Post Tagged ‘Afrikaanse sculptuur’


Loop het CBK in Amsterdam-Oost binnen en laat je verwonderen door ritmische geluiden en ronddraaiende assemblages in bizarre bouwsels van de meest diverse voorwerpen. Gevonden dingen zonder waarde, die in een nieuwe samenhang opeens nieuwe waarden krijgen.

ontroerwoud-1

verzameling

Alles kan door kunstenaar Wim Vonk ingezet worden als onderdeel van het werk. Van plastic dopjes tot oude ramen, van roestige ijzerwaren tot kleurig speelgoed, van gammele kastjes tot een landschap van lipsticks, van oude apparaten tot allerlei lampjes, van een hoog opgehangen verzameling cd’tjes tot een antiek driewielertje met een soort roze Kermit de Kikker erop, je kunt het zo gek niet bedenken. En zelfgefabriceerde tekenmachientjes, eigen tekenwerk, en kunstwerken van anderen. En: Afrikaanse beelden, heel veel. Hierover straks meer.

Wim Vonk verzamelt al meer dan dertig jaar afgedankte spullen om daarmee ruimtelijke bouwsels te maken. Met de vondst van draaischijven werden beweging en geluid wezenlijke elementen van die bouwsels. Tussen de ritmische tikken en bonken door hoor je ook ‘echte’ oerwoudgeluiden van tropische vogels – een geintje.

ontroerwoud-3

kwinkslagen

Het ziet er allemaal zo vanzelfsprekend uit. Alsof al die vreemde constellaties zomaar uit willekeurig bij elkaar geraapte voorwerpen zijn samengesteld. Dat is niet zo – alle objecten worden weloverwogen met elkaar verbonden, al is het maar om de stabiliteit te bewaren – maar het is wel mooi dat het allemaal zo vanzelfsprekend oogt, daardoor kun je er prettig onbevangen langs banjeren. En je verwonderen over die ongelooflijke, bonte gekkigheid die je blik voortdurend blijft vasthouden. De meest uiteenlopende dingen worden op een speelse manier met elkaar gecombineerd tot verrassende, vrolijk stemmende kwinkslagen. Elk voorwerp vormt een geheel met andere voorwerpen, en tegelijkertijd vraagt elk afzonderlijk ding weer om aandacht tussen al die andere vreemdsoortige objecten. Je komt ogen en oren tekort.

ontroerwoud-2

dada

Als dat niet wat met dada te maken heeft. Want ook de dadaïsten, van honderd jaar geleden, vonden met hun verzet tegen de gevestigde orde, en dus ook tegen de gevestigde kunstorde, dat je met ordinair voorhanden materiaal kunst moest kunnen maken. Foto’s uit tijdschriften voor fotomontages, of allerlei voorwerpen voor assemblages – het materiaal dient zich op een gegeven moment vanzelf aan. De Berlijnse dadaïsten gaven aan die beeldcombinaties nieuwe inhoudelijke betekenissen, vaak met een politieke lading. Kurt Schwitters, uit Hannover, was ook zo’n verzamelaar. Die vond ook dingen op straat, of bij anderen thuis (soms nam hij ongevraagd dingen mee), die hij in zijn werk gebruikte. Niet politiek geladen, wel ten dienste van een nieuw beeld. Hij noemde zijn werk ‘merz’ in plaats van dada – hij werd immers niet dada genoeg bevonden voor de Berlijnse Club Dada.

schwitters-merzbau-3

Wim Vonk doet ongeveer hetzelfde. Dingen uit zijn verzameling uitzoeken en tot onwaarschijnlijke nieuwe beelden transformeren. En dan ook nog eens heel groot en heel veel. Iets wat Kurt Schwitters ook deed in zijn ‘Merzbau’. Zijn hele huis in Hannover, inclusief kamers van zijn ouders en het balkon, viel ten prooi aan zijn assemblages van voorwerpen die op zichzelf al een historie hadden, om ze daarna achter houten panelen in te bouwen, een soort hokjes, of grotten meer, die hij ook weer dichtsausde met een laagje gips. Dat bouwwerk groeide en groeide, door het plafond heen naar de bovenverdieping, alle kanten op. Helaas heeft dat grottenhuis in Hannover de Tweede Wereldoorlog niet overleefd, maar foto’s daarvan zijn wel bewaard gebleven.

