Post Tagged ‘dada’

Het dadaïstische momentum in Parijs vond tijdens de eerste maanden van 1920 plaats. Tristan Tzara belde half januari van dat jaar – net in Parijs aangekomen vanuit Zürich – aan bij de woning van Francis Picabia’s maîtresse Germaine Everling, die twee weken eerder een kind van hem gebaard had. Op de komst van Tzara werd met smart gewacht door een groep avant-gardistische schrijvers, die al enkele jaren met hem communiceerden. In werkelijkheid bleek Tzara een stuk minder indrukwekkend over te komen dan zijn schreeuwerig-ironische epistels en manifesten hadden doen vermoeden – een bleke jongeman, klein van stuk, die zich in een krukkig Frans verstaanbaar probeerde te maken – maar van de introductie van dada in Parijs hadden ze hoge verwachtingen.

André Breton, Louis Aragon en Philippe Soupault, de oprichters van het ‘anti-literaire’ tijdschrift Littérature, wilden hun poëtische uitingen voor een levend publiek brengen. De opzet was een tweewekelijkse matinee met voordrachten, presentatie van beeldende kunst én muziek waarvoor Les Six gevraagd was, een groep van zes moderne componisten (Georges Auric, Louis Durey, Arthur Honegger, Darius Milhaud, Francis Poulenc, Germaine Tailleferre), aanvankelijk onder de hoede van Erik Satie. Les Six zetten zich vooral af tegen componisten als Wagner, Debussy en Ravel. De Littérature-middagen waren modern van opzet met een rebels randje, maar nog niet dadaïstisch. De geplande matinees zouden de naam ‘Vendredi de Littérature’ krijgen.

De eerste matinee op 23 januari 1920, de ‘Premier Vendredi de Littérature’, verliep boven verwachting anders. Tzara werd gevraagd mee te doen, daarmee zou dada aan zijn opmars in Parijs beginnen. In de loop van de middag werd Tzara aan een verwachtingsvol publiek voorgesteld. Hij bewoog zich overdreven traag – voetje voor voetje – over het podium terwijl hij meteen al zijn recept voor een dadaïstisch gedicht toepaste: hij haalde uit zijn zak een redevoering van een extreemrechts, nationalistisch politicus; die tekst knipte hij in stukjes die hij in een hoed stopte, waarna hij ze één voor één in een nieuwe toevallige volgorde voordroeg. Een oefening in geduld, voor het publiek. Intussen hamerden enkele mededadaïsten op bellen en lieten ze ratels ratelen. Ontregelende geluiden. Het publiek protesteerde steeds luider onder het roepen van grove verwensingen aan het adres van Tzara. Meer dadaïsme op die middag: gemaskerde mannen droegen een gedicht van André Breton voor, en Picabia had op een schoolbord een krijttekening gemaakt die door Breton werd uitgewist. Volgens Hans Richter, dada-historiograaf en deelnemer aan dada in Zürich na Cabaret Voltaire, werd inderdaad muziek gespeeld van leden van Les Six.

Théâtre de l’Oeuvre

Muziek bleef in Parijs een vast onderdeel van de dada-soirees en -matinees, alleen niet meer van Les Six. Ook de ‘Vendredis de Littérature’ werden niet voortgezet, wel volgden er nieuwe optredens onder de noemer Dada. Picabia’s vrouw Gabrielle Buffet was muzikaal zeer onderlegd met een bijzondere interesse voor nieuwe muziek, en haar nichtje Marguerite Buffet was professioneel pianiste; zij voerde stukken uit van moderne componisten én van enkele dadaïsten (als gelegenheidscomponisten). De soiree van 27 maart 1920 (Manifestation Dada in het Théâtre/Maison de l’Oeuvre) had een zeer uitgebreid programma, met toneel, sketches, manifesten, gedichten en muziek, in een decor van een opgehangen fietswiel en aanwijsborden aan een waslijn. Speels, absurdistisch en uitdagend, met een demoraliserend effect op de toeschouwers, die zich steeds agressiever gingen gedragen naarmate ze zich lieten provoceren door wat er op het podium gebeurde. Deelnemer Georges Ribemont-Dessaignes verwoordde de teneur van de avond als volgt:

‘[…] De artistieke en intellectuele verwachtingspatronen [van de toeschouwers] werden aangevallen. Lachen om kunst, om filosofie, om het esthetische en het ethische, om dogma’s, om het Absolute dat aan de basis ligt van alle handelingen, collectief en individueel, hiermee werd het publiek voor de gek gehouden.’

Een van de onderdelen was het publieksprovocerende ‘Kannibaal-manifest’ van Picabia, dat door Breton met zijn sonore en monotone stem in het donker werd voorgedragen, op de piano begeleid door Marguerite Buffet – ook de (agressieve) muziek bij dit manifest was voor de gelegenheid door Picabia gecomponeerd. Picabia had sinds kort een speciale belangstelling voor (moderne) muziek ontwikkeld, mogelijk aangewakkerd door zijn vrouw Gabrielle en door bevriende componisten als Edgard Varèse en Erik Satie. Verderop meer over Picabia’s muzikale experimenten.

toeval

Van de schrijver-kunstenaar Georges Ribemont-Dessaignes was op deze avond het muziekstuk Dans van de gekrulde cichorei (Pas de la chicorée frisée) opgenomen, uitgevoerd door Marguerite Buffet. Ribemont-Dessaignes had de noten naar eigen zeggen door het toeval – gebruikmakend van een handzaam, zelfgemaakt soort roulettespel – laten bepalen. Ook metrum en ritme zouden op die manier bepaald zijn, met als gevolg een melodisch en harmonisch weefsel dat door toeval, herhaling en toegevoegde lagen steeds complexer en dissonanter was geworden. Volgens een eigentijds verslag speelde Buffet het stuk onbewogen, met de componist naast haar gezeten om de bladzijden van zijn stuk om te slaan. Daarbij ontstond een hoop tumult onder het publiek, waarvan het geschreeuw en gefluit in een disharmonisch geheel met de muziek samenviel. De soiree eindigde met een klassiek lied van de laatromantische componist Henri Duparc, ‘Chanson triste’ (in het programma misleidend als ‘manifest’ aangekondigd), gezongen door een bekende zangeres, Hania Routchine. Omdat het publiek zo ingesteld was geraakt op dadaïstische provocaties, wist het niet goed hoe het op de uitvoering van een conventioneel muziekstuk moest reageren – uiteindelijk werd de zangeres het podium afgefloten.

Salle Gaveau

Het hoogtepunt van de Parijse dada-manifestaties was de soiree ‘FESTIVAL DADA’ van 26 mei 1920 in de Salle Gaveau, bijgewoond door de gehele culturele elite van Parijs én door de familie Gaveau, de eigenaars, die van tevoren al benauwd waren voor een hoop heibel. Een respectabele zaal in een respectabele wijk (Saint-Honoré). In opzet was het programma grotendeels een herhaling van de vorige soiree in het Théâtre de l’Oeuvre: weer een mix van absurdistische toneelstukjes, ludieke sketches en performances, voordrachten en muziek. Vóór de pauze een nieuw muziekstuk van Ribemont-Dessaignes, De verdachte navel (Le nombril interlope) – waarvoor hetzelfde toevalsprincipe gebruikt moet zijn – weer op de piano uitgevoerd door Marguerite Buffet. Over dit stuk is verder niets bekend, behalve dat een recensent moest denken aan een kat die over de toetsen van een piano loopt.

sodomistische muziek

Na de pauze kwam, volgend op een sketch van André Breton en Philippe Soupault (met als personages Kamerjas, Paraplu en Naaimachine, maar dit terzijde), het muziekstuk De Amerikaanse voedster (La nourrice Américaine) van Picabia. Ter verduidelijking stond er in het programma bij vermeld: ‘Sodomistische muziek gespeeld door Marguerite Buffet’ – het publiek was gewaarschuwd. De compositie bestond uit een reeks herhalingen van drie noten (mogelijk beïnvloed door Satie’s Vexations), met variabele snelheid en duur. Typisch dada: net als in het beeldende werk van de dadaïsten wordt ook in dit muziekstuk (zoals in de stukken van Ribemont-Dessaignes) de geniecultus van de kunstenaar onderuitgehaald. Geen klassiek geschoolde componist, geen benodigde virtuositeit in de uitvoering. Iedereen kan muziek maken en daarmee een beoogd effect bereiken. Picabia’s effect was een vijandig gebaar, een aanval op het vertrouwde gehoor van de luisteraar. Je zou daarom deze muziek kunnen typeren als anti-muziek.

Het laatste programmaonderdeel was de Symfonische Vaseline (Vaseline Symphonique) van Tristan Tzara, een ‘muziekstuk’ voor twintig personen. Het moet hebben bestaan uit klankherhalingen als ‘cri cri cri’ en ‘cra cra cra’, in oplopende toonhoogten – je zou het kunnen beschrijven als een simultaan klankgedicht – en werd door het publiek vrolijk beantwoord met rotte tomaten. Ten slotte een opmerkelijke provocatie: de Gaveau-zaal was (en is nog steeds) voorzien van een magistraal orgel, waarop gewoonlijk serieuze muziek als van Bach gespeeld werd. Op een bepaald moment kwamen er uit dat orgel, tot ontzetting van een deel van het publiek én van de familie Gaveau, de klanken van een populaire foxtrot, schande!

Doordat het programma leek op dat van de vorige soiree in het Théâtre de l’Oeuvre, was het publiek goed voorbereid. Bezoekers hadden hun jassen volgepropt met groenten, rotte tomaten en eieren. Bovendien hadden de organisatoren een speciaal lokkertje: op het programma stond vermeld dat de dadaïsten op het podium hun hoofden zouden laten kaalscheren. Een vals lokkertje, bleek, want het gebeurde niet (net zoals bij een eerder dada-optreden was aangekondigd dat Charlie Chaplin er zou verschijnen – flauwekul natuurlijk, want die zat in Amerika aan zijn film The Kid te werken). Maar het publiek werkte volop mee, het liet zich graag provoceren en van zijn meest luidruchtige kant horen – ook de projectielen van de toeschouwers misten hun doel niet. Je zou kunnen zeggen dat het publiek als gelijkwaardige partner van het gebeuren op podium te beschouwen was.

Na deze soiree in de Salle Gaveau raakten de dadaïsten in een impasse, ondanks hun bereikte doel: dit optreden was veelbesproken in de pers, een succès de scandale, met geslaagde aanvallen op de heersende burgerlijke waarden, in de geest van anti-autoriteit, anti-kerk, anti-kunst en met een demonische humor. De recensies waren overwegend negatief en conservatief, nationalistisch ook, zo kort na de oorlog. Dada zou een gigantisch gekkenhuis zijn en een bedenksel van het vijandige Duitsland, dat de Franse cultuur wilde ondermijnen. Maar positieve commentaren waren er ook. Al met al was dada in Parijs salonfähig geworden. En dat was meteen de valkuil. Want het bleek makkelijk om te voldoen aan de verwachtingen van het publiek. Herhalingen van zetten lagen op de loer, en dan kom je niet verder. De dadaïsten kwamen bij elkaar om een nieuwe koers te bedenken. Openbare optredens zouden er niet meer komen, er werden andere activiteiten bedacht en tentoonstellingen georganiseerd (1920 en 1921: Picabia, Ribemont-Dessaignes, Max Ernst en Man Ray). Breton (die overigens een hekel had aan muziek) wilde een duidelijkere lijn voor dada uitzetten en doelstellingen formuleren, meer structuur en discipline in plaats van een anarchistische richtingloosheid – onzin, in elk geval volgens Tzara, die vond een duidelijke lijn juist totaal ondadaïstisch. Dada liep ten einde, begin 1922.

Het Parijse dadaïsme was vooral literair, maar muziek werd bewust in de programma’s van de soirees en de matinees ingevoerd, bewust anti-conventioneel, anti-academisch en anti-esthetisch.

Overigens zou Satie twee jaar later (en een jaar voor zijn dood) nog een belangrijke rol spelen bij Picabia’s ballet Relâche en de bijbehorende pauzefilm Entr’acte (1924). Voor beide, ballet en film, componeerde hij de muziek – zijn laatste composities. Ook is hij te zien in de absurdistische openingsscène van deze dadaïstische, hilarische korte film. Zie ook mijn stukje Dada & film 8: Entr’Acte (2).

Bronnen, o.a.:

Ariel Alvarez, DADA manieren. Een overzicht. Overveen, 2016
Paul Ingram, ‘Songs, Anti-Symphonies and Sodomist Music: Dadaist Music in Zurich, Berlin and Paris’. Academia, 2017
Peter Dayan, The Music of Dada. A Lesson in Intermediality for our Times. New York, 2019
Michel Sanouillet, DADA à Paris. Parijs, 1965, herziene ed. 2005
Hans Richter, DADA, Art and Anti-Art. Londen, 1965
Marius Hentea, The Real Life and Celestial Adventures of Tristan Tzara. Cambridge MA, Londen, 2014
Georges Ribemont-Dessaignes, ‘History of Dada’ (1931), in Robert Motherwell, The DADA Painters and Poets. An Anthology. Cambridge MA, Londen, 1951, 1981. pp.99-120

Tijdens een literaire avond in januari 1918 vertelde Richard Huelsenbeck, terug in Berlijn, voor het eerst over het dadaïsme als ‘nieuwste kunstrichting’, met smeuïge details uit Zürich en levendige karakteriseringen van de ‘grote, internationale’ beweging, gevolgd door enkele van zijn Fantastische Gebeden. De pers reageerde lacherig of zelfs neerbuigend. Dada – het zal wel. In een krant werd melding gemaakt van de oprichting van ‘Club Dada’, de Berlijnse tak van de beweging.

Een paar maanden later, in april, vond de eerste dada-soiree plaats, nog betiteld als ‘voordrachtsavond’. Huelsenbeck opende de avond met zijn beroemd geworden Dada-Manifest; daarna werden er ‘futuristische en dadaïstische gedichten’ voorgedragen en volgde George Grosz met zijn eigen verzen: ‘Sincopations’. Uit de recensies blijkt dat de zaal overvol was, het publiek onrustig maar vrolijk en opgewonden. De dadaïsten brachten kabaal en spektakel op het podium. Een ‘cabareteske’ Grosz zorgde voor opwinding met zijn eigen gezongen gedichten. Volgens een recensie ‘[…] speelde George Grosz, niggersongs zingend, met Amerikaanse boksertronie, voetbal met de schedels van de toeschouwers.’ Grosz begeleidde zijn ‘niggersongs’ met danspassen. ‘Sincopations’ verwijst naar de muzikale syncopations, een term waarmee off-beat ritmes worden aangeduid, ritmische verrassingen in een compositie. Grosz was liefhebber van Amerikaanse jazz, en overigens ook van andere moderne dingen uit Amerika, zoals films, kleding, schoenen, en een lossere manier van doen, die hij ook – overdreven acterend met ‘Amerikaans’ accent – probeerde te imiteren. Zijn naamsverandering van het Duitse Georg Groß naar het Engelse/Amerikaanse George Grosz, een paar jaar eerder, zal er ook mee te maken hebben.

Golyscheff

Een jaar later, op 30 april 1919, vond er een nieuwe dada-soiree plaats. ‘DADA machinel’ stond op het programma: een groep van mensen die zowel simultaangedichten als bruïtistische gedichten voordroegen; een klankgedicht van Raoul Hausmann, genaamd ‘Seelenautomobile’. Maar ook: een ‘Anti-Symphonie’ van de componist Jefim Golyscheff. In de herinnering van Raoul Hausmann verscheen Golyscheff met een in het wit gekleed meisje, dat op zijn teken aan de concertvleugel plaatsnam. Golyscheff moet, aldus Hausmann, met een ‘elektronische poppenstem’ zijn Antisymfonie als volgt aangekondigd hebben:

Men speelt voor u:
DE ANTISYMFONIE
IN DRIE DELEN
(Muzikale Cirkelguillotine)
a) de provocerende spuit
b) de chaotische mondholte of het submarinevliegtuig
c) het inklapbare Hyper-Fis-chendur

 Hé, hé, Heer Johann Sebastian Bach, uw welgetemperde wanordening krijgt het zwaar te verduren met de dodecaïstische Antisymfonie! Over en uit met die luid klinkende pruik van een, ach zo heerlijk opgezette traditie! Dada zegeviert ook in tonen! Dames en heren, uw verroeste oren tuiten? Laat ze door de muzikale cirkelzaag in stukken zagen! Spoel de restanten van uw stem met Golyscheff uit uw chaotische mondholte!

Hausmann zag in Golyscheff een rechtgeaarde dadaïst. De compositie van de Antisymfonie met zijn atonale en disharmonische klanken is op zijn minst avant-gardistisch te noemen, de uitvoering moet zonder meer dadaïstisch geweest zijn. Tegen hetzelfde publiek roept Hausmann een halve eeuw later vanuit zijn herinnering dat het niets van muziek weet en nog minder van Golyscheff:

Stel je voor… in al zijn jongensachtigheid, agressiviteit en verlegenheid tegelijk – ik weet niet wat voor een grotere melancholie had kunnen zorgen. Stel je voor: je oren werden doorboord door de woorden die een pure engel aan het reciteren was, je ogen kwamen uit hun kassen vanwege zijn aritmiek, zijn transparante noten, een mengelmoes van tonen, aan jou opgedrongen, die niet langer harmonieën wilden zijn, maar gewoon DADA waren. Zijn listige kunst op de rand van acrobatiek en het meisje in het wit rukten onbekende, onverwachte klanken los uit het ambacht van de muziek, zodat je naar infratonale vervoeringen getransporteerd werd. Dat je deze onschuldige engel de syncopische opeenvolging van dissonanten zag spelen, had een onvoorstelbaar effect. Het publiek, dat nog niet aan jazz gewend was, was gedesoriënteerd; alsof ze uit de wolken waren gevallen. 

Vele jaren later sprak Golyscheff deze weergave van Hausmann tegen: de Antisymfonie zou uit één deel bestaan hebben, niet uit drie, en de titels, door Hausmann bedacht, hadden niets met het stuk te maken.

Golyscheff was klassiek geschoold musicus (violist, wonderkind), componist, en daarnaast ook geschoold tekenaar en schilder (en bovendien chemicus), en was veel bezig met compositorische experimenten met een iconoclastische inslag, voor een deel beïnvloed door de muziektheorieën van de futurist Luigi Russolo. Het ‘dodecaïstische’ dat Hausmann noemt, is een aanwijzing dat Golyscheff al met de twaalftoonsmuziek bezig was (dodeca = twaalf in het oud-Grieks); sterker nog, dat was hij al vanaf 1914. Zijn eerste twaalftoonswerk, een stuk voor strijktrio, Zwölftondauer-Komplexe, werd echter pas in 1925 gepubliceerd, ongeveer gelijktijdig met het eerste twaalftoonswerk van Arnold Schönberg. Zij kenden elkaar toen nog niet.

De avond vond plaats in een kunstgalerie, als afsluiting van de eerste tentoonstelling van dadaïstisch werk in Berlijn, met collages en assemblages van heterogene materialen. Deelnemers waren onder anderen Hausmann, Grosz, ‘Oberdada’ Johannes Baader, Hannah Höch en Golyscheff. Vooral de assemblages van Golyscheff baarden opzien, samengesteld uit conservenblikken, flesjes, repen karton, hout, fluweel, haren.

Een kleine maand later, op 24 mei, vond een volgende dada-soiree plaats. Zoals gebruikelijk begon de avond met een dadaïstische proclamatie, voorgedragen door Richard Huelsenbeck, ongetwijfeld vergezeld door zijn getrommel op een grote trom. Daarna volgden cabareteske gedichten van Walter Mehring, een dadaïstische dans met maskers, een praatje van Baader over politiek, een simultaangedicht voor tien personen, een satirische tekst van Hausmann, en een wedstrijd tussen een typemachine en een naaimachine. De soiree eindigde met een groot theatraal simultaangedicht, het ‘Chaoplasma (2 pauken, 10 ratels), met medewerking van 10 dames & 1 postbode)’.

