Humor in Haarlem

Geplaatst: 30 augustus 2017 in Uncategorized
Tags:, , , , , ,

Humor. 101 jaar lachen om kunst. Dit is de titel van de actuele zomertentoonstelling in De Hallen en het Frans Hals Museum in Haarlem. Je houdt je hart vast. Een tentoonstelling over humor? Lachen, gieren, brullen in het museum? Of flauwe grappen die tot vervelens toe worden uitgelegd? Gelukkig valt dat alleszins mee – de tentoonstelling is zeer geslaagd.

Ergens in De Hallen staat op de muur een uitspraak van Helena van der Kraan:

Grappig zijn, dat is wel het laatste wat we willen. […] Je kunt er wel om lachen, maar dat is, omdat je om alles in het leven eigenlijk kunt lachen.

accordeon

Van het kunstenaarsduo Axel en Helena van der Kraan zijn een paar werken in de tentoonstelling opgenomen. Eén ervan zie je al vanaf de straat: een uit hout gezaagde man, gezeten op een luidsprekerbox op wieltjes, lijkt de dubbele rijen knopen op zijn jasje en zijn harmonicavormige gesteven frontje te bespelen. Titel: Johnny Woodhouse (mechanische music-box), uit 1972. John Woodhouse was in die tijd een populaire Nederlandse accordeonist van smartlapachtige deuntjes. Om de paar minuten hoor je zijn accordeonmuziek uit de box en beweegt Johnny’s houten hoofd – met geforceerde glimlach – heen en weer, net zoals Woodhouse in het echt ook quasi-jolig zijn hoofd schudde. Ik vind het werk goed en grappig, en dat zullen de makers ongetwijfeld – ondanks bovengenoemde uitspraak – ook zo bedoeld hebben.

Overigens staat achter het beeld van Johnny Woodhouse een uitspraak van Marcel Duchamp te lezen:

Humor en gelach zijn mijn gereedschappen. Dit komt voort uit mijn algemene opvatting om de wereld nooit te serieus te nemen – uit angst om dood te gaan van verveling.

dada

Het eerdere citaat van Helena van der Kraan zou ook zomaar van een oorspronkelijke dadaïst kunnen zijn. De titel van de tentoonstelling ‘Humor. 101 jaar lachen om kunst’ (ondertitel: ‘De geest van dada in de Nederlandse kunst 1916-2017’) verwijst naar het ontstaan van DADA in 1916 in Zürich. Dada ging tekeer tegen de gevestigde orde, de bourgeoisie en de kunstwereld, en deed dat met ironie en humor. En de opkomst van dada is het moment waarop de curatoren van de tentoonstelling, conservator Antoon Erftemeijer samen met Renske Koster, de humor in de kunst hebben willen introduceren, althans: dada en het latere, ‘neo-dadaïstische’ fluxus als inspiratiebronnen voor latere kunstenaars, bijna uitsluitend uit Nederland.

Kunst is gewoonlijk een buitengewoon ernstige aangelegenheid. Zeker vóór dada, toen de ‘hoge’ kunsten duidelijk onderscheiden werden van volksvermaak (of van bijvoorbeeld satirische prenten en pamfletten of cartoons in kranten). Maar toch: ook in vroeger tijden brachten hooggewaardeerde oude meesters humor in hun werk (denk aan Jeroen Bosch, Brueghel, Frans Hals, Jan Steen, Goya, Daumier), al zijn dat uitzonderingen en is er vaak een moralistische boodschap in verwerkt.