Maar Wim Vonk stopt niks weg achter schotten, alles is juist open en bloot zodat het speelse karakter van al dat spul je continu kan verbazen.

ontroerwoud-4

Afrika

En dan die Afrikaanse beelden en maskers, wat doen die in dat werk, horen ze erbij en waar komen ze vandaan? Die komen bij Klaas de Jonge vandaan. Klaas de Jonge ja, die antropoloog en anti-apartheidsactivist die midden jaren ‘80 twee jaar in Zuid-Afrika vastzat voor wapensmokkel voor het ANC – lang verhaal met diplomatieke complicaties, maar waar het in dit verband om gaat: De Jonge ging Afrikaanse beelden en maskers verzamelen, en dat werden er heel veel. Die verzameling wilde hij ergens onderbrengen en dat kon mooi in de werkplaats van het kunstenaarsechtpaar Wim Vonk en Marja van Putten. En Vonk mocht ze gebruiken in zijn werk. Die Afrikaanse beelden zijn namelijk geen kunstwerken met een ongenaakbaar aura. Ze moeten ook niet met een westerse kunstblik bekeken worden, want die bedoeling hebben ze helemaal niet. Het zijn meer functionele objecten die gebruikt worden bij rituelen en ceremonies, zoals bij initiatieriten. Ze horen bij het leven en helpen je bij de verdieping van kennis.

ontroerwoud-7

leven

Wim Vonk – dada – Afrika: hiertussen liggen interessante connecties. Tussen dada en Afrika: zie mijn vorige stukje. Tussen Afrika en Wim Vonk: die Afrikaanse beelden horen niet bij de zogenaamde hogere kunst, juist vanwege hun ceremoniële en rituele functies. En omdat ze niet bij die hogere kunst horen, passen ze zo goed in het werk van Vonk. Omdat hij werkt met dingen die ooit functioneel waren, objecten met een afgedankte functionaliteit. Dingen van de straat, van het afval, uit het gewone leven. Die Afrikaanse beelden hebben ook met het gewone leven te maken, en ook de dadaïsten verzetten zich tegen de hogere kunst, ook zij wilden het leven in hun werk betrekken. Het spontane leven, met gebruikmaking van het toeval. Toevallige vondsten, spontane invallen.

En dat is wat Vonk’s werk zo sterk maakt: gebruikmaken van wat bij het leven hoort. Elk afgedankt voorwerp heeft zijn geschiedenis, en wordt weer gecombineerd met andere dingen met hun geschiedenis. Een Afrikaans beeld kan zomaar een lepel onder zijn arm krijgen, of een rood fietslichtje, maar evengoed wel met respect. Elk ding staat ten dienste van het geheel, ten dienste van een gevoelige balans, zou je kunnen zeggen.

ontroerwoud-6

vrijheid

Bij Wim Vonk zijn kunst en leven met elkaar verweven, in een grote mate van vrijheid, een vrijheid die ook kenmerkend is voor zijn uiteenlopende tekeningen. En daardoor kunnen al die speelse, opzienbarende en komische assemblages op een logische manier ontstaan, in een poëtisch spel van materialen, vormen, kleuren, licht en schaduw, beweging en geluiden. Alles is verrassend, van kleine details tot grotere constellaties tot en met de hele installatie. En dat Ontroerwoud blijft verrassen, want het is nooit af. Vonk blijft eraan bouwen, toevoegen, veranderen, maar neemt ook werk van anderen op in zijn installatie, wat het helemaal tot een gesamtkunstwerk maakt. Zo was er meteen al een groot werk van Marja van Putten opgenomen, de ‘Flags of the World’. Verder onder andere schilderijtjes van Armando, JCJ Vanderheyden en werk van meer kunstenaars.

ontroerwoud-10-rauher-engel-flags-of-the-world

programma

En het blijft niet bij een tentoonstelling, er is een heel programma van optredens met muziek, verhalen, voordrachten en performances, vaak in een directe reactie op het werk. Zo was er op de opening een danseres op stelten met accordeon, die zich tussen het werk door bewoog, in een speelse wisselwerking met een op kleine stokken ‘kruipende’ danser; een stichtelijke en dansende dada-bisschop; verder zijn er meer dansers geweest, was er ingetogen maar ook galmende muziek, een performance op een met felgekleurde plastic manden en tassen behangen fiets, en de voordracht van een hilarisch, inmiddels achttien minuten durend groeigedicht – zie de website voor meer informatie over de acts en de performers.