Vóór dit Chaoplasma werd er van Golyscheff ook weer een dadaïstisch stuk uitgevoerd, Keuchmaneuver (‘hijgmanoeuvre’). Volgens Hannah Höch, die aan de avond meedeed, ging het om een ‘simultaan-koorzang met een infernaal-bruïtistisch orkest’, om een ‘ritmisch gestuurde samenballing van gefluit, gestamp, blikslagen, kinderratels, getingel, getrommel, geblaas op de ocarina en geschreeuw,’ wat een ‘fascinerend geheel kon opleveren.’ Hij had ook voor ‘orkestrale begeleiding’ met keukengerei gezorgd, en gebruikte daarnaast speelgoed en zelfbedachte instrumenten.

Golyscheff werd door de Berlijnse dadaïsten in die periode nog echt als mededadaïst gezien. Hij had samen met Hausmann en Huelsenbeck het manifest ‘Was ist der Dadaismus und was will er in Deutschland?’ opgesteld (en zich daar later weer van gedistantieerd) – dit is de dadaïstische proclamatie die door Huelsenbeck werd voorgedragen op de avond van 24 mei; maar later in datzelfde jaar was Golyscheff geen dadaïst meer, want Hausmann had hem er naar eigen zeggen ‘uitgesmeten’ (uit de Berlijnse Club Dada) – kennelijk te weinig agressief-dadaïstisch. Golyscheff bedacht vervolgens zijn eigen ‘isme’, het ‘Aïsme’. Hij componeerde later ook filmmuziek; helaas is van zijn muzikale werk alleen zijn Zwölftondauer-Komplexe bewaard gebleven; ook van zijn beeldende werk is nauwelijks iets overgebleven – waarschijnlijk voor een groot deel als ‘ontaarde kunst’ door de nazi’s vernietigd.

dada-tournee

De volgende optredens van de Berlijnse dadaïsten in 1919 en 1920 hadden vergelijkbare programma’s, in grote zalen, maar met weinig aandacht voor muziek. Begin 1920 vond er een ‘Dada-tournee’ plaats door Duitsland en Tsjechië, uitgevoerd door Huelsenbeck, Hausmann en Baader. Veel publieksprovocaties en dan ook weer heibel vanuit het publiek, dat door de dadaïsten aardig op de proef gesteld werd. Overigens waren er ook regelmatig onderlinge akkefietjes tussen de drie dadaïsten. Op de eerste soiree (Dresden, 19 januari 1920), die de ‘Oberdada’ zonder zijn dada-kompanen had willen regelen, werd volgens een verslag van Hausmann het publiek eerst op muziek getrakteerd, voordat Baader zijn twee collega’s onder dwang bij het publiek zou introduceren:

Het podium was door een groot groen doek afgesloten, door de spleet ervan schoof ik de grammofoonhoorn en liet ik heerlijke jazzmuziek klinken. Achter het doek hoorde ik het geroezemoes van de meute. Van tijd tot tijd gooide ik een paar knalerwten op het podium.
Klokslag 8 uur betraden we de zaal, begaven ons naar onze canapé, sigaretten rokend, en keken verwonderd naar het brullende publiek, dat ongeveer een meter onder ons tot in de ramen zat opgepropt.
Ik riep tegen Huelsenbeck: kijk toch eens naar deze drekbende!
Bulderend gebrul als antwoord.
Nu stelde Baader ons voor.

Schulhoff

Behalve Golyscheff waren ook Erwin Schulhoff en Stefan Wolpe tijdelijk door de dada-koorts bevangen, zonder dat ze deelnamen aan de activiteiten van de dadaïsten. Schulhoff, in Tsjechië opgegroeid en als musicus en componist opgeleid, werd in zijn jeugd aangemoedigd door Dvorak en verkeerde later in de kring rond Schönberg en Alban Berg. Hij verbleef in Dresden en Berlijn ten tijde van het Berlijnse dadaïsme, nam net als de meeste dadaïsten linksradicale standpunten in en meende dat ook in de muziek een revolutie nodig was. Hij liet zich sterk beïnvloeden door jazz. Beluister en bekijk drie werken uit 1919, die een sterke dadaïstische insteek hebben of zelfs als voorlopers van fluxus-performances gezien zouden kunnen worden, zoals het absurdistische spel met een opeenstapeling van rustpunten door de concertpianist in In Futurum (dat ook aan de 4’33” stilte van John Cage doet denken);

de orgastische partituur van Sonata Erotica für Solo-Muttertrompete in de uitvoering van Loes Luca;

of Symphonia Germanica met Jaap Blonk en de Ebony Band.

 

Schulhoff schreef in 1922 ook muziek bij de dichtbundel Die Wolkenpumpe (1920) van Hans Arp (dadaïst van het eerste uur in Zürich).

Wolpe

Stefan Wolpe, opgegroeid en opgeleid in Berlijn, was ook niet direct betrokken bij de dadaïsten maar wel door hun mentaliteit en uitingen beïnvloed. Hij incorporeerde de belangrijkste dadaïstische kenmerken in zijn muziek – zoals plotselinge verrassingen, toeval, extreme tegenstellingen, gelijktijdigheid van vergelijkbare maar ongerelateerde gebeurtenissen en van onvergelijkbare maar gerelateerde gebeurtenissen – als totaal nieuwe elementen, maar blijvend bruikbaar, ook veertig jaar na dada zoals hij in een lezing uit 1962 memoreerde. Ook Wolpe nam elementen uit de jazz en volksmuziek over in zijn composities, en schreef atonale en twaalftoonsmuziek. Wolpe voorzag in 1922 een vertoning van Hans Richters eerste experimentele abstracte film Rhythmus 21 (zie ook Dada & film 3: Hans Richter) van muziek (mogelijk geïmproviseerd) en schreef in 1929 ook muziek bij Kurt Schwitters’ gedicht ‘An Anna Blume’.

Van zijn vroege experimenten met gebruikmaking van simultaniteit gaf Wolpe in dezelfde lezing het volgende voorbeeld.

Ik had acht platenspelers tot mijn beschikking. En dit waren heerlijke platenspelers omdat je hun snelheid kon variëren. Nu heb je alleen bepaalde snelheden – 74 [hij moet 78 bedoeld hebben] en zo meer – maar toen kon je een symfonie van Beethoven heel, heel langzaam afspelen, en ook heel snel terwijl je die tegelijkertijd met populaire muziek kon vermengen. Je kon een wals opzetten en een begrafenismars. Dus ik stopte dingen bij elkaar op een manier die je tegenwoordig multifocaal zou noemen.

fmsbwtözäu

Raoul Hausmann, ten slotte, ontwierp ook affichegedichten, klankgedichten die hij met willekeurig gekozen letters en leestekens uit de letterkast van een drukkerij op grote vellen (roze) papier afdrukte. Die affichegedichten waren er ook om voorgedragen te worden. Voor Kurt Schwitters waren deze affiches de directe aanleiding voor zijn eigen Ursonate. Hierover een volgende keer meer.

Bronnen, o.a.:

Ariel Alvarez, DADA manieren. Een overzicht. Overveen, 2016
Raoul Hausmann, Am Anfang War DADA. Giessen (Anabas) 1993
Hanne Bergius, Das Lachen Dadas. Die Berliner Dadaisten und ihre Aktionen. Giessen (Anabas) 1993
Joan Ockman, ‘Reinventing Jefim Golyscheff: Lives of a Minor Modernist.’ JSTOR, 1990
Paul Ingram, ‘Songs, Anti-Symphonies and Sodomist Music: Dadaist Music in Zurich, Berlin and Paris’. Academia, 2017
Matthew Greenbaum, ‘From Revolutionary to Normative: a Secret History of Dada and Surrealism in American Music.’ New Music Box, 2008

 

Welke muziek maakten de dadaïsten, honderd jaar geleden? En naar welke muziek luisterden ze? Hierbij het eerste deel van een reeks over dada en muziek in verschillende plaatsen.

DADA is inspirerend geweest op alle mogelijke (culturele) fronten: beeldende kunst, vormgeving, literatuur, theater, film, muziek. Denk wat modern-klassieke muziek betreft aan componisten als Erik Satie, George Antheil en Edgard Varèse, aan de collage-componist Pierre Schaeffer, aan John Cage, of aan fluxus-happenings met experimentele muziek en lawaai. Aan Charlotte Moorman bijvoorbeeld, de avant-garde celliste, bekend van haar naakte of halfnaakte performances (vaak in samenwerking met fluxus-kunstenaar Nam June Paik, zoals in hun ‘TV bra’). Denk in de jazz aan pianist-componist Misha Mengelberg met drummer Han Bennink en de Instant Composers Pool. Denk in de popmuziek aan de punkrock en de postpunk, de Nederlandse Ultra-beweging, het vroege werk van Frank Zappa, Captain Beefheart (met name Trout Mask Replica), The Residents, Einstürzende Neubauten, Cabaret Voltaire, Throbbing Gristle, of aan een noise-act als de Japanner Merzbow. Let wel: het gaat hier om invloeden en om het toepassen van dadaïstische elementen, niet om (nieuwe) dada-performances.

Maar waren de dadaïsten zelf ook dadaïstisch met muziek bezig – in de zin van afbraak van gevestigde muzikale vormen en normen, muziek maken zonder scholing, uit ongebruikelijk materiaal, het publiek shockeren met tegendraadse composities en ludieke uitvoeringen? Over het algemeen wordt aan muziek als dadaïstische uitingsvorm weinig aandacht besteed, toch speelde de muziek wel degelijk een rol in de performances van de dadaïsten.

ZÜRICH

Toen Hugo Ball in februari 1916 in Zürich het Cabaret Voltaire oprichtte, had hij vooral moderne en experimentele kunstuitingen voor ogen. Muziek speelde daarbij zeker een rol, want volgens zijn persbericht, dat de opening van het nieuwe podium aankondigde, was het uitgangspunt ‘[…] dat er bij de dagelijkse samenkomsten muzikale en literaire voordrachten van de als gasten aanwezige kunstenaars plaatsvinden’. Bovendien hadden Ball en zijn levenspartner Emmy Hennings al jarenlang ervaring opgedaan in variété en cabarets in Duitsland en Zwitserland.

In de beginperiode van Cabaret Voltaire stonden de avonden inderdaad in het teken van voordrachten van moderne literatuur en zang, begeleid door Ball op piano, en in veel gevallen voorgedragen door Emmy Hennings. Er werd muziek gespeeld van moderne componisten: Reger, Liszt, Debussy, Skrjabin, Rachmaninoff, Saint-Saëns, Tsjaikovski, Ravel en later (op Zürichse dada-soirees ná Cabaret Voltaire) ook van Schönberg en Satie. Uitgevoerd door Ball zelf, of door professionele pianisten (o.a. Hans Heusser, Arthur Rubinstein). Tot zover het serieuzere gedeelte. Moderne kunst, literatuur, zang, dans en muziek. Maar ook werden soldatenliederen, volksliederen en chansons uit Frankrijk, Duitsland, Denemarken, Servië en Rusland ten gehore gebracht. Het podium stond open voor de meest uiteenlopende bijdragen, zoals een Russisch balalaika-orkest, een Zwitsers revolutionair socialistenkoor, een avond met ‘arabische dansritmes’ en een groep Nederlandse jongeren die zich, uitgerust met banjo’s en mandolines, als complete narren gedroegen.

De Cabaret Voltaire-avonden ontwikkelden zich al snel in de richting van meer felheid, absurditeit, ironie en publieksprovocaties. Aan de oorlogsverschrikkingen buiten het neutrale Zwitserland kon je immers niet voorbijgaan – de vaste deelnemers waren overwegend oorlogsmijders uit de omringende landen. Tristan Tzara en Marcel Janco waren uit Roemenië naar Zürich getrokken. Hans Arp had de Elzas verlaten. Richard Huelsenbeck kwam net als Ball en Hennings uit Duitsland over en begeleidde zijn ‘Fantastische Gebeden’ met een grote trom: dreunen, knallen, ritmes, salvo’s. Huelsenbeck droeg er ook zijn ‘Negerliederen’ voor, bestaande uit fantasiewoorden, ook weer begeleid door ‘exotische trommels’. Er waren ‘Afrikaanse’ melodieën voor een avond van ‘zwarte muziek’.

primitivisme

Primitivisme, de westerse interpretatie van uitingen van exotische, niet-westerse ‘primitieve’ culturen (met name uit Afrika en Oceanië), was populair in brede avant-gardekringen en inspirerend als vorm van kritiek op de doorgeslagen westerse samenleving. Denk aan het verwerken van beelden en maskers in het werk van Picasso, of in dat van de Duitse expressionisten. Ook de Zürichse dadaïsten gebruikten de ‘primitieve’ beeldtaal om te wijzen op andere, in hun ogen puurdere samenlevingen dan de westerse. Met dat primitivisme wilden ze een soort collectief onbewustzijn oproepen, oerinstincten die in de westerse samenleving waren verdwenen. In Cabaret Voltaire leverde het de ‘negerliederen’ en ‘negerritmes’ op en inspireerde het tot irrationele, instinctmatige ‘oer’dansen. Maar ook diende dat primitivisme als provocerende antithese tegen de dominante westerse cultuur. Want het bewust gebruikte groteske dat ze – onwetend – in de ‘primitieven’ zagen – vooral in de mimiek en lichaamshouding (en in de maskers) bij de dansen, met een onvermijdelijk racistisch element – ondermijnde de westerse idealen van gratie en schoonheid.

Programma voor de 1e Dada-soiree in Zürich na Cabaret Voltaire, 14 juli 1916. Hierin ontbreekt de titel bovenaan: AUTORENABEND – Freitag den 14. Juli 1916 – im Zunfthaus zur Waag. De handgeschreven tekst rechtsboven is van Hugo Ball. Kunsthaus Zürich uit nalatenschap Richard Huelsenbeck

bruïtisme

Bruïtisme werd ingevoerd, overgenomen van de Italiaanse futuristen. Bruïtisme: gebruik van geluiden van alle mogelijke dingen, zoals ratels, fluitjes, sirenes, propellers, typemachines, trommels, handgeklap, stemgebruik e.d. De futuristen verheerlijkten het moderne leven met al zijn technologische verworvenheden, de snelheid van auto’s, treinen en vliegtuigen, het geluid van machines, de hectiek van de stad, het spektakel van de oorlog. Zij vonden de kunst- en muziekwereld, en ook de literatuur, te gezapig, te zelfingenomen, en wilden de geaccepteerde normen ervan ter discussie stellen of zelfs afbreken. In de beeldende kunst introduceerden ze de suggestie van beweging en snelheid, in de poëzie gaven ze ‘woorden in vrijheid’ visueel vorm, en in de muziek werden gebruiksvoorwerpen en nieuw uitgevonden lawaai-instrumenten toegepast.

Bruïtisme is eigenlijk de verfranste naam van het Italiaanse ‘rumorismo’. Het woord ‘rumore’ komt overeen met het Engelse ‘noise’. De schilder Luigi Russolo vond dat de futuristische ideeën ook in de muziek tot uiting moesten worden gebracht. Hij presenteerde in 1913 een invloedrijk manifest over futuristische muziek, l’Arte dei rumori (‘The Art of Noises’) en ontwierp geluidsapparaten, de ‘intonarumori’, houten klankkasten met grote toeters, waarmee grommende, ratelende en sirene-achtige geluiden in variabele toonhoogten konden worden geproduceerd. Met deze instrumenten gaven de futuristen onder meer een concert getiteld ‘Het ontwaken van een grote stad’ van Russolo, uitgevoerd door 18 musici, en uitlopend op een rel (Milaan, 21 april 1914). Zo’n bruïtistisch concert was in de ogen van de futuristen eigenlijk niets anders dan een lawaaiige weergave van het bonte leven zelf. Dit laatste was ook voor de dadaïsten een essentieel uitgangspunt, al vonden zij wel dat er aan die technologische verworvenheden desastreuze schaduwzijden kleefden, die uitmondden in de gruwelen van de oorlog.

Voor het Cabaret Voltaire had Hugo Ball een bruïtistisch Kerstspel (‘Krippenspiel’) geschreven, behoorlijk absurdistisch, waarin de personages vooral klanken en abstracte woordjes als tekst hadden meegekregen. Zo was er ‘f f f ff f f f f fff’ voor de wind, sprak de ezel de gedenkwaardige woorden ‘ia ia ia ia ia…’, en waren Jozef en Maria gebonden aan ‘ramba ramba ramba ramba ramba m-bara m-bara…’. Het spel werd begeleid door gestampvoet, geritsel van hooi, een misthoorn, timmergeluiden, een draaiende propeller, en nog wat van zulke dingen. Ook andere voordrachtsvormen werden regelmatig begeleid door lawaaiige geluiden.

Muzikaal werd er weinig geëxperimenteerd. Zoals gezegd: modern-klassiek werk, en eigen muziek van Ball (vermoedelijk in de cabarettraditie en niet experimenteel, anders waren er ongetwijfeld recensenten over gevallen), bijvoorbeeld ter begeleiding van gemaskerde dansen, zij het dat dansen ook wel zonder muziek werden uitgevoerd (omdat veel ervan uit spontane bewegingen moesten ontstaan, dus niet vanuit een interpretatie van de gespeelde muziek), of soms alleen begeleid door getrommel of een gong. Een uitzondering vormde de pianist en componist Hans Heusser.

Hans Heusser

Heusser behoorde niet tot de vaste groep Cabaret Voltaire-medewerkers, maar deed af en toe mee door stukken van moderne componisten of van hemzelf te spelen. Eind mei 1917, bijna een jaar na het einde van Cabaret Voltaire, was er in Zürich een dada-soiree aan hem gewijd. Hij presenteerde er muziek voor piano, harmonium en stem, waarbij traditionele harmonieën vermeden werden – in die zin al een avant-gardistisch uitgangspunt. De muziek was sterk ritmisch (verwijzend naar ‘primitieve’ culturen) met schelle dissonanten, telkens onstuimig uitlopend op een climax.

Een verslag uit die tijd geeft een indruk van een uitvoering door Heusser: haaks op de piano had hij een harmonium neergezet. Terwijl zijn linkerhand dartelend de piano bespeelde, probeerde hij met zijn rechteronderarm zoveel mogelijk toetsen tegelijk van het harmonium in te drukken terwijl zijn rechtervoet energiek de pedalen ervan bediende. Totaal in de geest van dada. Heusser plaatste heterogene stijlen naast elkaar in sterke ritmes, met een voorkeur voor jazz en het toelaten van toeval. Hij combineerde archaïsche en pseudo-kerkmuziek met experimentele, futuristische klanken. Hij was in die zin sterk door dada beïnvloed.

Dat heterogene, het gebruik van verschillende stijlen naast elkaar, maar ook de combinatie van hoge cultuur (de ‘serieuze’ muziek en literatuur) en lage (marsmuziek, volksmuziek, volksliederen) was tekenend voor een kritisch bewustzijn van een anti-artistieke richting en werd kenmerkend voor dada in Zürich.

Volgend stukje: Berlijn.