Dada maakte korte metten met de hoogdravende ernst in de kunsten, want wat moet je daarmee als frontsoldaten bij bosjes sneuvelen en de brave burgerman doet of zijn neus bloedt. De wereld is in chaos, het westerse verstand failliet. Dan kun je je boos maken en vingers op zere plekken leggen, maar doe dat dan tenminste door als een nar met een schaterlach op die verdorven wereld te reageren, en zo de samenleving een spiegel voor te houden. En tegen die misplaatste ‘hoge’ kunst kun je in het geweer komen met satire en anti-academische kunst, zoals collages, fotomontages, assemblages en karikaturen. Met stekeligheid en humor. Lach om al die hoogdravendheid en vertrutting. Lach om de ernst van het leven, lach om de ernst van de kunst. Dat is wat de dadaïsten deden, en dat is ook wat veel kunstenaars daarna deden en nog steeds doen.

paard

Humor Haarlem Midas Zwaan 1

Bij binnenkomst in de zaal op de begane grond valt meteen, vlakbij Johnny Woodhouse, nog een sculptuur op: een grote assemblage van allerlei verschillende oude reiskoffers, opgerolde kleedjes, Chinese parasols, oude veldflesjes en andere attributen, rustend op vier paardenbenen. Achterop is een oude kentekenplaat gemonteerd, waar weer een lange paardenstaart achter bungelt; voorop een houten speeltje voor in een wieg. Uit het bovenste koffertje steekt een constellatie van blokfluiten, flesjes, poppenonderdelen e.d., zwart geschilderd en zo gemonteerd dat je die sterk met wapentuig associeert. Aan de voorpoten zijn speelgoed-cowboypistolen in holsters bevestigd, vlak boven de hoeven zitten kogelriempjes. Het is van Midas Zwaan en heet High Mighty (2008). Het werk is sterk van vorm en grappig – zie het ook als persiflage op oorlogsmachinerie. De ironie en absurditeit zou je dadaïstisch kunnen noemen. Maar er is nog een andere link met dada: het gebruik van gevonden voorwerpen.

De geest van DADA

Dan kom je al gauw bij Kurt Schwitters uit, bekend van zijn collages en assemblages van gevonden spul. Want afgezien van Johnny Woodhouse en High Mighty is de benedenzaal vooral gewijd aan oudere dada- en surrealisme-gerelateerde kunst (thema: ‘De geest van DADA’). In een als filmzaaltje ingerichte hoek kun je kijken naar een montage waarin foto’s van de hoofdrolspelers van de Hollandse ‘Dada-Veldtocht’ (1923) te zien zijn: Theo en Nelly van Doesburg (Theo van Doesburg was, begin jaren twintig, naast voorman van De Stijl ook enige tijd pleitbezorger van dada in Nederland, en publiceerde dadaïstische gedichten onder het pseudoniem I.K. Bonset), Kurt Schwitters en Vilmos Huszár. Van Huszár is in het filmpje zijn ‘mechanische dansfiguur’ in beweging te zien; een replica van de pop hangt ernaast aan de wand. Van Schwitters hoor je een fragment van zijn beroemde Ursonate, er zijn niesgeluiden te horen (Schwitters verstoorde de Haarlemse dada-avond vanuit het publiek met niesgeluiden), moderne pianomuziek uit die tijd, en: dezelfde accordeonmuziek als bij de mechanische Woodhouse-figuur. Geintje, leuke verbinding. Aan de andere kant van het ‘filmzaaltje’ is nog een filmprojectie: filmbeelden van de Eerste Wereldoorlog. Een goede toevoeging, want daarmee wordt een belangrijke historische context aangegeven waarin dada ontstaan is.

Van de jaren rond 1920 vormt een tekening van een wc van Paul Citroen (1919) een goed sanitair setje met een ets van Marcel Duchamp van zijn beruchte urinoir (1964; het urinoir Fountain zelf was van 1917). In vitrines ligt prachtig drukwerk uit de jaren twintig, bijvoorbeeld van H.N. Werkman, Kurt Schwitters en Theo van Doesburg. Later absurdistisch werk is er van Emiel van Moerkerken (geënsceneerde foto’s uit 1936-1938) en, centraal in de ruimte opgesteld, een in 1977 door J.H. Moesman beschilderd klavecimbel. De surrealistische taferelen op meerdere kanten van dit klavier, nog verluchtigd met trefzekere zinnetjes van de dichter Jan G. Elburg, werken niet meteen op de lachspieren, maar hebben in hun absurdisme wel iets komisch.