De tentoonstelling is alleen deze week nog te zien, met a.s. zaterdag 22 oktober de laatste act: een sound performance van Isidoor Wens. Mis het niet, grijp je kans!

Organisatie van deze tentoonstelling: Polderlicht (John Prop & Loes Diephuis) i.s.m. CBK Amsterdam.
Bekijk dit prachtige filmpje van Polderlicht/John Prop: https://vimeo.com/182135000

 

De gebruikte foto’s zijn van Ontroerwoud, Marja van Putten, waarvoor dank. Meer foto’s: Ontroerwoud

websites:
Ontroerwoud
Polderlicht
CBK Amsterdam
Wim Vonk
Marja van Putten
facebook: Ontroerwoud

CBK Amsterdam, Oranje-Vrijstaatkade 71, 1093 KS Amsterdam
Open van woensdag t/m zaterdag 11.00-17.00 uur, donderdag 11.00-20.00 uur

Advertenties

Over dada en Afrika. Wat hadden de dadaïsten met niet-westerse culturen?

Zürich

In Zürich gebeurt het, honderd jaar DADA. Tentoonstellingen en festiviteiten, er is sinds ruim tien jaar zelfs weer een café Cabaret Voltaire – met artistieke optredens – op de plek van het oude Cabaret Voltaire. Dus op naar Zwitserland, op naar Zürich. Inmiddels alweer een paar maanden geleden. We zouden het meemaken.

Juist in het keurige, aangeharkte Zwitserland, met in elk plaatsje wel een Hotel Adler en een Gasthof Bären, ontstond het opstandige, ludieke en ontregelende dada. Want alles wat de Eerste Wereldoorlog wilde ontlopen trok naar het neutrale Zwitserland. En in Zürich gebeurde het. Stad van cultuur en een bruisend uitgaansleven. Kunstenaars, schrijvers en allerhande artiesten uit de omringende landen ontmoetten elkaar daar. Het Duitse stel Hugo Ball en Emmy Hennings richtte een podium op voor artistiek amusement. Dat werd het Cabaret Voltaire, waar een groepje internationale kunstenaars en schrijvers voordrachten hield en liederen zong, wat geleidelijk aan uitgroeide tot complete gekte. Dada. Omlijst door moderne kunst en moderne muziek. Met een nadruk op modern, want zo lagen de ambities – er was toen nog geen sprake van anti-kunst en anti-muziek.

En omdat het daar honderd jaar geleden gebeurde, meenden een paar Zwitserse cultuurpromotors dat 2016 een groots dadajaar moest worden. In Zürich. Tentoonstellingen, een programma met optredens, soirees en symposia. Een volle agenda. Welnu, het programma ziet er aantrekkelijk uit, alles in het bereik van moderne cultuur, liefst experimenteel of met een gekke twist. Maar – het is wel Zwitserland – alles in het nette, geen shockwerking te verwachten. Dat geeft ook niet, de moderne cultuurliefhebber komt ruimschoots aan zijn trekken, en dat is natuurlijk de bedoeling.

