouth Satellite die sneller gaat dan de lichtsnelheid. Planeet Claire heeft roze licht, rode bomen, niemand heeft er een hoofd en niemand gaat er dood. En dan: ‘Some say she’s from Mars, or one of the seven stars that shine after 3:30 in the morning – WELL SHE ISN’T!’

meisjes van de USA

Voor het volgende nummer, ’52 Girls’, zet de drummer een pakkend rock-‘n-rollthema in, gevolgd door een even rockende, rauwe gitaar. That’s it, drums en gitaar. Oké, en een tamboerijn. De melodie wordt verzorgd door de twee zangeressen die unisono 24 meisjesnamen zingen, luid declamerend haast, want kun je ze wel allemaal opnoemen? Dit zijn namelijk de meisjes van de U.S.A., de voornaamste meisjes van de U.S.A., die je op het strand of in New York City kunt vinden. De combinatie van de karige, maar raak ingevulde instrumentatie met de brutale, langgerekte zanglijnen heeft een vervreemdend én verfrissend effect.

Limburger

De meeste teksten zijn van de hand van zanger Fred Schneider, die niet kan zingen, maar des te beter luid en duidelijk zingzeggend declameert. Een mooi contrast met de zuivere zangstemmen van Cindy Wilson en Kate Pierson, zoals in het derde nummer, ‘Dance This Mess Around’. Dat begint weer met uiterst spaarzame tonen en ritme, waarna Cindy quasi-dramatisch ‘Remember… when you held my hand’ te berde brengt, om even later licht hysterisch ‘Why don’t you dance with me – I’m not no Limburger!’ uit te schreeuwen (‘Limburger’ is de naam van een stinkkaasje), totdat ze zich neerlegt bij de conclusie dat ze ‘just a Limburger’ is. Dan besluit zanger Fred de dame en zichzelf maar op te beuren door tot dansen op te roepen: ‘Dance this mess around!’, want ze doen alle zestien dansen, zoals de Shu-ga-loo, de Shy Tuna, de Camel Walk, de Hip-o-crit, de Coo-ca-choo, de Aqua-velva, de Dirty Dog en de Escalator. Zo, voel je je nu niet een stuk beter? ‘What you say?’ – ‘I’m just askin” – ‘YEAH YEAH YEAH YEAH YEAH YEAH YEAH YEAH YEAH YEAH YEAH YEAH YEAH YEAH YEAH YEAH YEAH!!!’ en dat vier keer, voor de zekerheid. Een climax waar je pas na een tijdje van bijkomt.

Tot nu toe rockt het album als de neten, vol komische noten die niet alleen uit de teksten klinken, maar ook uit de overdreven theatrale zang en het uitgekiende instrumentgebruik.

Rock Lobster

Over climaxen gesproken: er zijn weinig nummers die me zo van de wereld weten te brengen als nummer vier: ‘Rock Lobster’. Speels, komisch ook, zowel muzikaal als tekstueel. Het wordt aangezwengeld door een brutale gitaarriff van lage tonen, weer ondersteund door puntige drums, opgeleukt met speelse, ritmische orgeltonen. De melige tekst wordt door de zanger nadrukkelijk uitgesproken, terwijl de dames ter begeleiding kreten als ‘skidoobidup’, ‘eewl’ en ‘oowah’ zingen.

De opbouw van het nummer is sterk. De coupletten worden afgewisseld met een eigenzinnig muzikaal thema. Na drie coupletten klinkt een overgang van langzaam dalende tonen (orgel, zang en gitaar), waarbij de zanger ‘Down! Down!’ roept. Deze overgang is nog onschuldig, want de twee volgende coupletten (alleen in de albumversie) klinken als de vorige. Maar daarna is het menens, want dan keert hetzelfde ‘Down! Down!’-thema terug als échte overgang naar een knallend einde. De gitaar zet een andere toon in, de zangeressen gillen als dronken keukenmeiden, de drummer doet een break, de zanger schreeuwt ‘Let’s rock!’ en dan gaat de boel los met zware bastoetsen, felle ritmische gitaar, nóg swingender drums en een koebel. Ook de zanger gooit er ritme in.