Cowboy Henk

Loop je de trap op naar de eerste verdieping, dan zie je een grote wandschildering van Frans Hals-achtige taferelen, waarin de blondgekuifde Cowboy Henk een paar keer een belangrijke gastrol opeist: als meesterschilder, als luitspeler en als geel, wormachtig wezen onder een guillotine, die de woorden ‘Frans Als Als Frans Hals’ geschreven heeft. Bij een van de statige zeventiende-eeuwse vrouwen steekt een Cowboy-Henk-kuif uit het kapsel. Ook zijn de namen ‘Henk Hals’ en ‘Cowboy Hals’ te lezen. Het is een werk van Kamagurka en Herr Seele, ter plekke geschilderd door Herr Seele. Van dit duo zijn meerdere cartoons her en der verspreid over de wanden te zien, telkens met hun typetje Cowboy Henk in de hoofdrol – leve Cowboy Henk!

Rondom Fluxus

De eerste verdieping heeft als thema ‘Rondom Fluxus’. Fluxus was een internationale, aan dada verwante kunststroming, rond 1960 ontstaan in de VS, en heeft ook een aantal Nederlandse kunstenaars geïnspireerd. Wim T. Schippers en Willem de Ridder waren medewerkers aan officiële ‘fluxus-events’. Optredens, liefst met deelname van het publiek. Fluxus streefde ernaar vooral buiten de musea amusement te bieden. Schippers wilde de saaiheid van het leven vieren en die met ‘waarachtige oninteressantie’ voor het voetlicht brengen. Dat gebeurde met performances, maar ook in video’s en stukken voor televisie. In De Hallen is Tulips (1966) te zien, een filmpje in de reeks ‘Sad Movies’, gemaakt in samenwerking met Willem de Ridder en Wim van der Linden.

Humor Haarlem Wim T Schippers Tulips 2

In een vaas op een doorsnee jaren-zestig dressoir staat een bos tulpen, breed uithangend. Dramatische muziek. Er gebeurt totaal niets, totdat er – dramatisch hoogtepunt! – opeens een bloemblaadje loslaat en op het dressoir valt, waarna weer niets gebeurt. Schippers’ televisiestuk Stemmen is hier ook te zien, over een huiskamerfeestje waar geanimeerde gesprekken gevoerd worden, die je gelijktijdig hoort, waar af en toe alleen enkele flarden van verstaan kunnen worden. Chaotische taferelen met een vallende kroonluchter, een temperamentvolle moderne pianist (Schippers zelf), een ontstemde pianostemmer en een instortende piano (zie mijn stukje hierover).

video

Rond 1970 waren veel beeldend kunstenaars met video bezig. Kunstenaars voor wie de uitvoering van een idee maatgevend was, en die daarvoor het medium kozen dat ze voor dat idee het meest geschikt vonden. Jan Dibbets, bekend van zijn conceptuele, vervreemdende fotowerken, filmde een haardvuur om permanent in een tv-toestel af te spelen (1968). Tegenwoordig is een brandend haardvuur in veel huizen een standaard televisiekanaal. Ger van Elk speelde vooral met beeldgrappen in grote en kleine (beschilderde) fotowerken waarin hij vaak zelf de hoofdrolspeler is. Van hem is een video te zien waarin een kleine cactus met een elektrisch scheerapparaat ‘geschoren’ wordt (The well shaven cactus, 1969).

Humor Haarlem v Elk cactus

Het idee is grappig, maar als kunstwerk inmiddels wat oubollig, want na een half minuutje weet je het wel – nu, in 2017. Vroeger keken we er ongetwijfeld anders tegenaan. Hetzelfde geldt voor videowerk van Marinus Boezem: Het beademen van de beeldbuis (1971), waarin de kunstenaar het tv-scherm van binnenuit lijkt te bewasemen, waardoor hij een tijdlang vaag in beeld verschijnt, tot de wasem is opgelost en Boezem weer scherp is. Een leuke vondst, maar ook alweer vrij snel gezien. Het fysieke bosje veertjes waartegen kunstenaar Servaas in een video vanuit zijn tv-monitor blaast (Pfft.., 1981), is goed gevonden, intrigerend en grappig, maar ook in dit geval is het kunstje al snel duidelijk. Toch: deze kunstenaars gebruikten het medium video om op een vindingrijke manier hun beeldende ideeën vorm te geven.

