Post Tagged ‘De Stijl’

Theo van Doesburg

Dada bereikt ook Holland. Zij het pas laat, als dada als ‘beweging’ internationaal eigenlijk al lang voorbij is. Theo van Doesburg organiseert in 1923 een ‘Dada-Veldtocht’ door Holland, samen met zijn vrouw Nelly, Kurt Schwitters en Vilmos Huszár. Daarover een volgende keer meer. Nu eerst een stukje over Van Doesburgs ‘dadaïstische’ alter ego I.K. Bonset.

Theo van Doesburg, baas van De Stijl, maakt rond het einde van de Eerste Wereldoorlog kennis met enkele internationale dadaïstische publicaties, die hij krijgt toegestuurd voor zijn blad De Stijl. Maar pas begin 1920 leert hij in Parijs dada beter kennen. Hij logeert er bij zijn vriend en Stijl-collega Piet Mondriaan, woont een of twee dada-matinees bij en ziet op een grote groepstentoonstelling onder andere werk van de dadaïst Francis Picabia – schilderijen met machine-verbeeldingen – waarvan hij bijzonder onder de indruk is. Van Doesburg begint een correspondentie met Picabia, waarin hij uitvoerig wordt geïnformeerd over dada en over Tristan Tzara, die het dadaïsme kort daarvoor vanuit Zürich naar Parijs heeft meegenomen.

Piet Dada

Van Doesburg, pleitbezorger van de strenge en utopische Stijl-principes, raakt steeds meer geïntrigeerd door het tegendraadse en ontregelende dadaïsme. Zijn enthousiasme slaat zelfs over op de dogmatische Mondriaan, die zijn brieven enige tijd doorspekt met ‘dada’ en zelfs ondertekent met ‘Piet Dada’. Overigens is het dadaïsme voor Mondriaan wel meer dan een bevlieging: hij meent in dada een streven te herkennen om – net als De Stijl – tradities weg te doen, en af te zien van de ‘natuur’ (of de waarneembare werkelijkheid) als uitgangspunt voor beeldende kunst. Kunst moet alleen naar zichzelf verwijzen en niet naar de natuur. En schoonheid moet niet alleen in de kunst, maar vooral in het leven zelf gerealiseerd worden. Daarbij gaan de dadaïsten hem bij nader inzien nog niet ver genoeg, aangezien ook zij in hun beeldende werk meestal toch naar de waarneembare werkelijkheid verwijzen. Uiteindelijk is Mondriaan binnen een jaar wel klaar met dada.

manifest

De reden waarom Van Doesburg en Mondriaan in Parijs bij elkaar komen, is het opstellen van het tweede manifest van De Stijl, dat medeondertekend wordt door de experimentele Tilburgse dichter Antony Kok. Het manifest is gericht op een nieuwe literatuur, is verschenen in De Stijl van april 1920 (3e jaargang, nr.6), en begint zo:

MANIFEST II VAN “DE STIJL” 1920 

DE LITERATUUR

het organisme van onze hedendaagsche literatuur teert nog geheel op de sentimenteele gevoelens eener verzwakte generatie

 HET WOORD IS DOOD

 de naturalistische cliché’s en de dramatische woordfilms
                                    die de boekenfabrikanten ons leveren
                                    per meter en per pond
bevatten niets van de handgrepen van ons leven

 HET WOORD IS MACHTELOOS

 de asthmatische en sentimenteele ik- en zij-poesie
                                    die overal
                                    en vooral in holland
nog gepleegd wordt onder de invloeden van een ruimteschuw individualisme
                                    gegist overblijfsel van een verouderden tijd
vervullen ons met weerzin 

de psychologie in onze romanliteratuur
                                    slechts berustend op subjectieve inbeelding
de psychologische analyse
en meer belemmerende spraakrhetoriek
hebben ook de BETEEKENIS VAN HET WOORD GEDOOD
[…]

Vervolgens gaat het over de oude literatuuropvattingen omtrent zinsbouw en dikke boeken, analoog aan de oude levensopvattingen, waar dus verandering in moet komen:

de nieuwe levensopvatting berust op de
DIEPTE en de INTENSITEIT
zóó willen wij de poesie

om de menigvuldige gebeurtenissen
                                    om en door ons heen
literair te construeeren
is het noodig dat het woord
                                    zoowel volgens het begrip als volgens de klank
hersteld wordt
[…]

Er moet geen onderscheid meer bestaan tussen proza en poëzie, en tussen inhoud en vorm; de moderne schrijver

zal geen handeling beschrijven
hij zal in het geheel niet beschrijven
maar SCHRIJVEN zal hij

het collectief der handelingen herscheppen tot woord:
constructieve eenheid van inhoud en vorm

wij rekenen om de moreele en aesthetische medewerking van hen die medewerken aan de geestelijke hernieuwing der wereld.