Bronnen, o.a.:

Ariel Alvarez, DADA manieren. Een overzicht. Overveen, 2016
Hans Bolliger e.a., Dada in Zürich. Kunsthaus Zürich, 1985, 1994
Paul Ingram, ‘Songs, Anti-Symphonies and Sodomist Music: Dadaist Music in Zurich, Berlin and Paris’. Academia, 2017
Matthew Greenbaum, ‘From Revolutionary to Normative: a Secret History of Dada and Surrealism in American Music’. New Music Box, 2008

 

Uit mijn vorige blogposts over ‘dada-barones’ Elsa von Freytag-Loringhoven komen haar kunstenaarschap, haar eigenzinnigheid, felheid, directheid, humor, tragiek en ‘dadaïstische’ anti-houding naar voren. Zij was tegen het establishment, tegen de gevestigde kunstwereld en had een cynische houding tegenover religie (zie ‘Holy Skirts’ in mijn vorige stukje). Nu over haar antisemitisme.

Was barones Elsa antisemitisch? Ja, ervan uitgaande dat je antisemitisme ruimer definieert dan ‘jodenhaat’, dus ook als stereotypering van Joden. Maar dat ‘ja’ moet bij Elsa genuanceerd worden, in de context van tijd en plaats. En in die van haar meer algemene anti-houding. Elsa kon mensen op ‘typisch Joodse’ kenmerken beoordelen, of het nu ging om het ‘oriëntaalse’ (grote) geslachtsdeel van een Joodse minnaar, of om bepaald gedrag. Ze maakte ook onderscheid tussen Amerikaanse en Europese Joden.

Tailend of Mistake

In haar gedicht ‘Tailend of Mistake: America’ (ingezonden voor The Little Review, ongepubliceerd, ca. 1920-1923) heeft ze het over ‘New-Zion-York’, terwijl ze in hetzelfde gedicht ook het christendom beschimpt. Ik laat dit gedicht in z’n geheel zien, omdat ze zo lekker tekeergaat.

TAILEND OF MISTAKE: AMERICA 

In this rushing – crushing – exhilarating time of universal revel – alteration – by logic’s omnipotency “putting things to right” – housecleaning – vigorous relentless – husbandry – – in New-Zion-York – – “Holy Communion” is served “soft – soft – soft” to softies – (Christians)
Excruciating pertinency! Jo-ho-ha-jeeee!
Omnipotency – unerring – unmasking consumptive – assumptive “softie Susie’s” impotence.
Malted Milkshake – haloflavor – for humble bastard cripple – Coca-Cola for bully drummer of second-hand misfit religious pants.
(Jesus Christ!)
Tailend-of-mistake – America’s “Kykianity”!

Ain’t life lark?
Very!
Keening dizzy high!
Follow agile –
Foul dumb on deaf feet
Croak on “Genickstarre – ”
Such is larklife – today!
Ja heeeeeeeeeeeeeeee!

Duidelijk anti-religie- en anti-Amerika. Het jodendom en het christendom moeten het beide ontgelden – ze vormen ‘het staartje van een vergissing’ van Amerika. Dit illustreert ze nog eens met haar samengestelde (portmanteau) woord ‘Kykianity’: een samenvoeging van ‘kyke’ met Christianity. ‘Kyke’ of ‘kike’ is een denigrerende benaming voor Jood.

Spiritual Pass

Het christendom heeft Elsa in meerdere gedichten op de hak genomen. In ‘Spiritual Pass’ (ca. 1920-1924, ongepubliceerd) gaat ze daarin behoorlijk ver. Jezus Christus wordt grof beledigd – ook als Jood.

SPIRITUAL PASS

To:
Mr. Ditched-Hitched saint.
Origin of name:
(Ditched by culture – sense
Hitched to cross job – dense) 

Trade:
Sign painter.
General description:
Obscure parentage
Not so profound – as to not
Expose hebrewsusie (common:
Jesus) in mesh mess’ mess mesh.
Wandering kyk – at present
Bumming through cross – dross –
United – States only union:
Crucifixion.
Hands – feet – abdominal organs
Marked:
Insufficient
Evasive thornimpaled smile
Vacant smirk
Befuddled lisp.
Behold: pitiful spectacle!
I wash my hands of this idiot. 

Signed:
Dictator Pontius Elsius Pilatus

In deze ‘spirituele passage’ wordt Jezus – ‘afgedankt door de cultuur, met een klus om aan het kruis vastgemaakt te worden’ – neergezet als ‘sign painter’, een schilder van tekens of symbolen (het kruis, lijkt me), bovendien van obscure afkomst (verwijzend naar de ‘onbevlekte ontvangenis’ van Maria); ‘hebrewsusie’ zal denigrerend ten opzichte van Joden bedoeld zijn, al kan ik ‘susie’ hier niet goed thuisbrengen – mogelijk ook een taalspelletje met de ‘sus’ uit ‘Jesus’. ‘Wandering kyk’: denigrerende benaming voor de mythische Wandelende Jood. De Kruisiging (‘Crucifixion’) is het enige wat de Verenigde Staten verenigt, meent Elsa. De handen, voeten en buikorganen van de gekruisigde zijn kennelijk in haar ogen onvoldoende ‘gemerkt’ (verwond). Haar verbeelding van zijn gezichtsuitdrukkingen is ronduit grof. Ze vindt het al met al maar een deerniswekkend spektakel. Getekend: Dictator Pontius ‘Elsius’ Pilatus.

Hamlet of Wedding-Ring

In The Little Review van maart 1921 is een lange tekst van Elsa von Freytag-Loringhoven opgenomen, getiteld ‘Thee I Call “Hamlet of Wedding-Ring”’. Dit blijkt het eerste deel te zijn van een pittige kritiek op William Carlos Williams’ boek van persoonlijke, poëtische beschouwingen Kora in Hell: Improvisations. Het tweede deel verscheen in het volgende nummer, een half jaar later. In dit lange epistel, als altijd in haar eigenzinnige en onnavolgbare poëtische stijl geschreven, heeft Elsa meer te zeggen over Joden, althans, in een bepaald gedeelte van haar stuk (de laatste passage van deel I en het begin van deel II). Daarin stelt ze aan de ene kant dat Amerikaanse Joden en niet-Joden elkaar niet in de weg zitten, terwijl in Europa een wederzijdse afkeer tussen christenen en joden zou bestaan; aan de andere kant meent ze dat de ‘ongewortelde’ Joden in het algemeen – altijd ‘parasieten’ op vreemde bodem – alleen maar leegte en gebrek aan hoop en zelfrespect ontwikkelen, met zelfzuchtig, tactloos en schaamteloos gedrag als gevolg.

rancune

Inhoudelijke kritiek op Williams’ boek is grotendeels tussen de regels door te lezen: ze vindt zijn bespiegelingen gekunsteld en de meer pessimistische passages in het boek een belediging voor het leven met al zijn zegeningen en tekortkomingen, met al zijn liefde en haat – pessimisme dat ook kenmerkend voor Joden zou zijn. Maar verder lees ik vooral een kritische, mede door rancune ingegeven benadering van de persoon en (verlangde) minnaar Williams zelf: ze vindt hem een slapjanus, onrijp en onzeker (vandaar de verwijzing naar de Hamlet van Shakespeare), would-be stoer, would-be kunstenaar; een middelmatige amateur; iemand die de ware kunst – in haar optiek een extatische roes – bevuilt. In het circus van de kunst (een vergelijking die Williams zelf in zijn boek maakt) is hij slechts een mislukte trainer van circusvlooien, een oppervlakkige Amerikaan zonder culturele traditie, die eigenlijk meer een brave familieman is – behalve dat hij in dronken buien nu en dan zijn vrouw mishandelt – dan iemand die daadwerkelijk avontuurlijk het leven omarmt.

atavistisch

Het jodendom wordt erbij gesleept om Williams met zijn vermeende Joodse karaktertrekken harder te treffen. Williams was niet joods, al had hij waarschijnlijk wel joodse roots van moederskant (naast Puerto Ricaanse, Franse, Duitse en Spaanse) – ze schrijft: ‘atavistically handicapped by Jewish family tradition’ (atavistisch: een verdwenen erfelijke eigenschap komt na meerdere generaties opeens weer tevoorschijn). Kortom, de W.C. Williams van Kora in Hell is niet de ‘W.C.’ die Elsa persoonlijk kent, en daar sleept zij de cultuurloze Amerikanen, het christendom en het jodendom met de haren bij. Haar buitensporig kritische stuk wordt als een van de meest spraakmakende bijdragen in de geschiedenis van The Little Review gezien.

boksbal

Of Elsa daadwerkelijk een affaire met William Carlos Williams heeft gehad, blijft onzeker. Hij had in elk geval op een bepaald moment geen zin meer in ‘that damned woman’, die hem in haar avances nogal agressief benaderde. Hij kreeg de schrik van zijn leven toen zij hem eens onder valse voorwendselen (‘noodgeval’ – hij was dokter) bij zijn auto opwachtte en hem van achteren bij zijn arm greep, wat escaleerde tot een klap in zijn nek. Kort daarna moet hij in paniek een boksbal in huis hebben gehaald om zich in de toekomst beter tegen haar te kunnen verdedigen. Bij hun eerstvolgende ontmoeting greep hij zijn kans en gaf haar een harde stomp in het gezicht.
Maar dit terzijde.

Ook terzijde: over deze affaire Elsa-W.C. Williams kon Ezra Pound niet nalaten – onder het pseudoniem Abel Sanders – een melig, dadaïstisch gedicht in The Little Review te publiceren, meteen achter deel 2 van Elsa’s anti-WCW-epistel. Het begint zo:

To Bill Williams and Else von Johann Wolfgang Loringhoven y Fulano
Codsway     bugwash
Bill’s way    backwash
FreytagElse ¾arf n’arf
Billy Sunday one harf Kaiser Bill one harf
Elseharf Suntag, Billsharf Freitag
Brot wit thranen,     con plaisir ou con patate       pomodoro
[…]

En zo gaat het nog even door. Overigens staat van deze ‘Abel Sanders’ op dezelfde pagina rechtsonder, op z’n kant:

dada / deada / what is deader / than dada

paplepel

Was barones Elsa geobsedeerd door Joden of het jodendom? Ja dus, in zekere mate, maar aan de andere kant liep ze haar vooroordelen niet continu te ventileren – in de rest van haar gedichten en teksten verwijst zij niet of nauwelijks naar de ‘Joodse kwestie’. Zij was ook geen Jodenhaatster, zij had Joodse minnaars en ging om met Joodse kunstenaars, al sluit dat antisemitisme natuurlijk niet uit. Maar van kinds af aan was zij gewend aan antisemitisme. Het militaristische Pruisen waar Elsa opgroeide was sterk nationalistisch en antisemitisch. Thuis en op school waren vooroordelen over Joden gemeengoed. Antisemitisme was er bij Elsa dus met de paplepel ingegoten. In de modernistische kringen in München, waarin Elsa eind negentiende eeuw verkeerde, bevonden zich een paar schrijvers met antisemitische opvattingen (o.a. Ludwig Klages en Alfred Schuler).

Vooroordelen over Joden en andere volken of rassen waren in de eerste decennia van de twintigste eeuw – in de christelijk-westerse wereld – relatief wijder verbreid dan in de huidige tijd, in samenhang met de historische (sociale, politieke en culturele) omstandigheden. Bovendien: Elsa integreerde zelf als immigrant vrij snel in een cultuur van meerdere volken, rassen en religies. Voor haar waren er geen drempels in de omgang met mensen met een andere culturele of raciale achtergrond.

Antisemitisme of stereotypering van Joden kwam overigens ook voor bij contemporaine modernistische schrijvers in Amerika zoals F. Scott Fitzgerald, T.S. Eliot en Ezra Pound. Pound, rond 1920-1922 een invloedrijke stem bij The Little Review, sympathiseerde in de jaren dertig steeds meer met het Italiaanse fascisme en het bijbehorende antisemitisme (hij was inmiddels naar Italië verhuisd) en betuigde openlijk steun aan Mussolini en later ook aan Hitler.

anti-alles

Barones Elsa’s antisemitisme valt natuurlijk niet goed te praten. Maar enige relativering – naast de ‘paplepel’ – is op zijn plaats, ook omdat zij tegen álles tekeerging: tegen geloofsuitingen, tegen volken. Zij haatte het christendom, zij haatte het Pruisische, ‘Teutoonse’ volk waar zij zelf uit voortkwam, zij haatte het puriteinse Amerika en de oppervlakkige, cultuurloze Amerikanen. Zij haatte de commerciële kunstwereld. Zij was anti-bourgeois, zij was dada. Met haar uitdagende uitdossingen, haar vrije kunstopvattingen, haar vrije moraal en provocerende gedrag plaatste zij zichzelf buiten de samenleving, met een continue dreiging om zelf gediscrimineerd en daadwerkelijk opgepakt te worden.

dood

Elsa’s anti-houding en compromisloosheid leidden ook tot haar voortdurende staat van armoede en toenemende depressies, en daarmee indirect tot haar (vermoedelijk zelfgekozen) dood. Djuna Barnes (zie mijn vorige stukje) had gezorgd voor publicatie van enkele van Elsa’s gedichten in Parijs; zij schreef meteen na haar dood een in memoriam dat zij vergezelde van passages uit brieven van Elsa die over zelfmoord gaan; zij had opdracht gegeven voor Elsa’s dodenmasker en een foto daarvan gepubliceerd.

Barones Elsa was in veel van haar gedichten – wars van sentiment – met de dood bezig. Een kort en krachtig gedicht is ‘STANDPOINT’ (ca. 1925, ongepubliceerd):

There is but one safe charm in life: distance.
How charming safe is death.

Elsa von Freytag-Loringhoven (Swinemünde 1874-1927 Parijs)

Literatuur, o.a.:

Irene Gammel & Suzanne Zelazo (ed.), Body Sweats. The Uncensored Writings of Elsa von Freytag-Loringhoven, Cambridge, MA (MIT Press), 2011
Irene Gammel, Baroness Elsa. Gender, Dada, and Everyday Modernity. A Cultural Biography. Cambridge, MA, London, UK (MIT Press), 2002
The Little Review 1914-1922, Modernist Journals Project
Baroness Elsa von Freytag-Loringhoven Digital Libraries, University of Maryland Libraries: het barones Elsa-archief met manuscripten van meerdere gedichten in meerdere versies
In Transition: Selected Poems by the Baroness Elsa von Freytag-Loringhoven. University of Maryland Libraries. Meer gedichten
William Carlos Williams, Kora in Hell: Improvisations. Boston (The Four Seas Company), 1920: downloads

 

Deel 2 over de poëzie van de bizarre ‘Dada-Barones’ Elsa von Freytag-Loringhoven. In dit stukje komt vooral de veelzijdigheid van haar poëzie naar voren – van het gebruik van bestaand tekstmateriaal (gevonden zinnetjes, reclame, leuzen) tot klankgedichten en visuele poëzie, en inhoudelijk van persoonlijke observaties en beschouwingen tot sarcastische religiehaat. Aan het eind van dit stukje – als toetje – een hilarisch scheetgedicht.

Verder over The Little Review, dat zijn onafhankelijke toon begin 1921 moest aanpassen na een verloren proces over zogenaamd onfatsoenlijke passages in een episode van James Joyce’s Ulysses, waarna ook nog maar weinig van de barones in het blad werd opgenomen.

visuele poëzie

Een aantal van haar gedichten, die ze in de regel handgeschreven aanleverde, heeft Elsa geïllustreerd (zoals ‘Graveyard Surrounding Nunnery’ in mijn vorige stukje) – in veel gevallen als een gelijkwaardige combinatie van tekst en beeld. Hierbij een paar voorbeelden.

kant-en-klaar

Net als in haar assemblages en kostuums maakt zij ook in een aantal van haar gedichten gebruik van gevonden, kant-en-klaar materiaal. In het lange ‘SUBJOYRIDE’ (ingezonden voor The Little Review, ongepubliceerd, ca. 1920-1922) verbeeldt zij haar tochten door de stad door reclames, slogans en gespreksflarden die zij onderweg tegenkomt op te pikken en ons in het gezicht te slingeren. De snelle indrukken van de stad en de metro (SUBway) en het genoegen van de ritten (JOY-RIDE/JOYRIDE) – ook: genoegen van het dichten, genoegen van het spelen met reclames, met het nieuwe, vooral op de vrouw gerichte consumentisme – spatten van het gedicht af. Het begint al veelbetekenend:

SUBJOYRIDE

READY-TO-WEAR –
AMERICAN SOUL POETRY.
(THE RIGHT KIND)

Met veel humor koppelt ze diverse commerciële producten aan elkaar en voorziet die van eigenzinnige, absurde aanbevelingen.

[…]
Ah – madam –
That is a secret Pep-O-Mint –
Will you try it –
To the last drop?
[…]
Lighted Chicklets wheels and
Axel – carrying Royal
Lux Kamel hands off the
Better Bologna beauty –
Get this straight – Wrigley’s
Pinaud’s heels for the wise –
Nothing so Pepsodent – soothing –
Pussy Willow – kept clean
With Philadelphia Cream
Cheese.
[…]
Wake up your passengers –
Large and small – to ride
On pins – dirty erasers and
Knives
These 3 Graces operate slot
For 5 cents.
Don’t envy Aunt Jemima’s
Self raising Cracker Jack
Laxative knitted chemise
With that chocolaty
Taste – use Pickles in Pattern
Follow Green Lions.

Wat Elsa in deze ‘Ready-To-Wear American Soul Poetry’ doet is zowel toe-eigenen als parodiëren van bestaande commerciële producten, merknamen, reclame en slogans. Ze geeft haar eigen draai aan reclames en teksten die ze tegenkomt en vervreemdt ze zo van hun oorspronkelijke boodschap.

klankgedichten

Of barones Elsa de klankgedichten (bestaande uit abstracte, betekenisloze woorden) van de dadaïst Hugo Ball uit 1916 gezien had (‘Gadji Beri Bimba’/’Karawane’), is niet bekend. Maar het is niet ondenkbaar dat ze bekend was met klankgedichten van Else Lasker-Schüler, Paul Scheerbart en Christian Morgenstern, van eind 19e, begin 20e eeuw – in die tijd verkeerde zij in de modernistische literaire- en kunstkringen van Berlijn en München.

Elsa schreef tussen 1920 en 1925 ook klankgedichten. In elk geval drie volledige, ‘echte’, klankgedichten en een aantal gedeeltelijke. Hierbij het begin en eind van ‘KLINK – HRATZVENGA’, dat in maart 1920 in The Little Review gepubliceerd werd.

KLINK – HRATZVENGA
(DEATHWAIL)

NARIN – TZARISSAMANILI
(HE IS DEAD!)

Ildrich mitzdonja – astatootch
Ninj – iffe kniek –
Ninj – iffe kniek
Arr – karr –
Arrkarr – barr –
Arr –
Arrkarr –
Mardar
Mar – dóórde – dar –

Mardoodaar!!!

[…]

Vrmbbbjjj – sh – –
Ooh!!!
Vrmbbjjj – sh – sh –
Sh – sh –
Vrmm.

De klankgedichten zijn op dezelfde manier opgebouwd als haar andere gedichten, en hebben dezelfde expressiviteit. Ze zouden haar ‘gewone’ (Engelse of Duitse) gedichten in een fantasietaal kunnen zijn. Fonetisch lijken ze trouwens eerder Duits dan Engels. Ze hebben wel titels of subtitels in het Engels, waardoor ze bij voorbaat al een zekere betekenis hebben meegekregen. Verwijzingen naar de werkelijkheid lijken er ook in te zitten: ‘Tzarissamanili’ zou naar tsaar (of – wie weet – naar Tristan Tzara) kunnen verwijzen, en ‘Mardar’, ‘Mar–dóórde–dar’, ‘Mardoodaar’ naar Mörder of murderer, moordenaar – het is tenslotte een klaagzang over een overledene, mogelijk haar man baron Leopold, die na een krijgsgevangenschap van vier jaar zelfmoord pleegde. Dit gedicht werd samen met haar Duitse gedicht ‘Irrender König’, dat gewijd was aan Leopold, in The Little Review gepubliceerd. Ik vind dit, en ook haar andere klankgedichten, zeer sterk, spannend zelfs. Haar spel met ‘woorden’ – zoals ze herhalingen en variaties toepast, en op uitgewogen plekken uitroeptekens, vraagtekens en streepjes plaatst – is geraffineerd (het volledige gedicht in The Little Review hier).