En dan het krankzinnige slotcouplet waarin tot de verbeelding sprekende zeedieren langskomen – door de zangeressen geïllustreerd met weirde geluiden – tot de zanger ‘HERE COMES A BIKINI WHALE!’ schreeuwt, gevolgd door een ijselijke gil en een drumsalvo. Volkomen verpletterd laat je de laatste maten over je heen komen, waarin de muziek doorswingt, de zanger nog een paar keer geruststellend ‘Rock lobster’ zegt en Kate Pierson met haar hoge zangtonen voor een lichte cooling down zorgt. Hierbij de albumversie van ‘Rock Lobster’. Onderaan heb ik de songtekst toegevoegd.

‘Rock Lobster’ is als een cartoon. Tekst en zang zijn komisch, campy – absurde strand- en zeetaferelen trekken aan je geestesoog voorbij – ook de muziek is een campy soort rock-‘n-roll. Maar wel aanstekelijk en vreselijk dansbaar.

gitaar

Drummer Keith Strickland beperkt zich tot basic rockthema’s zonder opsmuk. Gitarist Ricky Wilson ook. De beats en aanslagen zijn doeltreffend en vormen de basis voor eigenzinnige toetsen, weirde zangpartijen en aanvullende percussie. Ricky Wilson ontwikkelt zijn unieke surfachtige sound door zijn gitaar voor verschillende nummers anders te stemmen, of door gewoon snaren weg te halen. Zo is de gitaar** voor ‘Rock Lobster’ en ‘Dance This Mess Around’ op dezelfde manier aangepast: de middelste snaren ontbreken en de overige vier zijn in CFxxFF gestemd (’52 Girls’ is gestemd in EADxBB).

outfit

Live maakt de band er ook een feestje van. De dames dragen suikerspinpruiken, ‘beehives’ of, zoals in dit geval, ‘B-52’s’ genoemd, naar de vorm van de neus van de B-52 bommenwerper. Hun vrolijk stemmende jaren-vijftig-/zestigkleding kopen ze bij tweedehands kledingzaken of ‘thrift stores’, kringloopwinkels. Dat bleek vaak goedkoper dan de wasserette: je haalt een partijtje kleren voor een week en brengt het daarna weer terug, om voor de volgende week weer een nieuwe lading uit te zoeken.

 

Athens

The B-52’s ontstaan in Athens, Georgia, als vrolijke noot tussen de overwegend pessimistische en zwartgallige new/no wave. Ze willen dansen en lol maken, zoals heel arty Athens, in tegenstelling tot New York. Voor hun eerste optreden in New York (Max’s Kansas City, februari 1978) durven ze nauwelijks hun kleedkamer uit te komen, zo beangstigend komt de band Teenage Jesus and the Jerks, waarvoor ze de openingsact zijn, op hen over. Het in zwarte leren jacks uitgedoste publiek lijkt het optreden van de ‘B’s’ te waarderen, al komen de voetjes niet van de vloer.

hit

In april 1978 brengen de B-52’s ‘Rock Lobster’ als hun eerste single uit, (met ’52 Girls’ als B-kant), die een hit wordt in het undergroundcircuit, op een bescheiden positie in de Amerikaanse billboard charts belandt, maar een nummer-1-hit bereikt in Canada, en nummer 3 in Australië. De albumversie heeft een trager tempo, is beter uitgewerkt en heeft twee coupletten extra (het vierde en vijfde). In de ‘officiële’ videoclip (naar de albumversie) ontbreken het eerste couplet en het vierde en vijfde. Maar die clip (hierboven, de eerste video) is dan wel weer schitterend.

Ook de tweede helft van het titelloze debuutalbum (juli 1979; producer: Chris Blackwell) is zeer genietbaar, met aan het eind een melige ‘aangeschoten’ versie van Petula Clark’s ‘Downtown’.