Zürich, Münsterhof, Zunfthaus zur Waag -juni-2016

Zo hadden we ons aangemeld voor een heuse dada-soiree in het oude cultuurbolwerk Zunfthaus zur Waag, waar de dadaïsten vlak na het einde van Cabaret Voltaire, zomer 1916, nog huishielden met een daverend spektakel. Nou, we zouden het weer beleven. Langzaam druppelde een keurig gesoigneerd 65+ publiek een bovenzaaltje binnen, een publiek dat zich liet onderhouden door een bejaarde literatuurprofessor die over de geschiedenis van dadaïstische gedichten vertelde, waarbij een bijna bejaarde acteur telkens een passend gedicht voordroeg. De gedichten waren op zich goed, of leuk, en grotendeels bekend, de voordracht was professioneel te noemen. Maar wat een suffe boel zeg. Uitleg – voordracht – uitleg – voordracht… een volkomen logische en verrassingsloze opbouw. Dat bedoel ik: alles in het nette en stoffige, totaal ondada.

We waren er begin juni, dus er was al een en ander voorbij, jammer, je mist meer dan je meemaakt*, maar er was nog altijd veel te zien en ook wel wat mee te maken. Zo was er in het Kunsthaus een groots en indrukwekkend Picabia-retrospectief te zien, zeer de moeite waard, wat zeg ik, een must, al zijn topwerken uit alle perioden waren er. Voor mij een zeer gemoedopwekkende show, waar ook nog eens de ultieme dadafilm Entr’Acte (1924, van René Clair, script van Picabia) doorlopend op een tentoonstellingswand geprojecteerd werd. Inmiddels voorbij, maar vanaf 21 november tot 19 maart in het MoMA in New York.

dada Afrika

dada-afrika-catalogus-coverMaar wat boven alle verwachtingen uitpakte, was de tentoonstelling Dada Afrika. Inmiddels van het Zürichse Museum Rietberg verhuisd naar de Berlinische Galerie in Berlijn. Schitterend. De verbanden tussen dada en Afrikaanse, Oceanische en indiaanse culturen worden op een sterke manier uitgelicht. De bijbehorende catalogus put zich uit in uitstekende essays over alle mogelijke historische wetenswaardigheden en verbanden. Met prachtige reproducties.

Bij binnenkomst zie je al meteen twee hoogtepunten uit de Berlijnse Dada-Messe van zomer 1920: de aan het plafond zwevende soldaat met varkensmasker, en die paspop met gloeilamp als hoofd en allerlei vreemde attributen. Reconstructies, uiteraard. Nu vraag je je misschien af: wat hebben die met Afrika te maken? Tja, dat weet ik ook even niet, maar het is wel een leuke binnenkomer. Op dada Berlijn kom ik zo nog even terug.

dada-afrika-preussischer-erzengel-spiesser-heartfield

dada-messe-foto-opening

dada-afrika-aanblik

primitief

De dadaïsten in Zürich waren wel bezig met die ‘primitieve’ culturen. Dat waren de kubisten en de Duitse expressionisten ook, maar dan vanuit een heel andere invalshoek. Kubisten als Picasso zagen vooral een totaal nieuw soort vormgeving, andere manieren om mensen uit te beelden, vormen die goed van pas kwamen in de ontwikkeling van de kubistische beeldtaal. De expressionisten, vooral die van de kunstenaarsgroep Brücke uit Dresden, lieten zich door die andere culturen inspireren voor hun expressiviteit. Maar de dadaïsten zagen in die ‘primitieve’ cultuuruitingen vooral een puurheid die in de moderne westerse samenleving steeds meer ontbrak.

dada afrika mannelijke figuur, Ivoorkustdada-afrika-masker-ivoorkust

Hoe kwamen al die moderne kunstenaars er opeens bij om zich door exotische beelden te laten inspireren? Nou, je hoefde er niet heel erg je best voor te doen om ze tegen te komen: musea voor volkenkunde waren vanaf eind 19e eeuw als paddestoelen uit de grond geschoten, galeristen specialiseerden zich in Afrikaanse kunst, ook kunstenaars zelf gingen verzamelen. Vooral de musea hadden ze in grote aantallen in huis gehaald, voor weinig geld trouwens – veel van die objecten zijn als roofgoed uit de koloniën te beschouwen.

beschaving

Hugo Ball, Cabaret Voltaire, 23 juni 1916De westerse beschaving liet zich ten tijde van de Eerste Wereldoorlog van zijn meest asociale en naargeestige kanten zien. De industrialisatie had in sneltreinvaart voor technologische vernieuwingen gezorgd, die aan de ene kant wel steeds meer gemak brachten (transport, machines, warenhuizen met liften en roltrappen), maar aan de andere kant ook tot de miljoenenslachtingen van de Eerste Wereldoorlog én tot een groeiende sociale ongelijkheid leidden.