In 1920 wordt relatief veel van Elsa in The Little Review gepubliceerd. In het juli-augustusnummer het aan haar moeder gewijde gedicht ‘Marie Ida Sequence’ en ‘Holy Skirts’, waarin zij het sexloze leven van nonnen hekelt en daarmee het christendom belachelijk maakt (zie verderop), plus haar beschouwing ‘”The Modest Woman”’, een felle reactie op een ingezonden brief (met dezelfde titel) waarin James Joyce’s Ulysses als te obsceen bekritiseerd werd. Elsa trekt van leer tegen de onbeschaafde, luidruchtige, cultuurloze, snel rijk geworden Amerikanen achter hun decente uiterlijk – zoals vrouwen met overdreven lange rokken – tegenover cultureel onderlegde Europeanen zoals Joyce.

In het september-decembernummer zeven gedichten die grotendeels over erotisch verlangen gaan en een gedicht in het Duits gericht aan haar (kwaadaardige) vader, ‘Das Finstere Meer (An Vater)’. In dit nummer is ook voor het laatst een aflevering van Ulysses gepubliceerd.

Ulysses

Vaste medewerkers aan The Little Review waren onder anderen de eerdergenoemde W.C. Williams (door Elsa ‘W.C.’ genoemd), Ezra Pound en James Joyce, wiens roman Ulysses er vanaf maart 1918 maandelijks in werd gepubliceerd, als feuilleton. The Little Review werd nauwlettend in de gaten gehouden door het Amerikaanse postbedrijf, dat elk nummer op inhoud screende. Ging de inhoud de heersende, reactionaire fatsoensnormen te buiten, dan werden alle vindbare exemplaren van het betreffende nummer in beslag genomen en verbrand. Dat gebeurde met een paar nummers, maar één nummer leidde begin 1921 tot een proces, dat door het blad werd verloren. Aanleiding was een episode van Ulysses (‘Nausicaa’), waarin het hoofdpersonage, Leopold Bloom, van een afstand naar een meisje op het strand kijkt, dat achteroverleunend van vuurwerk geniet. De erotische verlangens en handelingen van Bloom worden suggestief – maar nergens expliciet – verwoord. Het nummer werd onder de aandacht gebracht van de voorzitter van de conservatieve fatsoensclub The New York Society for the Suppression of Vice, John Sumner, die de uitgevers van The Little Review (Margaret Anderson en Jane Heap) liet arresteren. Ze werden veroordeeld tot een geldboete en het staken van de verdere publicatie van Ulysses. In de volgende nummers werd Joyce nog verdedigd, maar de strijdbare slogan op de cover van het blad, ‘Making no compromise with the public taste’, werd voortaan weggelaten.

repressie

In New York was tijdens de oorlog een steeds fanatieker reactionair en repressief klimaat ontstaan. Alles wat afweek van de conservatieve normen (homoseksualiteit, afwijkend gedrag in het openbaar, een vrije seksuele moraal, anti-oorlogsgezindheid) werd door de puriteinse en patriottische New York Society for the Suppression of Vice te lijf gegaan en zo mogelijk onschadelijk gemaakt (opgesloten of naar het front gestuurd). Theaters, badhuizen en gay bars werden uitgekamd op homo’s; theater- en cabaretvoorstellingen gecensureerd. Ook barones Elsa werd regelmatig opgepakt, niet alleen voor winkeldiefstallen, maar ook vanwege haar extreem ongewone voorkomen en gedrag, waarmee ze verdacht werd van spionage – ze was per slot van rekening ook nog eens Duitse, de vijand!

Holy Skirts

Barones Elsa ging werkelijk tegen alles tekeer: mannen die haar hadden afgewezen, vriendinnen die haar hadden laten zitten, zichzelf (armoede, afwijzingen, miskenning), kerk en religie (christendom, jodendom – hierover later meer), Amerikaanse cultuurbarbaren (al vindt ze het ontbreken van culturele ballast in Amerika – en in plaats daarvan de actieve no-nonsense mentaliteit van de Amerikanen – ook juist bevrijdend), de kleinburgerlijkheid, de hypocrisie, het Pruisische, ‘Teutoonse’ volk waaruit zij zelf afkomstig was, de Duitse taal en nog veel meer, vaak in een cynische toon – dus in feite totaal dadaïstisch.

Haar religiehaat komt sterk naar voren in het al genoemde ‘HOLY SKIRTS’ (The Little Review, jul-aug. 1920). Hierbij het begin en een paar strofen:

Thought about holy skirts – to tune of “Wheels are growing on rosebushes.” Beneath immovable – carved skirt of forbidding sexlessness – over pavement shoving – gliding – nuns have wheels.

Undisputedly! Since – beneath skirts – they are not human! Kept carefully empty cars – running over religious track – local – express – according to velocity of holiness through pious steam – up to heaven!

[…]

Why here?
What here for –?
To good? ah –!? hurry – speed up – run amuck – jump – beat it!
farewell! fare–thee–well – good-bye! bye!
ah – bye-ye-ye!

We – of this earth – like this earth!
make heaven here –

take steps here –
to possess bearing hereafter –
dignity.

[…]

(Het hele gedicht in The Little Review hier)

De vrouwelijke machinerie onder de rokken van de nonnen is ontmenselijkt, heeft wielen die met heilige snelheid op weg zijn naar de hemel. Wat gaan ze daar doen? Natuurlijk: een seksueel hoogtepunt beleven met die ‘old son of gun – old acquaintance!’. Maar wat doen ze dan op aarde? Want wij op aarde houden van de aarde, wij maken de hemel wel hier op aarde, dus de groeten, tabee.

clever fakers

The Little Review, oorspronkelijk een maandblad, verscheen nog maar een paar keer per jaar. Margaret Anderson vertrok in 1921 – evenals Duchamp, Man Ray en vele andere kunstvrienden – naar Parijs en liet de redactie over aan haar collega en inmiddels ex-geliefde Jane Heap. Van Elsa von Freytag-Loringhoven werden tussen eind 1920 en eind 1922 geen gedichten gepubliceerd. Ezra Pound kreeg als buitenlandredacteur meer invloed op het blad en stelde voor Francis Picabia als nieuwe buitenlandredacteur aan te stellen. PIcabia stelde het voorjaarsnummer van 1922 samen. Een schitterend nummer met werk van o.a. Picabia zelf (veel beeld en tekst), Apollinaire, Gertrude Stein, Tzara, Cocteau, Mistinguett, Ribemont-Dessaignes. In dit nummer ook Jane Heaps verdediging van DADA en de barones.

Het najaarsnummer van 1922 is gewijd aan de kunstenaar Joseph Stella. Elsa was behoorlijk pissig over de nieuwe, degelijkere en veiligere koers die The Little Review was gaan varen en ging in haar eigenzinnige poëtische stijl flink tekeer over Stella – hij zou meer zakenman dan kunstenaar zijn. Bovendien waren in deze nummers vooral mannen vertegenwoordigd, in haar ogen Duchamp-protégés die ze ‘clever fakers’ noemde. Ze voelde zich zwaar miskend en liet daarover geen misverstand bestaan bij Anderson en Heap.

Uit deze periode zijn veel van Elsa’s gedichten in manuscriptvorm bewaard gebleven, en hieruit blijkt ook dat meestal meerdere versies van haar gedichten bestaan, vaak zes of zeven, soms wel achttien, waarbij ze passages wegliet of toevoegde, titels veranderde etc.

Duits

Interessant is dat van meerdere gedichten ook versies in het Duits bestaan. Dat kunnen oudere gedichten zijn, van vóór Amerika, die ze later zelf vertaalde. Maar het kunnen ook latere gedichten zijn die ze zowel in het Duits als in het Engels schreef. Veelzeggend is, dat zij ook in haar Duitse gedichten grammaticale elementen (lidwoorden, voornaamwoorden, voorzetsels e.d.) schrapte om die gedichten kernachtiger te maken. Overigens vond ze het Engels veel beter en eleganter klinken dan het Duits, dat ze maar een lompe taal vond (behalve op het hoogste niveau als bij Goethe; “wat een vloek om als Duitse geboren te zijn!” schreef ze vanuit Duitsland in een aantekening aan Djuna Barnes bij haar gedicht ‘Falleve’, ca. 1923-1924). Terzijde: of haar regelmatige cannabisgebruik nog invloed had op haar creativiteit – dat wordt door sommigen wel verondersteld.

Claude McKay

Vanaf najaar 1921 bezocht Elsa regelmatig het kantoor van het linksradicale tijdschrift The Liberator, waar de Jamaicaanse dichter Claude McKay mede-uitgever was. Bij een van die bezoeken droeg ze haar gedicht ‘Dornröschen (Thistlerose)’ voor. Ik zou graag weten hoe ze haar gedichten voordroeg, maar ik stel me een uitbundige theatrale performance voor, met haar rauwe zware stem, en expressief als haar gedichten zelf. McKay was in elk geval zo onder de indruk, dat hij het gedicht in januari 1922 in The Liberator opnam.

Djuna Barnes

Een belangrijke steun en toeverlaat was schrijfster-journaliste Djuna Barnes, eveneens uit de kringen van The Little Review – bohemien, vrije moraal, biseksueel. Zij bleef Elsa moreel en financieel steunen, ook nadat Elsa Amerika had verlaten voor Berlijn en ten slotte Parijs. Zij zorgde voor publicatie van enkele van haar latere gedichten. Zij werkte gedurende een groot deel van haar leven aan de bundeling van Elsa’s gedichten en aan haar biografie, die zij beide niet meer heeft voltooid. Zij beheerde de nalatenschap van alle bewaarde manuscripten van barones Elsa, die later werd overgedragen aan de bibliotheek van de University of Maryland. In Barnes’ roman Nightwood (1936) krijgt Elsa een centrale rol toebedeeld.

Van Elsa von Freytag-Loringhoven verschenen in Parijs nog gedichten in (onder andere) de internationale literaire tijdschriften the transatlantic review (1924, dus voordat Elsa zelf naar Parijs was vertrokken) en transition (ook in Parijs opgericht, 1927). In dit laatste blad schreef Djuna Barnes een in memoriam over Elsa, samen met enkele fragmenten uit Elsa’s brieven die over zelfmoord gaan (jan. 1928), en publiceerde zij een foto van Elsa’s dodenmasker (feb. 1928), dat Barnes had laten maken.

antisemitisch?

Ten slotte: was barones Elsa antisemitisch? Ja. Maar dat ‘ja’ moet genuanceerd worden, in de context van tijd en plaats. Hierover meer in het volgende stukje.

TOETJE

KINDLY 

Inspired by J.J.’s “Ulysses”

And God spoke kindly to mine heart –
So kindly spoke He to mine heart –
He said: “Thou art allowed to fart!”                         (f–)*
So kindly spoke He to mine heart.

And God spoke kindly to mine fart –                        (f–)
So kindly spoke He to mine fart –                            (f–)
He said: “Comest from a farting heart!”                   (f–ing)
So kindly spoke He to mine fart.                             (f–)

He said:
“I made –
The foreparts
And the hinderparts –
I made the farts –                                                  (f–)
I made the hearts – – –
I am grand master of the arts!”

He said:
“Ahee!
I made the oyster shit the pearl –                             (sh–t)
I made the boy to screw the girl!”                             (sc–w)
Said He.

*As it can be printed should there arise any objection to candidness.

(ca. 1920-1924)

Literatuur, o.a.:

Irene Gammel & Suzanne Zelazo (ed.), Body Sweats. The Uncensored Writings of Elsa von Freytag-Loringhoven, Cambridge, MA (MIT Press), 2011
Irene Gammel, Baroness Elsa. Gender, Dada, and Everyday Modernity. A Cultural Biography. Cambridge, MA, London, UK (MIT Press), 2002
The Little Review 1914-1922
Kimberly Lamm, ‘Readymade Baroness. The gendered language of Dadaist dress’ Jacket2, 2 juni 2011
Tanya Clement,’The Baroness in little magazine history’, Jacket2, 5 mei 2011
University of Maryland Library: het barones Elsa-archief met manuscripten van meerdere gedichten in meerdere versies
UML (barones Elsa-archief) meer gedichten

Elsa von Freytag-Loringhoven was niet alleen een excentriek wandelend dada-kunstwerk en beeldend kunstenaar (zie het vorige stuk Barones Elsa), maar ook dichter. Een deel van haar gedichten werd gepubliceerd in het eigenzinnige literaire- en kunsttijdschrift The Little Review. Die gedichten zijn prachtig, opzienbarend en verrassend. Compromisloos en controversieel. Hierbij deel 1, over haar kritische en (zelf-)ironische liefdesgedichten gewijd aan Marcel Duchamp en andere mannen. Binnenkort deel 2, over haar gedichten met gevonden materiaal, haar klankgedichten, haar visuele poëzie én over de controverse rond de publicatie van James Joyce’s Ulysses in The Little Review.

The Little Review

Toen barones Elsa in april of mei 1918 voor het eerst de burelen van The Little Review in New York betrad, maakte ze een onuitwisbare indruk met haar verschijning en gedrag. Ze had een gedicht ingestuurd onder een pseudoniem (Tara Osrik), en dat wilde ze even checken. Hoofdredacteur Margaret Anderson geeft van haar entree de volgende beschrijving: na een korte begroeting liep Elsa zelfbewust door naar de boekenkast. Ze droeg een Schotse kilt met plaid en een bolero jasje, een Schotse muts met een veer en meerdere sorbetlepels; ze had kastanjebruin geverfd haar. Haar armen had ze omhuld met goedkope armbanden – zilver-, goud- en bronskleurig, groen en geel. Ze had hoge kousen aan, omzoomd met sierlint; ze droeg grote oorringen van dof zilver en veel ringen om haar vingers. Er bungelden twee versleten thee-eitjes over haar borsten.

gedichten

Elsa’s gedichten werden vanaf juni 1918 regelmatig – onder haar eigen naam Elsa/Else von Freytag-Loringhoven – in The Little Review gepubliceerd. Ze zijn krachtig, direct, expressief en experimenteel. Haar imperfecte Engels maakt ze nog directer en kernachtiger: lidwoorden worden over het algemeen weggelaten (overigens buit ze die imperfectie ook bewust uit – in haar brieven blijkt haar Engels vrij goed te zijn).

Haar gedichten verwijzen veel naar haar persoonlijke gevoelens, naar seks en erotisch verlangen. Zelfs in haar laatste levensjaren, toen ze allang niet meer actief op ‘mannenjacht’ was, schreef ze in haar gedicht ‘A DOZEN COCKTAILS – PLEASE’ (ca. 1923-1927) over dildo’s (‘spinsterlollypop’), vibrators (‘coy flappertoy’) en condooms (‘dandy celluloid tubes’). Het begint zo:

No spinsterlollypop for me – yes – we have no bananas – I got lusting palate – I always eat them – – – – –
[…]

Alle bewaarde gedichten van barones Elsa vanaf haar verblijf in Amerika – bijna honderdvijftig – werden in 2011 bijeengebracht in de schitterende bundel Body Sweats.

Marcel Duchamp

Haar eerste in The Little Review gepubliceerde gedicht heet ‘LOVE – CHEMICAL RELATIONSHIP’ (juni 1918) en gaat over haar fascinatie voor Marcel Duchamp. Het begint als een scenario met de introductie van personages:

UN ENFANT FRANÇAIS: MARCEL (A FUTURIST)
EIN DEUTSCHES KIND: ELSE (A FUTURE FUTURIST)
POPLARS–SUN–A CLAIHIGHWAY.

Het verwoordt de persoonlijkheidsverandering die Duchamp in haar ogen heeft doorgemaakt – van een sensitieve, gepassioneerde persoon tot een kille, gevoelloze kunstenaar, van wie ze desondanks blijft houden. Vroeger kon Marcel genieten van populieren en autowegen, maar nu heeft hij zich van de wereld afgesloten – hij is van glas geworden. Dat glas zou overigens een bewuste associatie met het Grote Glas kunnen zijn, het werk waar Duchamp toen al jarenlang mee bezig was. In veel van haar gedichten combineert ze een onorthodoxe, kale en expressieve zinsbouw met deftig-ouderwets taalgebruik (thine, thou, thee, becamest):

The poplars whispered THINE DREAMS Marcel!
They laughed—they turned themselves—they turned themselves
TO turn themselves—they giggled—they blabbered like thineself—they smiled!
they smiled WITH the sun—OVER the sun—
BECAUSE OF the sun—with the same french lighthearted sensual playful
MORBID smile like thineself—Marcel!

Poplars thou lovedst and straight highways with the smell of poplars which is like leather as fine—like morocco leather in thine nostrils—And thine nostrils are of glass!
Thou seest the smell uprise to the brain!

Sensual thine eyes became—slanting—closed themselves!

Thine smile turned pain—died—
Then thou diedst!

Thereafter thou becamest like glass.
The poplars and the sun turned glass—they did not torture thee any more!
[…]

BUT I LOVE THEE LIKE BEFORE. BECAUSE I AM FAT YELLOW CLAY!
[…]

Yet today I must still love mine LOVE—
I must bleed—weep—love—ere I turn to glass and the world around me glassy!

(Bekijk het hele gedicht in The Little Review hier)

Elsa wilde vele mannen veroveren, maar voor Duchamp voelde ze een uitgesproken passie. Zodra hij haar echter duidelijk had gemaakt dat hij niets van haar avances moest hebben, kon hun relatie op een meer ontspannen, vriendschappelijke basis voortbestaan. Althans, volgens Elsa zelf in een brief uit 1922 aan Jane Heap, mede-uitgever van The Little Review. Zij zou regelmatig lange gesprekken met Duchamp gevoerd hebben, vooral gedurende de periode dat ze hun woon-/werkruimtes in hetzelfde gebouw aan Broadway hadden. Zij noemde hem liefkozend ‘M’ars’, verwijzend naar ‘my arse’ en tegelijk ook naar de oorlogsgod Mars. Maar bij sommige gelegenheden had zij het ook over ‘Marcel Dushit’. Duchamp portretteerde ze ook in twee beeldende werken: de schildering-collage Portrait of Marcel Duchamp (1919) en de assemblage met dezelfde titel (ca. 1920, verloren gegaan).

  

Een ander gedicht dat vermoedelijk over Duchamp gaat is getiteld ‘APHRODITE TO MARS’ (ingezonden voor The Little Review, ongepubliceerd, ca. 1921-1922). ‘Mars’ zou dan naar (naast de oorlogsgod) Marcel verwijzen. Elsa gebruikt hier niet de meer voor de hand liggende Romeinse Venus – zij kent haar klassieken – maar – tegendraads – Aphrodite, de Griekse godin van de liefde, tegenover de Romeinse Mars. Het is een lang gedicht met meestal één woord per regel, anders twee, een enkele keer drie. In een paar jaar tijd heeft zij haar dichtstijl in reductionistische, minimalistische zin ontwikkeld. Ook past zij in dit gedicht (net als in vele andere) veel zelfbedachte samengestelde woorden toe. Die nieuwe woorden kunnen verrassend en surrealistisch uitpakken. Ik laat het begin en het eind van dit gedicht zien.

APHRODITE TO MARS

Flashing blade—
Poniard buried—
High
Flexible tendernessweb
Abdominal
Of
Systems
Equal steel
Shaped
Female

Aflirt
Mars’
Buried blade’s
Keenness’ receptive
Aristocratic
Fit.

[…]

Whence
Aphrodite
I
Hail!

Mistress—Mother—
Master—Mistress—
To man:
Son
Father
Lover
Mate
Victor
Caesar

Flush
Poised
Mars.