   

verdorven taal

Deze opvatting over de waarde van het woord doet denken aan die van de dadaïsten van het eerste uur in het Cabaret Voltaire (1916). Oprichter Hugo Ball droeg in een kartonnen kostuum enkele van zijn klankgedichten voor, bestaande uit woorden in een fantasietaal. Voorafgaand aan deze voordracht hield hij een korte inleiding. Daarin verbond hij de abstractie en betekenisloosheid van zijn klankgedichten met een kritiek op de ‘verdorven’ taal zoals die bijvoorbeeld in de journalistiek gebruikt wordt. Deze taal is immers ook de taal van de oorlogsvoering, van de propaganda, en van opgedrongen maatschappelijke waarden. Tegen die gangbare, verdorven taal zette Ball zich af door zich terug te trekken in een nieuwe dichttaal, en daarin de toekomst van de poëzie te zien:

Trek je terug in de meest innerlijke alchemie van het woord, geef het woord zelf ook maar prijs, en behoud zo de allerheiligste plek voor de poëzie. Zie ervan af uit de tweede hand te dichten, door woorden over te nemen (om van zinnen maar helemaal te zwijgen), die je niet gloednieuw voor eigen gebruik hebt uitgevonden. (Ball, dagboekaantekening 24 juni 1916)

‘Manifest II’ van De Stijl laat vergelijkbare opvattingen zien: zet je af tegen de oude literatuur- en levensopvattingen, zie af van clichés en goedkoop sentiment, sta midden in het leven. Klinkt als een dadaïstische overtuiging. Toch had Van Doesburg op dat moment nog niet van Hugo Ball en Cabaret Voltaire gehoord.

Bonset en De Stijl

In het volgende nummer van De Stijl (mei 1920) wordt de daad bij het woord gevoegd. Van ene I.K. Bonset staat op de voorpagina het gedicht ‘X-BEELDEN’. Dat laat weliswaar geen abstracte, betekenisloze woorden zien zoals in de klankgedichten van Hugo Ball, maar wel bestaande woorden en klanken in een ongebruikelijke, irrationele context, vergelijkbaar met de gedichten van Hans Arp, Richard Huelsenbeck en Tristan Tzara in hun Cabaret Voltaire-periode.

In De Stijl maakt Van Doesburg nu en dan melding van dadaïstische uitgaven en tentoonstellingen. Zijn interesse in dada blijft groeien, hij correspondeert veel met Tzara, en publiceert dus gedichten onder de naam I.K. Bonset (anagram voor ‘Ik ben sot’) in De Stijl. Het contrast tussen Van Doesburg als voorvechter van de strenge vormprincipes van De Stijl, en zijn dadaïstische alter ego I.K. Bonset, lijkt niet groter te kunnen zijn.

Toch zijn er wel degelijk overeenkomsten. Beide avant-gardebewegingen streven een breuk met voorgaande, gevestigde en commercieel geworden kunststromingen na (denk aan kubisme en expressionisme). Bij dada leidt de afbraak van bestaande kunstconventies tot protest, herrie, ludieke en provocerende (maar ook doodernstige) uitingen, en ook tot experimenteel nieuw beeldend werk, maar niet tot nieuwe, vastomlijnde vormprincipes. De Stijl gebruikt echter juist die breuk met oude richtingen om nieuwe vormprincipes in alle kunstdisciplines toe te kunnen passen.

In beide bewegingen wordt een verwevenheid tussen kunst en leven nagestreefd: de dadaïsten willen midden in het spontane leven staan en hun kunstuitingen daarop baseren; voor De Stijl geldt een andere vorm van verwevenheid: het nieuwe beeldende werk, de ‘Nieuwe Beelding’, moet ten dienste staan van de ‘nieuwe’ mens in zijn nieuwe omgeving, door dat toe te passen op architectuur, meubels, serviesgoed en alles wat maar mogelijk is om het toekomstige leven van de mens te veraangenamen en te verfraaien.

hoe dada is Bonset?