realisme

Overigens ligt de nadruk in deze tentoonstelling wel op tastbaar beeldend werk. Van Wim T. Schippers hangt op deze verdieping een groot vierkant ding aan de muur dat van een afstand een lyrisch-abstract schilderij zou kunnen zijn, alleen is het wel gemaakt van bewust onartistieke – banale – materialen: een veld van lichtgrijze zwabbers waartussen groengeverfde eieren lukraak gestrooid lijken te zijn – The Eggs (1966). Schippers is nogal consequent in zijn non-conformistische, tegendraadse methodes – behoorlijk dadaïstisch.

Op deze door fluxus en popart geïnspireerde afdeling wordt veel met de fysieke vorm van het medium zelf gespeeld. Zo haalde Woody van Amen een abstract-expressionistisch doek, waarin hij het Philips-beeldmerk heeft geschilderd, van onderen los van het spieraam om het over een strijkplank met (Philips) strijkbout te leggen (Philips, 1963-1970). Pieter Engels ging radicaler te werk door de ‘spielatten’ van een schilderij in vreemde hoeken te scharnieren, met slap hangend doek ertussen (Bad Constructed Canvas, Hommage à Engels, 1967), of door een stoel zo te verzagen en weer samen te voegen dat je er onmogelijk op kunt gaan zitten (Herstelde stoel, 1964). Zulke conceptuele kwinkslagen krijgen in De Hallen een terechte herwaardering.

Het gekozen werk uit deze periode speelt een spel met realistische verbeelding, en heeft vaak een optimistische inslag. Jan Verburg laat een man zo ontspannen liggen, dat die samenvalt met zijn stoel. Met een klein zetje kun je zijn armen relaxed heen en weer laten zwaaien (Ontspannen, c. 1974). In een ander werk van hem zit ook weer een man op een stoel; een onderbeen schommelt gemoedelijk over het andere been. Op de plek van zijn hoofd is een enorme peervormige ‘kijkkast’ gemonteerd, waarin je uitkijkt op … (ga het zien!) (Denkend aan gras, 1974).


Hans Citroen zette een trap in een sober Hollands landschap met een pot verf erop en ging op de trap staan om met een verfroller de lucht blauw te kleuren. Hij is bijna klaar: alleen de linkerbovenhoek is nog wit. Sterk. Deze foto (Het blauwen van de lucht, 1971) heeft het tot promotiebeeld van de tentoonstelling geschopt – hij siert het tentoonstellingsaffiche en de cover van de catalogus. Van Citroen is ook een bezem met drie stelen. Er hangt een bordje aan, tevens titel: Samen sterk, iedereen werk (1983). Titels kunnen een belangrijke toevoeging aan het werk geven. Beeld en titel kunnen bij elkaar tot een vervreemdend of komisch effect leiden – dada-kunstenaars als Marcel Duchamp, Francis Picabia en Max Ernst maakten er voor een deel een handelsmerk van.

Humor Haarlem Hans Citroen Blauwen vd lucht

Na Fluxus

De sfeervolle bovenverdieping van De Hallen laat recenter werk zien van ‘Na Fluxus’, of: ‘Hedendaagse kunst in de geest van dada’. Deze afdeling is wat mij betreft het leukst – de grappen zijn wat subtieler dan op de verdieping hieronder, het werk is gevarieerd in vorm en inhoud. Sterke fotomontages (Luuk Wilmering, Marlies Mulders) en een paar schitterende cartoons van Joost Swarte over Kurt Schwitters en Marcel Duchamp. Een extreem smalle piano met één toets van Jaap Kroneman. Een als schilderij opgespannen stuk koeienhuid van nul-veteraan Henk Peeters. Grote beeldgrapfoto’s van Teun Hocks. Een recent assemblage-reliëf van Wim T. Schippers. Een ironisch werk over bergbeklimmen met zwemvliezen en Caran d’Ache-kleurdozen van het trio Seymour Likely.