‘Victor’ (in het laatste deel; de naam betekent ‘overwinnaar’) was ook een bijnaam voor Duchamp (van de bevriende schrijver-journalist-kunstverzamelaar Henri-Pierre Roché, die er ook nog het koosnaampje ‘Totor’ van maakte). De door haar bedachte samengestelde woorden in dit gedicht zijn: tendernessweb, rimflush, glintedges, octopuslovepillows, suckdisks, clinglust, maturesmiled, rosestrewn, abandonflushed, seaprofound, sapphirescalloped. Elsa’s erotische verlangen naar Duchamp is er nog altijd. Nog een laatste over Duchamp (ook door haar geïllustreerd met een kerkhof van mannelijke geslachtsdelen; ingezonden voor The Little Review, ongepubliceerd, ca. 1921):

GRAVEYARD SURROUNDING NUNNERY    

When I was
Young—foolish—
I loved Marcel Dushit
He behaved mulish—
(A quit.)
Whereupon in haste
Redtopped Robert came—
He was chaste—
(Shame!)
I up—vamps fellow—
Carlos—some husky guy—
He turned yellow—
(Fi!)
I go to bed—saint—
Corpse—angel—nun—
It ain’t
(Fun).

Na Duchamp richtte Elsa haar pijlen van Eros op ‘Robert’ en ‘Carlos’, oftewel kunstenaar Robert Fulton Logan en schrijver William Carlos Williams, van wie ook regelmatig werk in The Little Review gepubliceerd werd. In bovenstaand gedicht – weer met korte versregels – gebruikt zij eindrijm, dat zij niet vaak toepast.

Cast-Iron Lover

Het mei 1919-nummer van The Little Review opent met haar bekendste gedicht ‘MINESELF–MINESOUL–AND–MINE–CAST-IRON LOVER’, negen pagina’s lang. Ook dit is weer gewijd aan een van haar liefdes, de al genoemde roodharige kunstenaar Robert Fulton Logan. Het is in 1917 geschreven, waarschijnlijk tijdens een van haar verblijven in de gevangenis, en in de tijd dat zij model was voor teken- en schilderklassen van Robert Logan. Het gedicht is een dialoog tussen haar lichaam (‘mine body’) en haar ziel (‘mine soul’). De dialoog gaat over de geliefde Robert, over haar gevoel voor hem, haar twijfels, zijn aantrekkelijkheid, zijn hardheid, kilte, zijn levenloosheid (vandaar de ‘gietijzeren geliefde’). Het begint met een ode aan zijn haar, maar al gauw blijkt dat hij zielloos is.

MINE SOUL SINGETH – THUS SINGETH MINE SOUL – THIS IS WHAT MINE SOUL SINGETH:

His hair is molten gold and a red pelt –
His hair is glorious!

Yea – mine soul – and he brushes it and combeth it – he maketh it shining and glistening around his head – and he is vain about it – but alas – mine soul – his hair is without sense – his hair does not live – it is no revelation, no symbol! HE is not gold – not animal – not GOLDEN animal – he is GILDED animal only – mine soul! his vanity is without sense – it is the vanity of one who has little and who weareth a treasure meaningless! O – mine soul – THAT soulless beauty maketh me sad!

“His nostrils” – singeth mine soul – “his nostrils!” seest thou not the sweep of the scythe with which they curveth up his cheek swiftly?

Iron – mine soul – cast-iron! his nostrils maketh me sad! […]

In dit gesprek met zichzelf filosofeert Elsa over de relatie tussen haar verlangende lichaam en haar verstandelijke ziel, hoe ze elkaar beïnvloeden en hoe verschillend ze kunnen zijn in hun logica en gevoel. De ziel vraagt het lichaam waarom het niet ‘vlamt’ maar teleurgesteld lijkt, terwijl het lichaam met onbevredigde verlangens blijft zitten. Kan ‘mijn ziel’ die roodharige vlam niet opnieuw laten opflakkeren, zoals ‘in olden times’? Het lichaam wil de geliefde werkelijk tot leven wekken, de bleekheid verdrijven met de kleur rood, aangemoedigd door de ziel. De geliefde is als een bleke, verborgen, maar majestueuze pad die tot leven gewekt moet worden. Helaas meent de geliefde zelf dat hij een koninklijke, maar rusteloos rondzoemende bij is die zijn ware paddenaard probeert te verbergen. Maar, rusteloze bij of stoïcijnse pad, voor Elsa kan hij zich niet verbergen. Laat de paddenkoning in genot gehurkt op zijn troon blijven zitten.

TOADKING!
BEE IS BEE – – – TOAD IS TOAD – – – WE – MINE SOUL – THE CRIMSON THRONE!
FROM US NO TOAD SHRINKETH – – – JUMPETH AWAY – – – SQUATETH – BASKETH!
FROM US NO TOADKING SHRINKETH!!!
[…]

Het gedicht is expressief, vurig, met veel uitroeptekens, hoofdletters en streepjes. Barones Elsa gebruikt veel streepjes, soms veel achter elkaar – een handelsmerk – om woorden of zinnen extra lading te geven, of een betekenisvolle adempauze in te lassen. Het eindigt vanuit de rol van ‘mine body’ – of vanuit de ‘mineself’ uit de titel:

UPRIGHT WE STAND – – – SLANDER WE FLARE – – – THINE BODY AND THOU – MINE SOUL – – – HISSING! –
THUS – MINE SOUL – IS MINE SONG TO THEE – – – THUS ITS END.

(Bekijk het hele gedicht in The Little Review hier)

Elsa von Freytag-Loringhoven gebruikt een ongebonden, ‘corsetloze’ manier van dichten die weerstand opriep bij het aan traditionele poëzie gewende lezerspubliek. Dus niet alleen vanwege de provocerende en gewaagde inhoud, maar ook vanwege de vorm. Met die vrije, directe, explosieve en op haar leven zelf geïnspireerde gedichten zou je haar (samen met verwante ‘free verse’ dichters als Ezra Pound, William Carlos Williams en Mina Loy) als voorloper van de dichters van de Beat Generation kunnen zien.

Binnenkort deel 2.

Literatuur, o.a.:

Irene Gammel & Suzanne Zelazo (ed.), Body Sweats. The Uncensored Writings of Elsa von Freytag-Loringhoven, Cambridge, MA (MIT Press), 2011
Irene Gammel, Baroness Elsa. Gender, Dada, and Everyday Modernity. A Cultural Biography. Cambridge, MA, London, UK (MIT Press), 2002
The Little Review 1914-1922
Kimberly Lamm, ‘Readymade Baroness. The gendered language of Dadaist dress’ Jacket2, 2 juni 2011
Tanya Clement,’The Baroness in little magazine history’, Jacket2, 5 mei 2011
University of Maryland Library: het barones Elsa-archief met manuscripten van meerdere gedichten in meerdere versies
UML (barones Elsa-archief) meer gedichten

 

Honderd jaar geleden kon je in New York een opvallende verschijning tegen het lijf lopen: een bizar uitgedoste vrouw, een wandelend dadaïstisch kunstwerk – Baroness Elsa von Freytag-Loringhoven, kortweg barones Elsa, ook wel de ‘dada-barones’ genoemd. Een stukje over haar excentrieke verschijningen, haar kunst, haar temperament en haar tragiek. Over haar gedichten en het tijdschrift The Little Review zal ik het in een volgend stukje hebben.

kostuums

Om aan de kost te komen deed barones Elsa modellenwerk voor kunstenaars en fotografen. George Biddle beschreef hoe zij zich bij hem aandiende als model. Ze kwam binnen in een rode regenjas; Biddle wilde haar wel naakt zien. Met een royaal gebaar zwaaide ze haar jas open, waaronder ze bijna naakt verscheen: haar tepels waren bedekt met tomatenblikjes, verbonden door een groen koord. Daartussen hing een piepklein vogelkooitje met een halfdode kanarie erin. Een van haar armen was van pols tot schouder omhuld door gordijnringen van celluloid die ze, zoals ze wat later toegaf, gestolen had uit een meubelshowroom. Daarbij droeg ze een hoed die versierd was met vergulde wortels, bieten en andere groenten. Ze deed die hoed af waaronder een kop met gemillimeterd, knalrood geverfd haar tevoorschijn kwam. Dit was in maart 1917.

Bij een andere gelegenheid – de opening van een tentoonstelling van schilderijen van dezelfde Biddle in 1921 – droeg ze een jurk waaraan ze zo’n zestig tot tachtig speelgoedjes (van lood, tin en gietijzer) had genaaid: popjes, soldaatjes, autootjes, treintjes, muziekdoosjes, naar alle waarschijnlijkheid ook weer meegegrist uit een warenhuis. Een prullenmand als hoed. En ze had zeven kleine, uitgehongerde en verschrikte scharminkels van hondjes bij zich.

Ze kleedde zich niet alleen extravagant voor speciale gelegenheden, je kon haar echt in de meest bizarre uitdossingen tegenkomen, flanerend door de straten van Greenwich Village. Zo verscheen ze in kostuums met papegaaienveren (ze had zelf een papegaai), of met zeventig zwarte en paarse enkelbandjes, een paars-zwarte pruik, vastgemaakt met touwstrengen, en een rode broek; met een in felle kleuren geverfd, kaalgeschoren hoofd, al of niet omgeven door lege sardineblikjes; met theelepels aan haar oren en grote knopen als ringen aan haar vingers; een grote Amerikaanse postzegel op haar wang geplakt; met een op batterijen werkend achterlicht, achter op een zwarte jurk (‘auto’s en fietsen hebben achterlichten, dus waarom ik niet?’). Ook kon je haar tegenkomen met een gipsen afgietsel van een penis.

Voor haar extravagante kostuums werd ze regelmatig gearresteerd. Ook als ze erbij liep in mannenkleren – die vond ze nu eenmaal prettig zitten. Of voor openbare naaktheid, als ze met slechts een Mexicaanse deken om over straat liep. Overigens werd Elsa regelmatig betrapt op winkeldiefstal, met name in de warenhuizen Woolworth’s en Wanamaker’s, waarvoor ze werd opgepakt en gevangengezet in ‘The Tombs’, de bijnaam voor de gevangenis in Manhattan. Daarbij kwam het ook voor dat ze snel en behendig uit een arrestantenwagen ontsnapte, de politie in bewonderende verslagenheid achterlatend.

Barones Elsa was een performancekunstenaar avant la lettre, maar ook beeldend kunstenaar en dichter. Zij was eigenzinnig, tegendraads, oversekst. Sensitief, impulsief, grof. Ze kon lomp en wraakzuchtig zijn.

orgie

Zij verkeerde in New York in dezelfde kunstenaarskringen als Marcel Duchamp, Man Ray en Francis Picabia, met name rond het verzamelaarsechtpaar Walter en Louise Arensberg, die hun huis vooral in de nachtelijke uren openstelden voor kunstenaars en schrijvers, dansers, acteurs, musici, kunstcritici, maar ook zakenmensen en advocaten; waar gegeten en gedronken werd, gedebatteerd, geschaakt, naar muziek geluisterd, gedanst, geflirt (of meer dan dat), ‘in een onwaarschijnlijke orgie van seksualiteit, jazz en alcohol’ (Gabrielle Picabia-Buffet). Tot voor kort was Elsa von Freytag-Loringhoven bij het grote publiek onbekend. De laatste jaren is hierin – terecht – verandering gekomen.

 

Fountain

Aanleiding voor haar toenemende bekendheid is een dit jaar opnieuw opgelaaide discussie over het auteurschap van de beroemd geworden pisbak van Marcel Duchamp, in 1917 onder de fictieve naam Richard Mutt ingezonden voor een tentoonstelling van de Society of Independent Artists in New York. Het werd, ondanks de onafhankelijke en juryvrije basis, geweigerd door leden van het organisatiecomité (waarvan ook Marcel Duchamp en Walter Arensberg deel uitmaakten, die zich na de weigering terstond uit het comité terugtrokken).

In Nederland werd de nieuwe ophef rond het urinoir, medio juni van dit jaar, vooral in de NRC geventileerd, gebaseerd op een gelijktijdig verschenen artikel in kunstmagazine See All This. Daarin wordt gesuggereerd – met veel ‘indirect bewijs’ – dat niet Duchamp zelf, maar barones Elsa de bedenker van dit kunstwerk zou zijn (‘De leugen van Marcel Duchamp’; ‘Duchamps brute daad’: Duchamp zou zich dit werk, waarvan alleen nog de iconische foto van Alfred Stieglitz resteert, dus ten onrechte hebben toegeëigend). Niet ondenkbaar, want Elsa was gefascineerd door (naast seks dus) poep- en piesdingen, en zij had óók tamelijk vrije kunstopvattingen.

Al lijkt het verleidelijk om hierin mee te gaan, ik doe dat niet: de aangedragen argumenten in de richting van de dada-barones snijden geen hout; bewijs is er dus niet voor te leveren, overigens ook niet voor Duchamp als inzender, al past het wel perfect in zijn recalcitrante benadering van de moderne beeldende kunst, en dus ook in zijn oeuvre. Veel wijst erop dat hij, met een aantal medeplichtigen, de inzending van en controverse rond dit object op touw heeft gezet. Ik zal er in een volgend stukje mogelijk nog op terugkomen, maar de belangrijkste bevindingen staan ook in mijn stukje uit 2016 over het urinoir: Duchamp’s Fountain.

assemblages

Elsa von Freytag-Loringhoven maakte assemblages, collages, tekeningen, schilderijen. Daar bestaan niet veel meer van, al is ook niet bekend of ze veel meer gemaakt heeft dan wat er bewaard is gebleven. De kunsthandel – overwegend een mannenbolwerk – zag er in elk geval destijds geen brood in.

Haar bekendste werk is God, een stuk loodgieterswerk: een oude ijzeren zwanenhals, gemonteerd op een houten verstekbak. Lange tijd is dit ten onrechte toegeschreven aan de kunstenaar Morton Schamberg, voor wie deze assemblage als kunstwerk overigens atypisch is. Maar hij was er wel bij betrokken – hij heeft er een foto van gemaakt (met op de achtergrond een werk van hemzelf), en heeft het waarschijnlijk ook gemonteerd. Dit werk vormt een van de pro-Elsa argumenten in de Fountain-discussie: de sanitaire hoofdrol van God (uit 1917, evenals Fountain) zou volgens sommigen makkelijk tot de keuze van het urinoir hebben kunnen leiden. Zij het dat de zwanenhals oud en versleten was en het urinoir fonkelnieuw.

De meeste andere objecten van Elsa zijn aan God verwant: gevonden voorwerpen op een houten basis. Cathedral bestaat uit een verweerd, langwerpig en gelaagd stuk hout, met een ijzeren staafje gemonteerd op een houten blokje. Ter informatie: ‘cathedral’ was ook een bijnaam voor wolkenkrabber. Maar Elsa kon ook in een gevonden voorwerp zelf kunst zien. Zo vond ze in 1913, net in New York, een ijzeren ring op straat die ze de titel Enduring Ornament gaf. Klaar, niks meer aan doen. Ready-made. Mogelijk was zij daarmee de eerste westerse kunstenaar die een gevonden voorwerp tot kunstwerk bestempelde (ter vergelijking: Duchamp had zijn fietswiel ook in 1913 op een krukje gemonteerd, maar nog niet direct met een kunstoogmerk). Dat barones Elsa geen onderscheid maakte tussen kunst en leven, of concreter: tussen een kunstwerk en een mogelijk praktisch gebruik ervan, laten twee van haar objecten zien, die ze ook daadwerkelijk als onderdelen van haar outfits droeg. Earring-Object (c. 1917-19) is een assemblage, gehangen aan een oorbellendisplay. Die droeg ze ook aan haar oor. Limbswish (c. 1920; let op de mogelijke dubbele betekenis: limb-swish/limbs-wish) is een beweeglijke assemblage die ze soms aan haar heup droeg. Conceptueel is haar opdracht aan een vriendin: ‘Sarah, als je een blikje op straat vindt, blijf er dan bij staan tot er een vrachtwagen overheen gereden is. Breng het dan naar mij.’

dada

Over barones Elsa verscheen in 2002 een uitstekende, zeer prettig leesbare en boeiende biografie van Irene Gammel. Die is doorspekt met het woordje ‘dada’ als predicaat voor Elsa’s beeldende werk en gedichten, haar verschijningen, haar manier van doen en haar anti-bourgeois levenshouding. Alleen: Elsa wist waarschijnlijk zelf destijds, tot 1920, nauwelijks iets over dada.

Dada heeft New York nooit kunnen veroveren. Marcel Duchamp – in 1915 vanuit Frankrijk naar New York getrokken – was via Parijse connecties bekend met dada (in 1916 ontstaan in Zürich), maar heeft zichzelf er nooit mee willen afficheren. Behalve dan met de eenmalige uitgave van het blaadje New York Dada (april 1921), samengesteld door Duchamp en Man Ray, en met een pagina gewijd aan barones Elsa: een gedicht en twee portretfoto’s door Man Ray. Maar ‘dada’ zong wel rond in de New Yorkse avant-gardescene. In het juli-augustusnummer van 1920 van The Little Review wordt dada besproken en in verband gebracht met de barones. In het nummer van januari-maart 1921 is het Parijse dada-manifest ‘Dada soulève tout’ opgenomen en in het voorjaarsnummer van 1922 verdedigt Jane Heap het dadaïsme en typeert barones Elsa als volgt: ‘[…] When she is dada she is the only one living anywhere who dresses dada, loves dada, lives dada […]

Niet lang voordat Duchamp en Man Ray in 1921 New York voor Parijs verruilen, werken ze samen met Elsa aan een film: Elsa, Baroness von Freytag-Loringhoven, Shaving Her Pubic Hair. Het ontwikkelen van de film is helaas mislukt, maar de twee (gedeeltelijke) foto’s (die aan filmstills doen denken) van een naakte en geschoren, zelfbewuste Elsa die Man Ray op een brief aan Tristan Tzara plakte, zijn waarschijnlijk uit die sessie. In deze brief beklaagt hij zich over de onmogelijkheid om in New York iets van dada te maken: ‘Cher Tzara – Dada cannot live in New York. All New York is dada, and will not tolerate a rival, – will not notice dada’.