Van Doesburg kan zijn rebelse, speelse en irrationele kanten kwijt in zijn ‘dadaïstische’ alter ego I.K. Bonset. Maar tegelijkertijd kan hij het fenomeen dada slechts van een afstand bekijken, eenvoudigweg omdat hij geen deel uitmaakt van een dada-beweging, al blijft zijn enthousiasme voor dada groot. Bovendien corresponderen Bonsets gedichten met de uitgangspunten van het hierboven genoemde ‘Literatuur’-manifest van De Stijl – dus zijn poëzie is óók als constructivistisch te beschouwen. Immers: zoals voor De Stijl in de schilderkunst lijn en vlak los van betekenis gebruikt worden, zo moet het woord ook als zelfstandig element los van zijn betekenis gebruikt worden. Je zou het ook zo kunnen zien, zoals Kurt Schwitters later aangaf: de anarchie en banaliteit van dada kunnen een sterke wil tot een nieuwe, constructieve kunst (in dit geval: De Stijl) opwekken.

De Stijl wijdt een heel nummer (4e jg, nr.11, nov. 1921) aan de poëzie van I.K. Bonset: ‘Anthologie-Bonset’. Hierin is een variatie aan gedichten te zien, van ‘Letterklankbeelden’ tot weer een van zijn irrationele ‘X-Beelden’, van klanknabootsingen – het stappen van een paard, geluiden van een trommel – tot meer associatieve gedichten. Met veel aan het futurisme ontleende typografie: grotere en vettere woorden of letters, onderstrepingen, schuin geplaatste woorden – een aantal van die gedichten doet denken aan Paul van Ostaijen.

Mécano

Van Doesburg weet intussen wel dat Bonset onvoldoende tot zijn recht komt in De Stijl. Bonset en De Stijl passen niet heel goed bij elkaar, want het tijdschrift De Stijl is vanzelfsprekend een spreekbuis van De Stijl als beweging, met een nadruk op serieuze uiteenzettingen en illustraties van vormprincipes. Om toch zijn meer dadaïstische neigingen te kunnen uiten, begint hij in 1921 een nieuw tijdschrift, Mécano, waarvan het eerste nummer in januari 1922 uitkomt. Er verschijnen vier nummers van, die elk een titel meekrijgen naar de kleur van het papier: ‘Geel’ (januari 1922), ‘Blauw’ (juli 1922), ‘Rood’ (met de toevoeging ‘3’, c. oktober 1922) en ‘Wit’ (een dubbelnummer met de toevoeging ‘4/5’, januari 1924). Het is in vorm en inhoud een prachtig dadaïstisch blad, dat bestaat uit één aan beide kanten bedrukt vel papier van 32×50 cm, dat drie keer dubbelgevouwen wordt. Literair chef (‘gérant litéraire’) is I.K. Bonset, beeldmonteur (‘mécanicien plastique’) Theo van Doesburg – zo komen beide persoonlijkheden in dit medium samen. ‘Administratie en vertegenwoordiging voor Holland’ zijn gevestigd bij De Stijl. Bonset/Van Doesburg omschrijft Mécano als ‘een internationaal tijdschrift voor spirituele hygiëne, gemechaniseerde esthetica, en neo-dadaïsme’.

Tekstuele en visuele bijdragen komen van bekende internationale dadaïsten (en een paar futuristen) zoals – naast I.K. Bonset en Theo van Doesburg – Umberto Boccioni, F.T. Marinetti, Paul Eluard, Francis Picabia, Man Ray, Tristan Tzara, Georges Ribemont-Dessaignes, Gabrielle Buffet (de vrouw van Picabia), Serge Charchoune, Raoul Hausmann, László Moholy-Nagy, Max Ernst, Benjamin Péret, Kurt Schwitters, Georges Vantongerloo, Cornelis van Eesteren én Piet Mondriaan.

collages

Van I.K. Bonset zijn ook dadaïstisch ogende collages bekend, gemaakt tussen 1920 en 1925. Soms zijn ze vol met knipsels (zoals bij Kurt Schwitters), soms ook eenvoudig en subtiel (zoals bij Hannah Höch), maar steeds weloverwogen gecomponeerd.

   

                         
Als Bonset kan Van Doesburg los gaan door iedereen die hem niet zint (qua mentaliteit, denkbeelden, persoonlijkheid, etc.) met grof taalgebruik te schofferen. Hij kan er toch niet persoonlijk op worden aangesproken. I.K. Bonset is overigens niet zijn enige dadaïstische pseudoniem.