De ‘beschaafde’ westerse taal was verdorven geworden: de taal van de oorlogvoering, van de propaganda, van de kapitalistische misleiding. Hugo Ball wilde van die westerse taal af. Hij bedacht nieuwe gedichten, ‘gedichten zonder woorden’, of ‘klankgedichten’. Gedichten die bestaan uit fantasiewoorden, die hij associeerde met ‘pure’ beschavingen. Een bekend voorbeeld is zijn ‘Gadji Beri Bimba’ dat hij in Cabaret Voltaire in kartonnen kostuum voordroeg (zie Cabaret Voltaire & Talking Heads).

Niet alleen beelden, maar ook teksten uit Afrika en Oceanië werden gebruikt in de zoektocht van de dadaïsten naar het pure, het irrationele, naar een oergevoel dat tegenover de westerse ratio geplaatst kon worden. Tristan Tzara diepte liederen van de Maori’s uit Nieuw Zeeland op. 

Richard Huelsenbeck droeg ‘negergedichten’ voor, of doorspekte zijn irrationele verzen met gefantaseerde ‘negerwoorden’ (zonder zich te bekommeren om enige authenticiteit), onder begeleiding van een grote trom. ‘Oemba oemba!’ – bam bam bam! Hugo Ball schreef een week na de opening van Cabaret Voltaire in zijn dagboek:

Hülsenbeck is aangekomen. Hij pleit ervoor dat men het ritme versterkt (het negerritme). Hij zou het liefst de literatuur de grond in trommelen. (Hugo Ball, Die Flucht aus der Zeit, 11 februari 1916)

Die gedeclameerde onzinwoorden choqueerden het publiek. George Grosz maakte in Berlijn podia onveilig met zijn ‘niggersongs’, terwijl hij ‘negerdansen’ danste, al of niet met zwart geschminkt gezicht onder een strohoed.

maskers

In het Zürichse Cabaret Voltaire werd ook gedanst. Ball omschrijft hoe de dadaïsten op het podium met de groteske maskers van Marcel Janco en in hun zelfgemaakte kostuums, omhangen met de vreemdste attributen, tijdens de uitvoering van hun dansen de rationele controle over hun bewegingen verloren.

Toen gebeurde er iets bijzonders. Het masker verlangde niet alleen een kostuum, maar eiste ook heel bepaalde pathetische, aan waanzin grenzende gebaren. Zonder er vijf minuten eerder ook maar enig vermoeden van gehad te hebben, bewogen wij ons in de vreemdste patronen, gedrapeerd en omhangen met onmogelijke voorwerpen, terwijl we elkaar in vindingrijkheid overboden. De bewegingskracht van deze maskers openbaarde zich aan ons in een verrassende onweerstaanbaarheid. […] De maskers verlangden eenvoudigweg dat hun dragers zich in een tragisch-absurde dans in beweging zetten.

En ten slotte:

Wat ons allen aan de maskers fascineert is dat ze geen menselijke, maar méér dan levensgrote karakters en passies belichamen. Het gruwelijke van deze tijd, de verlammende achtergrond van de dingen is zichtbaar gemaakt. (Ball, Die Flucht aus der Zeit, 24 mei 1916)

janco-masker-1919-dada-afrika

Marcel Janco, masker, 1919

dada-afrika-masker-zwitserland

Carnavalsmasker Lötschental Zwitserland, 1e helft 20e eeuw

 

janco-marcel-1916-cabaret-voltaire

Janco’s oorspronkelijke maskers die op het podium van Cabaret Voltaire werden gebruikt, zijn vermoedelijk alle verloren gegaan. Het is dus niet zeker of de maskers die hij een paar jaar later maakte er hetzelfde uitzagen, maar de kans is redelijk groot. Ze waren gemaakt van destijds onartistieke materialen als karton, gips, jute, hout, stukjes touw en ander voorhanden materiaal, niet alleen geïnspireerd op Afrikaanse en Oceanische maskers, maar ook op traditionele (carnavals-) maskers uit Roemenië en Zwitserland. Op de bezoekers moeten ze een afschrikwekkende uitwerking hebben gehad, wat natuurlijk helemaal in overeenstemming was met de steeds meer provocerende en irrationele optredens van Cabaret Voltaire.