LEVENSVERHAAL

jonge jaren in Duitsland

Elsa’s levensverhaal is op zichzelf al bizar genoeg. Ze wordt in 1874 in het West-Pruisische dorp Swinemünde aan de Oostzee geboren als Else Hildegard Plötz. Haar vader is tiranniek en zelfzuchtig, haar moeder meegaand en ongelukkig. Elsa heeft nog een jonger zusje. Na haar middelbare school mag Elsa in Berlijn naar de kunstacademie, die ze voor een half jaar volgt. Ze is dan zestien en woont in bij een vrijgezelle tante. Elsa’s moeder heeft door haar zwakke fysieke en mentale gesteldheid niet meer de puf om bij haar echtgenoot aan te kloppen voor de rest van de opleiding. Elsa komt weer thuis. Haar moeder probeert zich van het echtelijk juk en ook van het leven zelf te bevrijden, laat alle remmen los en wordt opgenomen in een sanatorium, waar ze zich uitleeft in creatief handwerk, tot verrassing van Elsa samengesteld uit diverse heterogene (ook gevonden) materialen, in plaats van haar vroegere fijne borduurwerk. In dat sanatorium wordt vastgesteld dat ze baarmoederhalskanker heeft. Ze overlijdt als Elsa achttien is.

losbandig

Else Plötz loopt van huis weg na mishandeling door haar vader, en gaat opnieuw bij haar tante in Berlijn wonen, die haar helpt met het vinden van eigen woonruimte. Ze duikt vol overgave in het bruisende Berlijn – cafés, warenhuizen, nachtleven – en leidt een avontuurlijk, op seks geënt leven. Ze verdient geld als naaktmodel. Een eindeloze reeks mannen trekt voorbij, want naar eigen zeggen had ze iedere nacht een andere man, vooral uit het avant-garde kunstenaarsmilieu. Elsa loopt gonorrhoe op en gaat weer bij haar tante wonen. Ze is dan twintig jaar oud. Tante financiert een acteercursus, iets van vastigheid om haar nichtje (tevergeefs) te behoeden voor een al te losbandig leven. Elsa verdiept zich in toneelstukken van bekende auteurs (Goethe, Schiller, Ibsen e.a.) en doorloopt de toneelopleiding succesvol. Maar vlak voor haar slagen weet zij haar tante met een tactloze opmerking zo ernstig te beledigen, dat ze definitief kan vertrekken. Elsa solliciteert bij een vaudeville-groep en wordt showgirl. In deze vrouwelijke erotische omgeving maakt ze ook kennis met lesbische geneugten.

syphilis

Twee jaar later blijkt Elsa syphilis te hebben, wat haar fysiek, emotioneel en financieel tot op de rand van de afgrond brengt, ze kan immers niets meer, laat staan werken in de erotische entertainmentbranche. Ze laat zich in een ziekenhuis opnemen waar ze na een agressieve kwikbehandeling na zes weken van haar ziekte genezen zou zijn. Sterker gedreven om een nieuw leven te beginnen en haar artistieke ambities na te jagen, komt ze in nieuwe avant-gardekringen terecht, met name die rond de schrijver Stefan George en de schilder Melchior Lechter, met wie ze een relatie krijgt, en bij wie haar loopbaan als kunstenaarsmodel vastere vorm krijgt. Lechter vereeuwigt haar in 1896 als een androgyne Orpheus. Elsa zal in de loop van haar leven met haar androgyne uiterlijk blijven spelen.

Italië en München

Als Elsa in 1898 voor twee jaar naar Italië gaat, heeft ze haar extravagante voorkomen al overtuigend weten neer te zetten. Veel kleur, veel sieraden in bijzondere vormen, laarzen, hoeden, oriëntaalse stoffen. Met haar onconventionaliteit maakt ze indruk, op straat en in culturele kringen. In 1900 vertrekt Elsa vanuit Napels naar München. Daar volgt zij teken- en schilderlessen en maakt ze kennis met een nieuwe artistieke avant-garde, waar een anti-patriarchale levenshouding heerst. Bij samenkomsten van deze groep ‘Kosmiker’ dansen de mannen in vrouwenkleren. Er heerst een anti-intellectuele en anti-technologische vrijheidsdrang waarin traditionele rolpatronen niets te vertellen hebben. Vrij seksueel verkeer en gebruik van genotsmiddelen als hasj en cocaïne. Elsa kan daarin voor een deel meegaan, maar voor een deel ook niet: zij verafschuwt al te veel sensualiteit – ondanks haar seksuele lusten vermijdt zij een te fijnzinnig erotisch plezier. Zij neemt de rol aan van een agressief-bezitterige verleidster, die de traditionele conventies binnen de hetero-seks omdraait.

huwelijken

In deze kringen ontmoet ze de architect August Endell, met wie ze in 1901 trouwt. Endell kan echter niet aan haar seksuele verlangens tegemoetkomen. Een jaar later maakt zij kennis met vertaler en schrijver Felix Paul Greve, die met goedkeuring van Endell haar minnaar wordt, nadat ze hem in de heteroseksuele liefde heeft ingewijd. Ze trekken in 1903 gedrieën naar Italië, waar Endell zich snel buitengesloten voelt. Felix Greve heeft veel schulden, komt wegens fraude ruim een jaar in de gevangenis in Bonn, terwijl Elsa in Italië achterblijft en haar seksleven voor een groot deel met homoseksuele mannen beleeft. Ze publiceren samen als ‘Fanny Essler’ een roman over haar seksuele avonturen. Ze trouwen in 1907 na een moeizame echtscheidingsprocedure met Endell. Greve’s gevangenisstraf voorkomt niet dat zijn schuldeisers hem in toenemende mate op de huid zitten.

Amerika

Felix Greve besluit – om aan zijn onmogelijke financiële situatie te ontsnappen – in samenspraak met Elsa in 1909 zijn eigen dood in scène te zetten (‘zelfmoord’), om daarna naar Amerika te vluchten. Elsa volgt hem een jaar later naar Pittsburgh. Een paar maanden na aankomst wandelen ze er samen door een drukke winkelstraat en worden gearresteerd omdat Elsa, een sigaret rokend, in mannenkleren loopt. Na enige tijd runnen ze in Sparta, Kentucky, een kleine boerderij, maar het huwelijk strandt. Greve vertrekt in 1911 plotseling naar het westen waar hij bij een grote bonanza-farm terechtkomt. Het jaar erop emigreert hij naar Canada, waar hij naam zal maken als de schrijver Frederick Philip Grove. Elsa doet modellenwerk voor kunstenaars in Cincinnati. Via Philadelphia bereikt ze New York in 1913, om er een nieuw leven als kunstenaar te beginnen. Ze ontmoet haar derde man, baron Leopold von Freytag-Loringhoven, met wie ze vrij snel trouwt, waarbij ze aangeeft dat ze vrijgezel is en achtentwintig jaar oud in plaats van negenendertig, terwijl ze officieel nog getrouwd is met Felix Greve. Leo heeft geen cent te makken. Elsa werkt intussen in een sigarettenfabriek en als model, onder meer voor Man Ray. Maar ook dit huwelijk is geen lang leven beschoren, want kort nadat baron Leopold zich aan het begin van de Eerste Wereldoorlog vrijwillig voor Duitse militaire dienst meldt, wordt hij krijgsgevangen gemaakt in Frankrijk. Niet lang na zijn vrijlating na vier jaar pleegt hij zelfmoord.

In New York leeft Elsa in armoedige omstandigheden. In Philadelphia ook, als zij er begin 1917 tijdelijk naartoe uitwijkt. Ze slaapt er een periode op bankjes in parken en wast zich in openbare vijvers, waarvoor ze regelmatig gearresteerd wordt. In Philadelphia komt ze in contact met onder anderen de kunstenaars George Biddle (bij wie ze zich als model aanbiedt) en Morton Schamberg (met wie ze de sculptuur God maakt).

Berlijn en Parijs

Korte tijd na het uitbrengen van hun blad New York Dada vertrekken Marcel Duchamp en Man Ray in 1921 naar Parijs, net als vele andere New Yorkse kunstvrienden. Ook Elsa voelt zich in New York steeds minder thuis, en niet gewaardeerd. Zij wil ook naar Parijs, maar kan geen visum krijgen. In 1923 gaat zij terug naar Berlijn, in de hoop op een beter leven, terwijl er juist op dat moment in Duitsland een gigantische economische crisis woedt. Haar vader blijkt haar te hebben onterfd. Ze overleeft er ternauwernood als krantenverkoopster, maar verarmt steeds meer tot op de rand van de waanzin, al krijgt ze wel financiële en mentale steun van haar vrienden uit Amerika. Ze wil weg uit Duitsland, het liefst naar Parijs of anders terug naar Amerika.

einde

Elsa krijgt het in 1926 voor elkaar om naar Parijs te gaan, waar haar kansen lijken te verbeteren. Maar – opnieuw het noodlot – op 14 december 1927 sterft ze, op haar 53ste, samen met haar hondje Pinky, aan de gevolgen van een open gaskraan in haar hotelappartement. Enkele van haar vrienden waren ervan overtuigd dat het geen zelfmoord geweest is, maar dat óf zij zelf vergeten is de gaskraan dicht te draaien, óf iemand anders die juist opengedraaid heeft. Aan de andere kant komen zelfmoord en pogingen daartoe meermaals voor in haar familiegeschiedenis, én ze heeft er ook in brieven en gedichten op gezinspeeld. We zullen het nooit weten.

Bronnen, o.a.:

Irene Gammel, Baroness Elsa. Gender, Dada, and Everyday Modernity. A Cultural Biography. Cambridge, MA, London, UK (MIT Press) 2002
Amelia Jones, ‘New York Dada: Beyond The Readymade’, The Dada Seminars (ed. L. Dickerman en M. Witkovsky), Washington (Nat. Gall. of Art) 2005, p.150-171
Theo Paijmans, ‘Duchamp’s brute daad: Het urinoir is niet van Duchamp’, See All This nr. 10, zomer 2018 (15 juni 2018), p.18-29
Sandra Smallenburg, ‘De leugen van Marcel Duchamp’, NRC , 14 juni 2018
Sandra Smallenburg, ‘Barones Elsa is de ware dada-koningin’, NRC , 28 juni 2018

Deel 2 van een korte George Grosz-biografie. Over zijn aandeel in Dada Berlijn, zijn Ruslandreis, rechtszaken, zijn emigratie naar Amerika, en zijn treurige einde in Berlijn.

Dada Berlijn

Sinds de eerste Berlijnse dada-soiree in april 1918 blijft het een jaar lang stil rond dada. Een avond in maart 1919 van ‘Dadasoph’ Hausmann en ‘Oberdada’ Baader trekt weinig aandacht. Richard Huelsenbeck komt weer op de proppen om dada nieuw leven in te blazen. Eind april organiseert hij met Hausmann en de componist Jefim Golyscheff een soiree met onder meer een ‘Anti-symfonie’ van Golyscheff. Ook deze avond krijgt niet veel aandacht van de pers; het publiek vat de provocaties niet beledigend op, maar meer als grappenmakerij. Dat is niet de bedoeling. Bij een volgende soiree, een kleine maand later, doet Grosz voor het eerst weer mee, al staat hij zelf niet in het programma vermeld. Dit is de avond met het theatrale simultaangedicht ‘Chaoplasma’ (‘met medewerking van 10 dames en 1 postbode’; ‘2 keteltrommen, 10 ratels’), en een dansende Grosz met strohoed en zwart geschminkt gezicht tijdens het stemmen van een cello (zie Zwarte Sjors en Chaoplasma). De laatste Berlijnse dada-soirees, eind 1919, hebben uitgebreide programma’s met veel medewerkers, waaronder de broers John Heartfield en Wieland Herzfelde en de jonge theatermaker Erwin Piscator.

politieke radicalisatie

Intussen zijn de Berlijnse dadaïsten zich, tijdens de politieke onrust na de oorlog en het gedwongen aftreden van Keizer Wilhelm II, in politieke zin gaan radicaliseren. Grosz, Heartfield en Herzfelde worden kort na oprichting lid van de communistische partij van Duitsland. Opstanden van de links-radicale Spartakusbond worden bloedig neergeslagen, de leiders Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht worden vermoord. Het sentiment tegen de autoriteiten en de hypocriete bourgeois-moraal wordt steeds groter. Herzfelde publiceert samen met Heartfield en Grosz meerdere politiek-satirische tijdschriften, die telkens snel door de autoriteiten in beslag worden genomen.

Der Dada

De eerder meestal los van elkaar opererende groepjes Hausmann-Baader-Huelsenbeck en Grosz-Heartfield-Herzfelde vinden elkaar nu beter in dada, zij het niet altijd innig en van harte. Van Hausmanns blaadje Der Dada zijn twee nummers verschenen in samenwerking met Baader (juni en december 1919); Hausmann, Grosz en Heartfield stellen gezamenlijk het derde nummer (april 1920) samen, ludiek van vorm en inhoud (‘DIRECTEURS: groszfield, hearthaus, georgemann’). Een fotomontage van John Heartfield siert de cover, binnenin is werk te zien van Grosz (een aquarel-collage en tekeningen) en Hausmann (een collage en een tekening), verder veel foto’s en lollige teksten, waaronder het ‘Manifeste Cannibale Dada’ van de Parijse dadaïst Francis Picabia.

Dada-Messe

De samenwerking tussen de drie Berlijnse hoofdrolspelers leidt tot een grote dada-tentoonstelling in de zomer van 1920: de Erste Internationale Dada-Messe, ‘Georganiseerd door Marschall G. Grosz, Dadasoph Raoul Hausmann, Monteurdada John Heartfield’. De wanden van de galerie zijn van onder tot boven volgehangen met van alles wat je doorgaans niet op een kunsttentoonstelling zag: affiches met teksten, fotomontages en collages, assemblages, foto’s, reproducties van eigen werk, covers van hun tijdschriften en een paar cartoonachtige schilderijen. Ook een paar ‘verbeterde beelden uit de oudheid’ of ‘gecorrigeerde meesterwerken’: toegetakelde reproducties van oude meesters, zoals Botticelli. Meerdere in samenwerking gemaakte collages en fotomontages (vooral van Grosz-Heartfield) en assemblages. Aan het plafond hangt een pop in een militair uniform met een varkensmasker, gemaakt door Heartfield samen met de schilder Rudolf Schlichter. Op affiches zijn kreten te lezen als ‘DADA is politiek!’, en ‘Iedereen kan DADA’. Zie ook mijn stukje over de Dada-Messe

proces

De Dada-Messe vormt het hoogtepunt en slotakkoord van Dada Berlijn. De inrichting is opzienbarend, het werk verrassend en eigenzinnig, ironisch, sarcastisch, en beledigend voor de autoriteiten. Anderhalve maand na afloop van de tentoonstelling vallen politieagenten Herzfeldes Malik-uitgeverij binnen en nemen de aanwezige prentenmappen én enkele originele tekeningen van Grosz in beslag. De Dada-Messe krijgt alsnog een politiek staartje, want een half jaar later komt het tot een proces wegens belediging van de Reichswehr. Aangeklaagd worden galeriehouder Otto Burchard, als verantwoordelijke voor de tentoonstelling, Johannes Baader omdat hij vanwege de eretitel ‘Oberdada’ als aanvoerder van de dadaïsten wordt gezien, de schilder Rudolf Schlichter als bedenker (met John Heartfield) van de officierspop met varkensmasker aan het plafond, verder George Grosz vanwege zijn antiautoritaire map Gott mit uns, die op de Dada-Messe te koop lag, en Wieland Herzfelde als uitgever daarvan. Ter verdediging van de tentoonstelling en de tekeningen van Grosz in het bijzonder wordt aangevoerd dat het om onschuldige satire en humor gaat. Grosz (‘ontspoorde kunstenaar’) en Herzfelde worden tot geldstraffen veroordeeld, de rest wordt vrijgesproken. In zijn autobiografie Een klein ja, een groot nee kijkt Grosz op dada terug als een gebeuren vol onzin en leut, zonder enige diepere betekenis.

reis naar Rusland

De linkse intellectuelen en kunstenaars in Berlijn volgen de communistische ontwikkelingen in Rusland op de voet. Daar heerst hongersnood, en Lenin vraagt de internationale arbeidersgemeenschap om hulp. Binnen de Internationale Arbeidershulp wordt een Comité Kunstenaarshulp opgericht, met onder anderen Grosz en Piscator. Grosz illustreert een brochure en er worden tentoonstellingen, lezingen en theateropvoeringen georganiseerd. De inkomsten worden afgedragen aan de ‘hongerhulp’. Grosz neemt in de zomer van 1922 met de Deense schrijver Martin Andersen-Nexø deel aan een moeizaam per boot verlopen Ruslandreis, waarbij ze bij aankomst in Moermansk als vermeende spionnen worden aangehouden, om later toch te mogen doorreizen naar Petrograd (Sint-Petersburg). Daar worden ze voorgesteld aan Lenin. Grosz is teleurgesteld: Lenin is klein en ziet er met zijn verzorgde kinnebaardje kleinburgerlijk uit, hij lijkt op de apotheker in Stolp, het plaatsje uit zijn kindertijd. Het Rusland dat hij ziet beantwoordt niet aan het idealistische beeld dat hij voor ogen had. Rusland is geen land voor hem, besluit hij. Hij is ook niet iemand om zich aan een partijdoctrine te onderwerpen. Grosz heeft de tekeningen van twee mappen via de ambassade naar Rusland laten sturen; een deel ervan wordt tegen ramen geplakt om de kou tegen te gaan, een ander deel komt in musea terecht.

nieuwe processen en aanslagen

Grosz gaat onverstoorbaar verder met zijn vlijmscherpe karakteriseringen – vooral in de map Ecce Homo (1923) – van de decadente en hypocriete bourgeoisie, de autoriteiten en het leger, wat weer tot nieuwe, soms eindeloos durende processen leidt. De map Ecce Homo wordt in beslag genomen, Grosz wordt veroordeeld tot een geldstraf en de inbeslagname van 24 van de honderd drukplaten. In het openbaar is hij zijn leven niet meer zeker. Hij wordt met de dood bedreigd, en zou niet zonder lijfwacht over straat kunnen gaan; naar openbare gelegenheden loopt hij omringd door een groep vrienden. Een officier zou tot twee keer toe proberen hem neer te steken, en als een andere militair hem in een restaurant wil neerschieten, treft hij een kelner.

Een van de tekeningen die voor grote ophef zorgen en die weer tot een proces leiden, is ‘Maul halten und weiter dienen (Christus mit der Gasmaske)’ uit 1927, uit de map Hintergrund. Na een jarenlange procesgang met veroordelingen, vrijspraak en weer nieuwe veroordelingen, wordt hij in 1930 vrijgesproken, waarna de openbaar aanklager in 1931 opnieuw beroep instelt en alle betrokkenen (maker, uitgever, drukker, boekhandelaren) sommeert de drukplaat en alle gedrukte exemplaren van de tekening van Christus met het gasmasker te vernietigen. Voordat deze eis weer wordt teruggedraaid, is de drukplaat al vlak geslepen.

theater en film

Het vernieuwende culturele leven in Berlijn bloeit in de jaren twintig sterker dan ooit. Tussen de regisseurs, acteurs, dansers, schrijvers en financiers, die dagelijks in cafés samenkomen, voelt Grosz zich als een vis in het water. Hij voelt zich sterk aangetrokken tot het (sociaalkritische) theater en de film. Hij ontwerpt, voor een deel samen met John Heartfield, toneelbeelden en kostuums, onder andere voor stukken van George Bernard Shaw. Met Erwin Piscator werkt hij samen aan toneel- en (verloren gegane) filmproducties. Bertolt Brecht wil de processen tegen Grosz ensceneren, Grosz wil weer alle stukken van Brecht illustreren. Aan die plannen komt een eind door Brechts vlucht naar Praag in 1932.

Amerika

Voor Grosz betekent het jaar 1932 ook een kentering in zijn leven: hij wordt (samen met twee andere kunstenaars) uitgenodigd voor een gastdocentschap van drie maanden bij de Art Students League in New York. Na deze periode keert hij terug naar Berlijn om zijn definitieve vertrek naar Amerika voor te bereiden. Hij mag er namelijk zijn docentschap voortzetten. Door Time Magazine wordt Grosz verwelkomd als een ‘mild monster’, en The New Yorker karakteriseert hem als ‘een revolutionair van individuele snit’, hij zou immers pessimistisch over (het communistische) Rusland denken en van (het kapitalistische) New York houden. Ook valt op dat zijn tekenstijl steeds minder strak en karikaturaal wordt ten gunste van zachtere contouren en tonen.

Dat komt overeen met zijn eigen bevindingen. Hij heeft Berlijn als teleurgesteld man verlaten: zijn vlijmscherpe commentaren zijn als waarschuwingen in de wind geslagen, hebben misschien zelfs een averechts effect gehad en Hitler populairder gemaakt, meent hij. In Amerika voelt hij niet meer de mensenhaat die hij in Duitsland continu in zich droeg. Hij tekent geen officier, burgerman of societysnol meer, maar passanten op straat. Hij merkt dat ook de eenvoudige Amerikanen geen wrok jegens miljonairs koesteren, maar ze eerder als voorbeelden bewonderen.