Humor Haarlem Boezem absent

Van Marinus Boezem is een stoel met een rond borduurraam waarin ‘Boez–’ geborduurd staat en een paar zwart-witte lakschoenen op de vloer: Boezem is ‘m snel gepeerd. Een mooie foto van een doodstil poollandschap met een somber ogende, op een houten trapje gezeten ijsbeer met een vrouwenbeen, van Scarlett Hooft Graafland.

En als klap op de vuurpijl The Dancing White Man van Leonard van Munster: een bewegende sculptuur van een man in pak die houterig staat te dansen op reggaemuziek – het is een hyperrealistisch portret van de kunstenaar zelf.

Prachtig kleiner werk staat in vitrines opgesteld, zoals een uit nijptangen en een waterpomptang opgebouwd figuurtje van Papa Adama, of een hamer met een rij spijkers in de steel van Eelco Veenman, een object dat ook doet denken aan het Cadeau uit 1921 van Man Ray: een strijkbout met een rij spijkertjes op het strijkvlak – hiervan is ook een officiële, door Man Ray gesigneerde replica in de tentoonstelling aanwezig (collectie Museum Dr8888).

Frans Hals Museum

Een deel van deze tentoonstelling heeft een plaats gekregen in het Frans Hals Museum, op nog geen tien minuten loopafstand van De Hallen (beide musea vormen bestuurlijk een eenheid). In twee zalen en een aansluitende gang staan hedendaagse kunstwerken opgesteld die op een of andere manier commentaar geven op gevestigde kunst.

Zo is Rob Scholte’s Utopia hier te zien, een ledenpop-parafrase van de Olympia van Manet (1863), die zelf Titiaan’s Venus (1538) weer als voorbeeld had genomen. Zelfportretten van Rembrandt zijn het uitgangspunt voor pastiches door Pieter Engels en C. Wertheim. Het bekende Huilende jongetje is door Hans Citroen tot een Lachend jongetje omgetoverd. Peter Pontiac maakte een eigentijdse cartoonachtige versie van het schilderij De kindermoord van Cornelis van Haarlem (1591). Jan Verburg parafraseerde Marcel Duchamp’s Trap aflopende naakt (1912) in een sculptuur die een trap oplopend naakt verbeeldt, tegelijkertijd verwijzend naar Umberto Boccioni’s futuristische sculptuur Unieke vormen van continuïteit in de ruimte (1913).

En van Reinier Lucassen zijn twee prachtige absurdistische assemblages te zien rond kleine klassieke of religieuze beeldjes. Mickey Mouse en Donald Duck zijn door het in Berlijn gevestigde, multidisciplinaire gezelschap Interduck uitgebeeld in de ‘ingepakte’ stijl van Christo of in de geometrische rood-geel-blauwe vormpjes van De Stijl-schilder Bart van der Leck. Kamagurka en Herr Seele parafraseerden beroemde werken uit het Louvre. En Leo Copers laat een kleine kopie van De Denker van Rodin ondersteboven, op zijn hoofd, rondtollen. Zo. De Haarlemse Humortentoonstelling is goed voor je gemoed.

catalogus

De bescheiden ogende catalogus is prachtig, met goede afbeeldingen en uitstekende, degelijke en informatieve artikelen over de geest van dada en fluxus in deze tentoonstelling, door de curatoren Antoon Erftemeijer en Renske Koster. Voor de tentoonstelling betaal je een toeslag van € 2,50 voor beide musea samen; de catalogus krijg je erbij, bovendien kun je een kwartetspel met 32 afbeeldingen van geëxposeerde kunstwerken verzamelen.

Humor. 101 jaar lachen om kunst. De geest van dada in de Nederlandse kunst 1916-2017.

Nog te zien t/m 10 september.

Museum De Hallen, Grote Markt 16, Haarlem
Frans Hals Museum, Groot Heiligland 62, Haarlem

Facebookpagina De Hallen

 

Advertenties
reacties
  1. Annelie Musters schreef:

    Mooie beschouwing Ariel! Groeten, Annelie

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s