Hierbij het hele album.

vervolg

Het tweede album Wild Planet (1980) is ook sterk, aanstekelijk, dansbaar, met opnieuw fijne campy teksten, maar mist de rauwere rock van het eerste. Die rauwe rock is al deels vervangen door een discosound – de meer rockende tracks ‘Runnin’ Around’, ‘Private Idaho’, ‘Devil In My Car’ en ‘Strobe Light’ waren al klaar ten tijde van het eerste album, en speciaal bewaard voor de opvolger – en de productie klinkt gepolijster.

Met de derde plaat Mesopotamia (1982) – uitgebracht als EP, een haastklus onder druk van de platenmaatschappij en na muzikaal verschil van inzicht met producer David Byrne – verlaat de band het pad van de swingende rock geheel ten gunste van – wat mij betreft minder dansbare – elektronica. Het album ademt een zwoelere sfeer, de muziek is gelaagder, maar het ludieke en eigengereide van de beide eerste platen is er nog maar weinig. Een surfrockende gitaar is ver te zoeken, ook het zo kenmerkende call-and-response vocale samenspel ontbreekt grotendeels. Dat is er wel weer op de opvolger Whammy! (1983), dat een verdere ontwikkeling van de band in de elektronische dansmuziek laat horen – Keith Strickland heeft zijn drumkit nu helemaal terzijde geschoven.

Love Shack

Op 12 oktober 1985 – het volgende album is zo goed als af – overlijdt Ricky Wilson aan AIDS. Tot in het laatste stadium had hij zijn ziekte alleen aan Keith Strickland toevertrouwd, om zorgen en gedoe te vermijden. De band – compleet van slag, vooral zusje Cindy – treedt een jaar of twee niet op. Intussen verruilt Strickland zijn drums voor de gitaar. Fred Schneider en Ricky Wilson waren al openlijk gay, Keith Strickland komt jaren later uit de kast en ten slotte Kate Pierson nog veel later. Ook Fred Schneider blijkt HIV-geïnfecteerd te zijn, maar raakt niet ongeneeslijk ziek. De band zet zich in voor AIDS-fondsen. De B-52’s pakken de draad weer op en beleven met ‘Love Shack’ van het album Cosmic Thing (1989) hun grootste hit. Een aanstekelijk nummer, mét rockende gitaar en drums en speels vocaal spel. Terug naar de basis.

‘Rock Lobster’ lyrics

We were at a party
His earlobe fell in the deep
Someone reached in and grabbed it
It was a rock lobster

We were at the beach
Everybody had matching towels
Somebody went under a dock
And there they saw a rock
It wasn’t a rock
It was a rock lobster

Motion in the ocean
His air hose broke
Lots of trouble
Lots of bubble
He was in a jam
S’in a giant clam

Down, down

Underneath the waves
Mermaids wavin’
Wavin’ to mermen
Wavin’ sea fans
Sea horses sailin’
Dolphins wailin’

Red snappers snappin’
Clam shells clappin’
Mussels flexin’
Flippers flippin’

Down, down

Let’s rock!

Boy’s in bikinis
Girls in surfboards
Everybody’s rockin’
Everybody’s fruggin’
Twistin’ ‘round the fire
Havin’ fun
Bakin’ potatoes
Bakin’ in the sun

Put on your noseguard
Put on the Lifeguard
Pass the tanning butter

Here comes a stingray
There goes a manta-ray
In walked a jelly fish
There goes a dog-fish
Chased by a cat-fish
In flew a sea robin
Watch out for that piranha
There goes a narwhal
HERE COMES A BIKINI WHALE!

—–
* Henry Mancini, 1959, themanummer voor ‘Peter Gunn’, Amerikaanse televisieserie. Bekend in de versie met trompettist Ray Anthony en tenorsaxofonist Plas Johnson; ook bekend in versies met gitarist Duane Eddy en van Emerson Lake & Palmer.
** Ricky Wilson gebruikte meerdere gitaren, vooral live vanwege de verschillend gestemde nummers, maar standaard een blauwe Mosrite van begin jaren zeventig, bekend geworden door de surfrockband The Ventures.

Literatuur, o.a.:
Simon Reynolds, Rip It Up and Start Again. Postpunk 1978-1984 (London 2005), p.383-386