Het romantische beeld dat Grosz van Amerika heeft voordat hij er zelf naar emigreert – het moderne leven, de daadkrachtige bedrijvigheid, de gebouwen, het comfort bij de middenklassen – probeert hij er nog zo lang mogelijk vast te houden. Hij laat zich daarbij ook graag in de luren leggen door tijdschriften en reclames die een fantasiebeeld van het geslaagde Amerikaanse leven voorspiegelen, met ideale mannen, vrouwen en gezinnen. Ook al is hij zich die schijnwereld bewust, hij ziet liever mooie sprookjes dan de harde waarheid.

Long Island

Het lukt Grosz maar met mate opdrachten voor illustraties te krijgen, waardoor hij nog niet opnieuw een bestaan als vrij kunstenaar kan opbouwen. Maar met lesgeven verdient hij genoeg. In 1937 kan hij door een tweejarige toelage van de Guggenheim Foundation stoppen met lesgeven, en betrekt hij met zijn gezin een huis in Douglaston, Queens, Long Island. In de zomermaanden tekent en schildert hij lange dagen in de duinen van Cape Cod, om vervolgens lange avonden in zijn atelier door te werken. In Amerika schildert hij vooral landschappen, stadsgezichten, portretten; in de oorlogsjaren nog enkele anti-nazitaferelen en later, sporadisch, ook wat absurdistischer werk.

eenzaam

In Douglaston voelt hij zich eenzaam, hij komt nauwelijks tot contacten in de culturele wereld zoals die in Berlijn. Zijn drankzucht wordt groter. Professionele erkenning krijgt hij wel degelijk. In 1954 organiseert het Whitney Museum of American Art in New York een grote overzichtstentoonstelling van zijn werk, met rond de 120 werken, wat hem overigens geen financieel succes oplevert. In hetzelfde jaar vliegt hij voor het eerst tijdelijk terug naar Duitsland.

In Berlijn wordt hij eervol ontvangen door de senaat. Hij verblijft korte tijd in Londen, waar hij decorontwerpen voor de verfilming van Christopher Isherwoods roman Goodbye to Berlin maakt. Daarna trekt hij toch weer naar het nog steeds verwoeste Berlijn, waar hij bedenkt ‘de ruïnes van Berlijn allemaal kleurig te besproeien met goud en zilverbrons’.

einde

In 1959 wordt hem door het National Institute of Arts and Letters een gouden medaille verleend. De schrijver Arthur Miller wordt ook gefêteerd, in het bijzijn van zijn vrouw, Marilyn Monroe. Grosz vraagt haar om een handtekening. Zij stemt toe, waarna hij zijn mouw hoog opstroopt om door haar zijn arm te laten signeren.

In dezelfde tijd besluit Grosz definitief naar Berlijn terug te keren. Vlak na zijn terugkeer, op 5 juli 1959, spreekt hij in een lokale kroeg af met een journalist en een paar anderen. Grosz speelt vol schwung een enkele memorabele belevenis uit zijn leven na, er wordt veel gedronken, de stemming is uitbundig. Zijn vrouw Eva stelt voor terug naar huis te gaan, maar Grosz vindt dat de mooie avond nog maar net is begonnen, hij wil per se in een andere kroeg nog wat laten zien, daar hangt een foto van hem in bokshouding (Grosz is amateurbokser). Daarna nemen ze afscheid, Grosz houdt nog een lofzang op de dag en de vriendschap, de nacht en de sterren, Berlijn en de mensheid in het algemeen. Hij gaat zijn huis binnen, maar moet toch weer vol optimisme uitgegaan zijn, want een krantenbezorgster vindt hem ’s morgens vroeg in elkaar gezakt op de grond bij een zij-ingang van zijn huis, waarna hij door enkele bouwvakkers naar binnen wordt gedragen. Hij leeft dan nog. Even later moet hij gestorven zijn, gestikt in zijn eigen braaksel.

Al wilde George Grosz na zijn emigratie naar Amerika niet meer de cynische satiricus zijn, toch blijft hij bekend als vlijmscherpe commentator van sociale misstanden, militaire en politieke machtswellust, hypocriete moraal, en: menselijke tekortkomingen. Ecce homo.

Bronnen, o.a.:

Lothar Fischer & Helen Adkins, George Grosz. Sein Leben. Berlijn (Bäßler Verlag) 2017
George Grosz, Een klein ja, een groot nee. Herinneringen. Amsterdam 1978 (vertaling van: Ein kleines Ja und ein grosses Nein. Sein Leben von ihm Selbst erzählt. Hamburg 1955)
Peter-Klaus Schuster (red.), George Grosz: Berlin-New York. Düsseldorf (Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen) 1995
Ariel Alvarez, DADA manieren. Overveen (eigen beheer) 2016

Over de satirische kunstenaar George Grosz is onlangs een uitstekende, herziene biografie verschenen. Deel 1 over zijn jeugd en zijn pre-dada kunstenaarschap. Toch eerst wat dada als inleiding.

eerste dada-soiree in Berlijn

De eerste Berlijnse dada-soiree van 12 april 1918 is volgens het programma nog traditioneel aangekondigd als ‘voordrachtsavond’. Een paar maanden eerder heeft Richard Huelsenbeck, een van de hoofdrolspelers in het Zürichse Cabaret Voltaire (1916; zie Cabaret Voltaire 1 en Cabaret Voltaire 2), op een literaire avond het dadaïsme als nieuwe kunstrichting in Berlijn geïntroduceerd, en er verteld over het dadaïstische spektakel in Zürich. Deze avond in april lijkt op papier ook een gewone voordrachtsavond te worden, met een inleiding van Huelsenbeck zelf, futuristische en dadaïstische teksten, gedichten van George Grosz en een kunstpraatje van Raoul Hausmann.

De avond verloopt verrassend anders. Volgens de recensies is de zaal drukbezocht en raakt het publiek steeds opgewondener. Mensen lopen van de een naar de ander, roken, kletsen, gaan op stoelen staan en schreeuwen, fluiten, of schateren van het lachen. Huelsenbeck leest zijn Dadaïstische Manifest op onverschillig-arrogante toon, en de daarna voorgedragen futuristische en dadaïstische gedichten worden door hem begeleid met trommel en kinderratel. De recensenten zien op deze avond vooral veel sensatie en temperamentvol spektakel. Ze begrijpen dat het de dadaïsten om herrie en ‘een oervorm van artistieke levenservaring’ gaat, en om haat en nijd jegens andere moderne kunstrichtingen. Het dadaïsme zou zelf weinig voorstellen, en is volgens een van de critici niet meer dan ‘de allernieuwste richting van literaire lulkoek’. Daarom moet deze nieuwe richting het vooral van de Italiaanse futuristen hebben én van de cabareteske George Grosz.

voetballen met de hoofden van de toeschouwers

Grosz zorgt voor opwinding met zijn gezongen gedichten, wat een recensent tot de volgende observatie inspireert: ‘Dan speelde George Groß, niggersongs zingend, met Amerikaanse boksertronie, voetbal met de hoofden van de toeschouwers.’ Het publiek is intussen zo rumoerig geworden dat de zaalleiding besluit, uit angst voor agressie, het licht uit te doen. Hierdoor schijnt Raoul Hausmann als laatste spreker niet meer aan bod gekomen te zijn.

Grosz maakt indruk met zijn performances, zoals hij ook – nog altijd – indruk maakt met zijn vlijmscherpe satirische en karikaturale tekeningen en schilderijen uit de jaren tien en twintig van de vorige eeuw.

jeugd

George Grosz wordt in 1893 als Georg Ehrenfried Groß geboren in Berlijn. Na vijf jaar verhuist het gezin – na mislukte ondernemingen van zijn vader (restaurant, boekantiquariaat) – naar het Pruisische stadje Stolp in de streek Pommeren aan de Oostzee (sinds 1945 behoort het gebied tot Polen, het stadje heet nu Slupsk). Georg dompelt zich onder in de tijdschriften in huis, vooral in de vele illustraties van oorlogstaferelen, want oorlog is er altijd wel ergens in een ver land. Als vader Groß twee jaar later onverwachts overlijdt, verhuist het gezin terug naar Berlijn, waar moeder de eindjes aan elkaar probeert te knopen met kamerverhuur, maaltijden en naaiwerk.

school

Georgs eerste schooldag is als een nachtmerrie: hij wordt meteen gepest, zowel door klasgenootjes als door de schoolmeester, omdat hij uit Stolp komt, waar vreemd volk woont. Die ervaring tekent zijn wantrouwende en pessimistische kijk op mensen, en daardoor is hij ook satiricus geworden, meent hij later. Het jaar erop verhuist het gezin opnieuw naar Stolp, omdat moeder er de leiding van het officierscasino kan overnemen. Grosz spreekt van een gelukkige jeugd in het landelijke stadje, waar de natuur altijd dichtbij is. Op zijn middelbareschooltijd in Stolp kijkt Grosz met ironie en afschuw terug: de leraren waren er dictatoriaal, als scholier had je je mond te houden. Die schooltijd eindigt met een klap, letterlijk: een oorvijg van een leraar wordt door Grosz met gelijke munt terugbetaald.

kunstacademie Dresden

Met zijn tekenleraar blijft hij echter contact houden, en door zijn lessen, adviezen, aanmoedigingen én overtuigingskracht naar moeder Groß toe, kan Georg in 1909 op de kunstacademie in Dresden worden toegelaten. Grosz voelt behoefte aan erkenning. Mogelijke ambities in de academische schilderkunst laat hij voorlopig varen ten gunste van tekeningen en cartoons, die hij naar tijdschriften stuurt. Hij signeert zijn tekeningen in hoofdletters waarbij hij de ringel-s (ß) in Groß vervangt door SZ: GROSZ. Die tekeningen krijgt hij steevast teruggestuurd, tot het Berliner Tageblatt er één in zijn satirische bijlage ‘Ulk’ publiceert. Hij studeert in 1911 eervol af aan de academie maar kan als geboren Pruis geen stipendium van het koninkrijk Saksen krijgen.

Berlijnse rafelranden

Het jaar erop verhuist Grosz naar Berlijn, waar hij zich inschrijft voor een grafiekstudie aan de kunstnijverheidsschool. Met een vriend betrekt hij een goedkope woning in Südende, destijds een verre buitenwijk. Daar krijgen ze ook werkelijk te maken met de rafelranden van de stad: vuilnisbelten naast volkstuinen, kermissen met woonwagens, kraampjes en circustenten. En juist de randfiguren van de maatschappij, die je daar tegenkwam, interesseren hem: zwervers, dronkenlappen, uitgestotenen, misvormden, hoeren en artiesten, met een blijvende voorliefde voor clowns en draaiorgelspelers. In zijn tekeningen stort Grosz zich op mensen in dramatische crisissituaties: moord, lustmoorden, maar ook orgiën en haremtaferelen. 

Café Grootheidswaan

Grosz verkeert in de moderne kunstkringen (lees: expressionistenkringen) van Berlijn, die regelmatig in het beroemde Café des Westens – in de volksmond ‘Café Größenwahn’ (‘Café Grootheidswaan’) genoemd – te vinden zijn. Hij zou daar in 1912 zijn opgedoken met wit bepoederd gezicht en rood gestifte lippen, een geruit, gevoerd jasje, een bolhoed en een stok met een ivoren doodshoofdje als knop. Als romantische, idealistische kunstenaar heeft hij een hekel gekregen aan de kleinburgerlijke mens en zondert zich vaak af als een sceptische misantroop. Bij nader inzien (in een beschouwing uit 1923) heeft hij die tijd vanuit enigszins vertekende gezichtshoeken en met oogkleppen op beleefd.

jazz

Hij bezoekt tentoonstellingen van expressionistisch en futuristisch werk in galerie Der Sturm, dat van grote invloed op zijn beeldende ontwikkeling blijkt te zijn. Een andere grote inspiratie is zijn kennismaking met Amerikaanse jazzmuziek. Hij luistert er met vrienden naar, houdt van de ritmes, danst erop. Zelfs zijn tekeningen lijken te dansen op jazzritmes.

oorlog

Het heersende patriottische enthousiasme voor Duitslands oorlogsdeelname, in de zomer van 1914, vervult de pacifist Grosz met grote weerzin. In november van dat jaar meldt hij zich vrijwillig voor militaire dienst – hij zou anders toch wel opgeroepen worden, en zo kan hij bij een regiment van zijn keuze worden ingelijfd. Na een half jaar wordt hij afgekeurd vanwege een voorhoofdsholteontsteking, waaraan hij geopereerd moet worden. Begin 1917 wordt hij opnieuw opgeroepen; na enkele maanden – zijn mensenhaat nadert het kookpunt – wordt hij na een zenuwinzinking enige tijd in een psychiatrische inrichting opgenomen, waarna hij definitief ongeschikt voor militaire dienst wordt verklaard.

Koopman uit Holland

Grosz houdt ervan de boel op stang te jagen. En hij houdt van rollenspellen, zoals die van ‘de koopman uit Holland’. De oorlog kan niet lang genoeg duren, zegt hij, je kunt er immers goed aan verdienen. Zo stelt hij in een kunstenaarsgezelschap voor granaatscherven te laten beschilderen door oorlogsinvaliden, met oorlogslievende teksten in een sierlijk handschrift, zoals ‘Uit een grootse tijd’ of ‘Elke kogel een Rus’ (‘Jeder Schuss ein Russ’). Na steeds luider wordende protesten van de aanwezigen zou hij koeltjes opgemerkt hebben: ‘Mijne heren, vergeet nooit: de wereld leeft van de omzet. De koopman is de ware koning van onze eeuw!’ George Grosz is zelden zichzelf. Intussen heeft hij ook zijn geboortenaam Georg Groß verengelst tot George Grosz, ook qua uitspraak: de ‘o’ in Grosz moet kort klinken, als in ‘los’ (in plaats van ‘loos’) – ingegeven door zowel anti-Duitse neigingen als een fascinatie voor Amerika.

Herzfeld, Herzfelde, Heartfield

De jonge dichter Wieland Herzfeld is zeer onder de indruk van Grosz. Hij is een van de eersten die hem in zijn atelier opzoekt, dat meer weg lijkt te hebben van een rariteitenkabinet dan van een kunstenaarsatelier. Na enig aandringen maakt Grosz de kist open waarop ze net gezeten hebben – die blijkt vol met tekeningen te zitten. Grosz meent dat zijn eigen werk niets waard is. Kunst die niet verkocht wordt, is geen goede kunst, vindt hij. Herzfeld wil hoe dan ook Grosz’ tekeningen publiceren. Wieland besluit samen met zijn vijf jaar oudere broer Helmut, beeldend kunstenaar, een tijdschrift op te richten. Helmut Herzfeld verengelst zijn naam, net als Grosz, uit anti-Duitse gevoelens,tot John Heartfield; zijn broer Wieland voegt aan zijn achternaam een ‘e’ toe: Herzfelde.

Neue Jugend

Het tijdschrift wordt Neue Jugend, een gestaakt scholierenmaandblad dat Herzfelde kan overnemen – de enige manier om de censuur te omzeilen, want een nieuw tijdschrift oprichten blijkt haast onmogelijk in oorlogstijd. Het is opgezet als modern, anti-oorlogsgezind literair tijdschrift, waarvoor Grosz illustraties levert. Al oogt het blad traditioneel, en vallen er uit de gedichten geen directe provocaties aan de autoriteiten op te maken, toch wordt het blad na vijf nummers verboden, want de toon is somber over de oorlog, en een aantal van Grosz’ tekeningen is niet echt militairvriendelijk, op zijn zachtst gezegd. Van Grosz worden ook een paar verfrissende gedichten gepubliceerd, met korte, pakkende zinnetjes en veel uitroeptekens – in futuristische stijl.

Neue Jugend wordt voortgezet als weekblad. Daarvan verschijnen in mei en juni 1917 twee nummers. Om de censuur te misleiden worden ze als ‘reclamebrochures’ aangemerkt. Vorm en inhoud van de weekuitgave zijn radicaal anders geworden. Krant- in plaats van boekformaat, en de vormgeving van John Heartfield is gedurfd en baanbrekend, vooral in het tweede nummer. Tekst en beeld wisselen elkaar dynamisch af, Heartfield maakt speels gebruik van voorhanden drukclichés en ander gevonden materiaal. Van Grosz’ hand zijn ook een aantal ludieke teksten. Overigens is Heartfield voor beide weekuitgaven de verantwoordelijke persoon, omdat broertje Wieland aan het front verkeert.

Op de achterpagina springt een wilde advertentie voor Grosz’ op stapel staande prentenmap Kleine Grosz-Mappe in het oog, vol met gevonden plaatjes. Dit nummer van Neue Jugend heeft als ondertitel Brochure voor de Kleine Grosz-Mappe. Eigenlijk kun je deze uitgave – in vorm én inhoud – al behoorlijk dadaïstisch noemen: speels, ludiek, met een nog niet eerder vertoonde spannende vormgeving. Een derde weekuitgave staat op stapel, maar na de Kleine Grosz-Mappe is het geld op. De tekeningen van deze map hebben typisch Grosziaanse thema’s als het straatgebeuren met cafés, hoerenlopers, valsspelers, moord en doodslag – vooral in de voorstad. 

De samenwerking van Grosz met de broers Herzfelde/Heartfield is zowel belangrijk voor de professionele ontwikkeling van Grosz (én die van Heartfield en Herzfelde), als voor het verloop van Dada Berlijn. Intussen heeft Herzfelde ook een eigen uitgeverij opgericht, de Malik-Verlag, die niet alleen verantwoordelijk is voor de uitgave van Neue Jugend en latere tijdschriften, maar ook voor meerdere van Grosz’ prentenmappen en enkele dadaïstische publicaties in de ‘afdeling Dada’.

schilderijen

Grosz begint nu ook schilderijen te maken, een aantal in vrij grote formaten. Karikaturaal, met strakke lijnen, net als zijn tekeningen. Dynamisch door de schuine lijnen, de perspectivische ruimtes en de veelheid aan typetjes. Voor een deel zijn die schilderijen verdwenen, vermoedelijk hebben die de ‘ontaarde kunst’-zuiveringen van de nazi’s niet overleefd. Een ervan is Deutschland, ein Wintermärchen, dat ook op de beroemd geworden Dada-Messe (zomer 1920; hierover meer in het volgende stukje) te zien is. Sterk maatschappijkritisch met veel ironie. De gegoede bourgeois ziet toe hoe een steeds verdorvener samenleving, geleid door hypocriete en corrupte vertegenwoordigers van kerk, leger en staat, onder zijn voeten uiteenvalt.

In het volgende stukje meer over zijn dada-deelname, de rechtszaken waartoe zijn werk aanleiding gaf, zijn reis naar Rusland, zijn emigratie naar Amerika en zijn treurige einde.

 

 

 

Bronnen, o.a.:

Lothar Fischer & Helen Adkins, George Grosz. Sein Leben. Berlijn (Bäßler Verlag) 2017
George Grosz, Een klein ja, een groot nee. Herinneringen. Amsterdam 1978 (vertaling van: Ein kleines Ja und ein grosses Nein. Sein Leben von ihm Selbst erzählt. Hamburg 1955)
Peter-Klaus Schuster (red.), George Grosz: Berlin-New York. Düsseldorf (Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen) 1995
Ariel Alvarez, DADA manieren. Overveen (eigen beheer) 2016

Nu een stukje over de ‘Dada-veldtocht’ door Holland, een tournee die Theo van Doesburg begin 1923 organiseerde, samen met zijn vrouw Nelly, Kurt Schwitters en Vilmos Huszár. Maar eerst: hoe kwam het tot die veldtocht?

dada-tournee

Zo’n dada-tournee was niet nieuw. Drie van de Berlijnse dadaïsten – Raoul Hausmann, Richard Huelsenbeck en Johannes Baader – hadden na succesvolle soirees en matinees in Berlijn, soms met veel deelnemers op het podium, besloten een tournee door Duitsland en Tsjechië te houden. De optredens verliepen telkens tumultueus, niet in de laatste plaats omdat het publiek verwachtingsvol naar een hoop heibel uitkeek, en daar ook vol overgave aan meewerkte. Op het programma stonden onderdelen als simultaangedichten (waarin de deelnemers tegelijkertijd verschillende teksten voordragen), een absurdistisch simultaangesprek, dada-dansjes, dadaïstische gedichten, voordrachten van semi-politieke, absurde en satirische teksten, en een ‘bruïtistisch’ spektakelstuk, begeleid door allerlei geluiden en lawaai. Mét publieksbeledigingen.