Hausmann & Schwitters

De Berlijnse dadaïsten hadden niet zo duidelijk de Afrika-connectie. Voor een deel bewust, om zich af te zetten tegen hun voormalige expressionistenvrienden, die soms Afrikaanse beelden in hun ateliers neergezet hadden. Zo was Raoul Hausmann bekend met zulke beelden, die ook hem in zijn expressionistische tijd geïnspireerd hadden. Maar als dadaïst was hij daar klaar mee. Zijn aandacht ging dan ook meer uit naar klankgedichten met fantasiewoorden. Op een gegeven moment maakte hij daarvoor letteraffiches, of affichegedichten. Geen woorden meer, alleen maar letters. Letters die, als klank uitgesproken, net als verzonnen woorden zouden kunnen verwijzen naar een soort gemeenschappelijke oertaal van de mens. Die klankgedichten noemde Hausmann ‘optofonetisch’, dus om te zien en te horen tegelijk. En die werden weer opgepikt door de Hannoveriaanse ‘Merz-dadaïst’ Kurt Schwitters.

Raoul Hausmann, fmsbwtözäu, poster poem, 1918

hausmann-offea

Tijdens een gezamenlijke reeks optredens in 1921 met Raoul Hausmann en Hannah Höch in Praag oefende Schwitters op de voordracht van die letteraffiches van Hausmann, wat de aanzet vormde voor zijn Ursonate (‘oersonate’), kijk maar:

schwitters-ursonate-einleitung

Hannah Höch

Hannah Höch maakte vanaf 1919, net als haar Berlijnse collega-dadaïsten, fotomontages. Midden jaren twintig begon zij met het verwerken van etnografische afbeeldingen, op een esthetische manier, dus anders dan haar wildere werk uit de dadatijd. Ze gebruikte daarvoor plaatjes uit tijdschriften (Der Querschnitt en Berliner Illustrirte Zeitung), waarover ze zomaar kon beschikken vanwege haar tekenwerk voor een uitgeverij. Al in haar dadaïstische montages combineerde Höch verschillende fragmenten van gezichten en mensfiguren tot nieuwe gezichten en figuren, die door de vreemde verhoudingen (bv. door een overdreven groot oog) een karikaturaal karakter kregen. Voor haar serie Aus einem ethnographischen Museum (1924-1930) combineerde ze westerse en niet-westerse beeldfragmenten zorgvuldig tot nieuwe groteske eenheden. De vervreemding is groot, maar wordt al snel weer tegengegaan door de esthetische, harmoniserende beeldopbouw. Van Hannah Höch is veel prachtig werk op de tentoonstelling te zien.

Dada en Afrika: de westerse beschaving kent zijn keerzijden – de dadaïsten maakten dat al snel duidelijk.

Hannah Höch, Schnitt, 1919

 

hannah höch-aus-einem-ethnographischen-museum-8-1924-1928

hannah höch-aus-einem-ethnographischen-museum-3-1930

 

hannah höch-aus-einem-ethnographischen-museum-1-1929

 

Bronnen, o.a.:

Dada Afrika. Dialog mit dem Fremden (ed. Ralf Burmeister, Michaela Oberhofer, Esther Tisa Francini). Catalogus tentoonstelling Museum Rietberg, Zürich en Berlinische Galerie, Berlijn (Scheidegger & Spiess), 2016
Hugo Ball, Die Flucht aus der Zeit. München, Leipzig, 1927
Raoul Hausmann, Am Anfang war Dada. Giessen (Anabas), 1992

De tentoonstelling dada Afrika is nog te zien tot 7 november 2016 in de Berlinische Galerie in Berlijn

* Martin Bril