Anti-Dada-Merz

Raoul Hausmann en de Hannoverse ‘merz-dadaïst’ Kurt Schwitters ontmoetten elkaar eind 1918 of begin 1919 in een Berlijns café. Schwitters werd niet toegelaten tot de Berlijnse ‘Club Dada’, omdat hij als te burgerlijk, te commercieel (hij was verbonden aan de vermaledijde expressionistengalerie Der Sturm) en te weinig dadaïstisch-spontaan beschouwd werd; hij doopte al zijn uitingen – schilderijen, tekeningen, collages, assemblages, gedichten, tijdschrift – vervolgens ‘merz’. In het najaar van 1921 besloten zij samen te werken – met Hausmanns vriendin Hannah Höch en Schwitters’ vrouw Helma – aan een ‘Anti-Dada-Merz’-tournee naar Praag, die uiteindelijk in één soiree resulteerde. Het programma leek nog steeds dadaïstisch: Schwitters liet onder andere gedichten horen die op letters, cijfers en ‘oerklanken’ gebaseerd waren, plus een hilarisch verhaal over een man die een volksopstand veroorzaakt door alleen maar ergens te staan. Maar tegelijkertijd rekende dit gezelschap juist af met de destructieve kanten van dada, het wilde bijdragen aan constructievere kunstvormen. Het publiek, dat op dadaïstisch tumult was afgekomen, haakte teleurgesteld af.

Weimar

Theo van Doesburg leerde Schwitters in de zomer van 1921 kennen. Van Doesburg was in Weimar gaan wonen, in de hoop iets voor het Bauhaus te kunnen betekenen. Dat was ijdele hoop. Van Doesburg bleek er – naast een behoorlijk koppig karakter – voor het Bauhaus te radicale kunstopvattingen op na te houden; hijzelf vond dat het kunstonderwijs aan deze instelling nog teveel van een ‘romantische naoorlogse mentaliteit’ getuigde, waarna hij een Stijl-cursus opzette in het atelier van een Bauhaus-student, bijgewoond door studenten en zelfs docenten. Dit zette bij het Bauhaus weer zoveel kwaad bloed dat hij zelfs bedreigd werd. Van Doesburg vervolgde zijn Stijl-campagne in andere plaatsen in Duitsland en België en deed mee aan optredens met Hausmann, Höch en Schwitters.

dada-constructivistisch congres

Eind mei 1922 vond in Düsseldorf een ‘Internationaal congres van progressieve kunstenaars’ plaats – Van Doesburg verveelde zich er stierlijk. Hij vond het een idiote en reactionaire aangelegenheid. Daardoor nam hij – in samenspraak met de constructivisten László Moholy-Nagy en El Lissitzky – het initiatief tot een tweede congres, een ‘Internationaal Constructivistisch congres’ in september 1922 in Weimar. 

Deelnemers aan het dada-constructivistische congres in Weimar, onder wie: Theo van Doesburg (midden, met nummer De Stijl op zijn hoofd), Nelly van Doesburg (links van Theo vD), Tristan Tzara (rechts van Theo vD, geeft kushand aan Nelly vD), Hans en Sophie Arp-Taeuber (rechtsvoor), Hans Richter (op de grond liggend), El Lissitzky (bovenaan met pet en pijp), László Moholy-Nagy (bovenste rij rechts)

Buiten medeweten van de overige betrokkenen om had Van Doesburg voor dit congres de dadaïsten Tristan Tzara, Hans Arp, Raoul Hausmann en Hans Richter uitgenodigd, én Kurt Schwitters. Volgens Moholy-Nagy ontstond bij de verrassende ontdekking daarvan een rebellie tegen Van Doesburg. Het dadaïsme stond immers voor destructieve krachten die ingingen tegen de nieuwe constructivistische tendenzen. Van Doesburg kalmeerde de gemoederen waarna de dadaïsten geaccepteerd werden, zeer tot ongenoegen van de jonge puristen die zich geleidelijk aan terugtrokken, waardoor het congres een vooral dadaïstisch evenement werd. Het vond plaats op 25 en 26 september 1922. Van Doesburg was bekend als voorman van De Stijl, maar dat hij ook een dadaïstische kant had, gerepresenteerd onder zijn pseudoniem I.K. Bonset (zie mijn vorige stukje I.K. Bonset) wist toen nog bijna niemand. Tzara maakte overigens meteen van de gelegenheid gebruik dada als beweging op te heffen – dada was immers ‘nutteloos, zoals alles in dit leven’.

soirees in Weimar, Jena en Hannover

Op de eerste avond van dit dada-constructivistische congres in Weimar, 25 september, organiseerde Van Doesburg er een succesvolle dada-soiree in Hotel Fürstenhof met medewerking van Nelly, Arp, Tzara en mogelijk Hausmann. Of Schwitters op die avond ook van de partij was is niet bekend. Schwitters deed in elk geval twee dagen later wel mee op een soiree in Jena. Het programma werd op 29 september herhaald in Hannover voor een klein publiek van vrienden, collega-kunstenaars (onder wie Lissitzky en Moholy-Nagy) en enkele Bauhaus-studenten.

Over de avond in Jena is een verslag van Bauhaus-student Werner Graeff bewaard gebleven. Hij verhaalt van de voorbereidingen in het atelier van Van Doesburg: Nelly was stukken van Rieti aan het instuderen, ‘Does’ was lichtbeelden aan het ordenen, Arp en Schwitters bogen zich over hun eigen en elkaars gedichten. De avond zelf werd geopend door Van Doesburg met uitgebreide uiteenzettingen over het dadaïsme, bijgestaan door Schwitters die het onrustige publiek tot de orde riep. Nelly speelde de Treurmars voor een vogeltje van de jonge Italiaanse avant-gardistische componist Vittorio Rieti, waarbij het publiek zich niet kon inhouden en begon te sissen en te fluiten. Zij speelde onverstoord en licht geamuseerd verder. Schwitters kreeg de zaal weer rustig, maar bij Arp brak de hel los. Het publiek voelde zich bespot. Opgewonden discussiërend verlieten de toeschouwers de zaal.

de veldtocht

Tijdens een bezoek van Vilmos Huszár, de in Nederland wonende Hongaarse Stijl-medewerker, aan Van Doesburg in Weimar in de zomer van 1922, ontstond het idee ook het Nederlandse publiek met dada te laten kennismaken. Van Doesburg benaderde Schwitters, die enthousiast antwoordde. Hausmann, Arp en Tzara werden gevraagd, en via Tzara ook Georges Ribemont-Dessaignes in Parijs. Alleen Schwitters zegde toe, hij zou toch al naar Nederland komen vanwege een tentoonstelling. Door visum- en/of geldproblemen meldden de anderen zich af.

De eerste avond zou aan Schwitters gewijd zijn op 27 december 1922. Schwitters kon er vanwege paspoort- of visumproblemen niet op tijd bij zijn, waardoor Van Doesburg inviel met de voordracht van gedichten van I.K. Bonset. Op 10 januari 1923 kon de tournee in Den Haag alsnog van start gaan, in de Haagsche Kunstkring. Die avond kan aan de hand van krantenverslagen worden gereconstrueerd. De volgende avond in Haarlem, twee dagen later, is echter nog beter en aansprekender gedocumenteerd. Hetzelfde programma, in een andere volgorde en met enkele variaties.

Haarlem

De soiree vond een dag na die in Den Haag plaats in Zaal Rosehaghe (tegenwoordig Het Zaeltje van dezelfde woningbouwvereniging Rosehaghe) aan de Hoofmanstraat. Met de architect van het sociale woningbouwproject van deze buurt, J.B. van Loghem, was Van Doesburg al jaren eerder in prettig contact gekomen. Van Doesburg benaderde Van Loghem eind december 1922 voor de organisatie van de tournee en voor het vinden van een geschikte locatie in Haarlem. De bouw van dit nieuwe wijkje was eerder dat jaar voltooid. Van Loghem wilde graag meewerken aan de voorbereidingen van deze dada-soiree en benaderde de woningbouwvereniging om gebruik te mogen maken van de gemeenschapsruimte, waar op dat moment nauwelijks iets mee gebeurde. De zaal was geschikt voor een zittend publiek van honderd, hooguit honderdvijfentwintig man. Door veel publiciteit en verslagen van de eerste avond in Den Haag stroomde de zaal al snel vol. Ongeveer tweehonderd nieuwsgierige bezoekers probeerden een plek te bemachtigen. De politie verscheen – overleg, uitstel, overleg – en besloot dat de avond door mocht gaan, mits het staande publiek de zaal verliet, wat onder luid protest gebeurde. Sommige bezoekers hadden feesttoeters en fluitjes bij zich, een tafelbel. Van Loghem zelf verscheen met een hoge hoed waarop hij een miniatuur-stoommachientje van zijn zoontje gemonteerd had.

Op het podium zat, naast een tafeltje met een schemerlamp en een glaasje water, Theo van Doesburg, in een zwart pak met een zwart overhemd en een witte stropdas, witte sokken, lakschoenen, en een monocle voor een oog. Hij begon zijn manifest Wat is dada? voor te lezen, een klein boekje dat voor deze tournee als speciale uitgave van De Stijl ook te koop was. Het begint zo:

Het zal u waarschijnlijk verwonderen, van iemand die aan het dadaisme onschuldig is, van een niet-dadaist een en ander over dada te vernemen.
Dada: de schrik van den clubfauteuil-bourgeois, van den kunstcritikus, van den artist, van den konijnenfokker, van den hottentot, – van wien al niet.
[…]

En zo gaat Van Doesburg nog een tijd door met zijn quasi-verhelderende inzichten in het fenomeen Dada, uiteraard niet gespeend van ironie en tegenspraak. En: ‘dada is géén kunstbeweging.’ Het publiek was zich al gaan roeren met lachsalvo’s, gefluit, geblaf en gemiauw. Daarbij vond Schwitters het nodig Van Doesburg herhaaldelijk te onderbreken door luidruchtig zijn neus te snuiten en door merg en been dringende kreten te slaken, zoals hij op de eerste avond in Den Haag de lezing met krachtig geblaf had verstoord. Ten slotte richtte Van Doesburg zich tot het publiek met de vraag:

Weet U nu wat “dada” is?

Wat door het publiek brullend, proestend en gierend van het lachen met ‘Ja!’ werd beantwoord.

Hierna kwam Nelly op (voortaan vooral als ‘Pétro’ aangeduid) die met haar elegante verschijning de zaal een moment stil kreeg, waarna zij de Bruiloftsmars voor een krokodil van Rieti speelde. Haar optreden werd met luid applaus en bravogeroep begroet. Tijdens de laatste maten was Schwitters, in tegenstelling tot Van Doesburg in ‘gewone’, alledaagse kledij, uit het publiek opgestaan, snoot nog eens toeterend zijn neus en begaf zich naar het podium, waar hij razendsnel een van zijn cijfergedichten voordroeg. Na enig tumult ging hij verder met zijn stuk ‘Ursachen und Begin der grossen glorreichen Revolution in Revon’ (‘Oorzaken en begin van de grote glorieuze revolutie in Revon’). ‘Revon’ was Schwitters’ strijdvaardige benaming voor Hannover: de laatste vijf letters achterstevoren. Het is een lang verhaal, dat gaat over een volksopstand vanwege een man die onbewogen ergens staat. Het begint als volgt.

Das Kind spielte. Und sah einen Mann stehen. ‘Mama’, sagte das Kind; die Mutter: ‘Ja’ – ‘Mama’ – ‘Ja’ – ‘Mama’ – ‘Ja’ – ‘Mama, da steht ein Mann!’ – ‘Ja’ – ‘Mama, da steht ein Mann!’ – ‘Ja’ – ‘Mama, da steht ein Mann!’ – ‘Wo?’ – ‘Mama, da steht ein Mann!’ – ‘Wo?’ – ‘Mama, da steht ein Mann!’ – ‘Wo steht ein Mann?’ – ‘Mama, da steht ein Mann!’ – ‘Ach was!’ – ‘Mama, da steht ein Mann!’ – ‘Lass doch den Mann stehen.’ – ‘Mama, da steht ein Mann!’ Die Mutter kommt. Tatsächlich steht da ein Mann. Merkwürdig, was mag der da wohl zu stehen haben? Man sollte doch lieber den Vater mal rufen. Die Mutter: ‘Vater!’ – ‘Jawohl’ – ‘Vater, da steht ein Mann!’ – ‘Jawohl’ – ‘Vater, da steht ein Mann!’ – ‘Lass ihn stehen.’ – ‘Vater, da steht ein Mann!’ – ‘Was will denn der Mann?’ – ‘Das weiss ich nicht, frag ihn doch mal!’ – ‘Lass doch den Mann stehen!’ […]

En zo gaat het verhaal over de man die maar staat te staan eindeloos door. Aansluitend op dit verhaal van een half uur bracht hij nog een tekst, een dialoog over een kachel, die nog succesvoller bleek dan zijn vorige.

pauze

Het publiek oefende in alle mogelijke geluiden, de performers sleten hun koopwaar: tijdschriften, boekjes, kaarten. Na de pauze speelde Nelly weer een stuk van Rieti, de Treurmars voor een vogeltje, dat bijna naadloos overging in een stuk van Chopin. Schwitters, die al een tijdje naast de piano stond, droeg hierbij een Duits gedicht voor. Het verwonderde publiek barstte na afloop weer in daverend gelach uit, dat niet ophield toen Schwitters ironisch opmerkte dat zelfs een gedicht van de klassieke Heinrich Heine grote hilariteit opwekte. Schwitters ging, begeleid door Nelly op de piano, door met een karakteristiek Schwittersgedicht, met als eerste regels: 

Was kräuselst du dein Hä-är-chen,
Eins zwei drei ja Hä-är-chen,
Wenn du einen an-dern liebst?
[…]

Daarbij begeleidde hij zich op een ‘kinderharp’, volgens de beschrijving een als een ratel ronddraaiende koker met van binnen metalen ‘tongen’ die een rondzingend geluid voortbrachten. Na enkele abstracte klankgedichten vertolkte hij ‘An Anna Blume’. Het publiek joelde vrolijk voort.

mechanische pop

 

 

 

 

 

 

 

 

Schwitters vervolgde met zijn gedicht ‘Wand’, dat bestaat uit de herhaling van het Duitse woord ‘Wand’ in enkel- en meervoud (Wände). Hierbij werden de zaallichten uitgedaan. Het publiek werd opnieuw verrast: op een groot wit doek kreeg het de projectie van een mechanische pop te zien, met rode en groene kleurvlakken. Een geometrisch geabstraheerde mensfiguur die als een robot zijn armen en benen boog en strekte. Ook de ogen, één rood en één groen, konden open en dicht. De strakke bewegingen werden van onderen bediend met een toetsenbord. De maker: Vilmos Huszár, titel: ‘Simultaneïstisch-méchanische dans’. Tussendoor vervolgde Schwitters zijn programma met zijn ‘Urlauten’, uit klinkers bestaande kreten, waarbij hij met trommelstokken op de klep van de vleugel roffelde, Nelly met castagnetten klepperde en Theo van Doesburg een grote handclaxon liet toeteren. Een complete heksenketel, met het gebrul en gejoel van het publiek erbij. Na afloop van deze voorstelling oogstte Huszár groot applaus.

De avond eindigde met Nelly op de piano, die een derde stuk van Rieti speelde, Militaire mars voor de mieren, en de Ragtime Parade van Erik Satie, voor de gelegenheid omgedoopt tot Dada Ragtime.

overige plaatsen

Na Haarlem werd de Veldtocht verder voortgezet langs meerdere plaatsen in Nederland, onder meer in Amsterdam, Den Haag, Utrecht, Rotterdam en Leiden. Soms was Huszár er niet bij, soms speelden Van Doesburg en Schwitters samen, of Nelly met Schwitters. Enkele keren verzorgden ze de avonden ook solo. Het laatste optreden van de tournee werd door Schwitters solo verzorgd in Drachten (13 april, Hotel De Phoenix). Inmiddels waren Theo en Nelly van Doesburg alweer uit Nederland vertrokken. Dit laatste Schwitters-optreden in Drachten wordt wel eens als laatste dada-actie in het algemeen bestempeld.

Het programma van de gezamenlijke optredens was in hoofdlijnen gelijk, maar de volgorde kon per plaats verschillen. De samenstelling overigens ook, want zowel Nelly als Schwitters had een uitgebreid repertoire op zak. Ook Van Doesburg kon per avond verschillende gedichten (al of niet van I.K. Bonset) voordragen. Nelly speelde ook werk van onder meer de moderne componisten Honegger, Milhaud en Poulenc. De mechanische pop van Huszár werd soms alleen door Nelly van Doesburg op de piano begeleid. Zij begeleidde ook wel eens Theo van Doesburg’s inleiding door in onbeweeglijke pose, als een tableau vivant, een rood lampje in haar hand aan en uit te doen.

publiek

Over het publiek wordt in de kranten gemeld dat het over het algemeen rumoerig en vrolijk was met flauwe opmerkingen, maar ook dat het nogal kritiekloos was, al kon er ook ruzie ontstaan tussen bezoekers die het gebeuren vol nieuwsgierige belangstelling volgden en anderen die zich volledig bekocht voelden – de entreeprijzen waren immers aan de hoge kant. Soms speelde het publiek een hoofdrol, niet alleen door die met gelach, gebulder, gesis, geklap, gestamp, geblaf en gemiauw, met fluitjes en bellen op te eisen, maar ook kwam het voor dat een paar toeschouwers op het toneel verschenen om er een ‘dadaïstische’ act op te voeren. Over het Utrechtse optreden schreef Schwitters in het eerste – ‘Holland Dada’ – nummer van Merz, dat het op een gegeven moment ophield publiek te zijn: een man in smoking betrad het podium en las een manifest, er werd een reusachtige laurierkrans, afkomstig van een begraafplaats, op het podium geplaatst om dada te gedenken. ‘We konden een sigaret aansteken en toekijken, hoe het publiek in plaats van ons aan het werk was. Het was een verheven moment. Ons bewijs [dat het publiek dada was] was compleet.’ Die soiree was voor Schwitters dan ook ‘de mooiste belevenis van de tournee’, en ‘een ongekende dadaïstische triomf.’

Ingekorte en bewerkte versie van het hoofdstuk ‘Holland’ uit mijn boek DADA manieren.

Literatuur, o.a.:

Ariel Alvarez, DADA manieren. Een overzicht. Overveen, 2016
K. Schippers, Holland Dada. Amsterdam, 1974, 2000
W. de Graaf, In Haarlem snoot ik mijn neus zei Schwitters me. Dada in de Spaarnestad. Een reconstructie. Haarlem, 1987
Theo van Doesburg/Kurt Schwitters (red. Hubert van den Berg), Holland’s bankroet door Dada. Documenten van een dadaïstische triomftocht door Nederland. Amsterdam, 1995
Hubert van den Berg, DADA. Een geschiedenis. Nijmegen, 2016
Marc Dachy, Dada & les dadaïsmes. Parijs, 1994, 2011
Digital Dada Library: Merz, nr. 1, jan. 1923