Aldo Camini

Op het atelier van de futuristich-metafysische schilder Carlo Carrá in Milaan zou Van Doesburg het manuscript van een roman van de ‘totaal onbekende schilder-schrijver’ Aldo Camini hebben gevonden. Die roman publiceert hij vanaf mei 1921 in De Stijl onder de titel Caminoscopie, ’n antiphilosofische levensbeschouwing zonder draad of systeem. Literatuur moet immers, volgens Van Doesburg, geen filosofie zijn. Tussen haakjes: de naam Theo van Doesburg is ook al niet zijn echte naam. Zijn geboortenaam luidt: Christian Emil Marie Küpper. Roepnaam Emil.

onthulling

I.K. Bonset is in De Stijl altijd een buitenbeentje gebleven, de Stijl-leden weten niet goed wat ze met deze mysterieuze dichter-kunstenaar aan moeten. Op enkele vertrouwelingen na (Antony Kok, de architect J.J.P. Oud, Van Doesburgs vrouw Nelly en Kurt Schwitters) vernemen de meeste betrokkenen bij De Stijl pas na Van Doesburgs dood in 1931 dat het om één en dezelfde persoon gaat. Al geeft Kurt Schwitters in het vierde nummer van zijn blad MERZ (juli 1923) al op zijn onnavolgbare, humoristische manier een aanwijzing: ‘[…] dass DE WELEDELGEBOREN HEER THEO VAN DOESBURG nie existiert hat. Aus dem Namen SODGRUBE entstanden, ist er ein schlecht enthüllter Speudonym für J. K. BONSET’.Literatuur, o.a.:

Ariel Alvarez, DADA manieren. Een overzicht. Overveen, 2016
K. Schippers, Holland Dada. Amsterdam, 1974, 2000
Theo van Doesburg/Kurt Schwitters (red. Hubert van den Berg), Holland’s bankroet door Dada. Documenten van een dadaïstische triomftocht door Nederland. Amsterdam, 1995
Hubert van den Berg, DADA. Een geschiedenis. Nijmegen, 2016
Dawn Ades (ed.), The Dada Reader. A Critical Anthology. Chicago/Londen, 2006
Digital Dada Library: De Stijl

 

Advertenties

Holland Dada Drachten cat omslag GG Ghosts 1934 30%Honderd jaar DADA wordt groots geëerd in Drachten. In Drachten? In Drachten. Dr8888. De tentoonstelling Holland Dada & the International Context loopt.

De opening op 23 april werd in Museum Dr8888 zelf ingeluid met een voorstelling van Professor Russolo & His Noise Intoners. Een absurd visueel spektakel met vindingrijke kostuums, decorstukken en rekwisieten rond een schaakspel en een geroosterde dodo. Sterke dynamische lichteffecten en een prachtige muziekscore. Let op: de voorstellingen zijn elke laatste zaterdag van de maand gratis te beleven in het museum.
Aan het eind van het officiële openingsprogramma diezelfde middag, in cultureel centrum De Lawei, hield de wethouder van Cultuur een openingspraatje dat meteen gevolgd werd door een dadaïstische performance van ondergetekende met een zestal handlangers, inclusief de wethouder zelf. Klinkende klinkers, ratelende ratels en een chaotisch simultaangedicht. Leuk, maar dit terzijde.

Hoezo Drachten, trouwens, of all places? Wat heeft Drachten met dada, en wat heeft dada met Drachten?

Theo van Doesburg

VoorTheo van Doesburg maaier 1921 de Drachten-connectie zijn allereerst een paar ontmoetingen van De Stijl-voorman Theo van Doesburg van belang, ontmoetingen die uitmondden in langdurige vriendschappen. In zijn Tilburgse militaire diensttijd leerde hij, naast de Tilburgse protodadaïstische dichter Anthony Kok, ook de Drachtster schoenmaker en dichter Evert Rinsema kennen. Van Doesburg werd later door Rinsema in Drachten uitgenodigd waar hij kennismaakte met Everts broer Thijs, ook schoenmaker, en schilder. Daar ontmoette hij vervolgens de architect C.R. de Boer, met wie hij in 1920-21 samenwerkte om gevels en interieurs van woningen en een school in de kleuren en vormgeving volgens zijn Stijl-principes te ontwerpen. Te revolutionair voor Drachten, want de kleuren moesten er van de bewoners het jaar erop alweer af. ‘Papegaaienbuurt’, zo was het buurtje inmiddels gedoopt. In 1988 werden de Stijl-kleuren weer in ere hersteld. In elk geval was de relatie Van Doesburg-Drachten gevestigd.

Ook internationaal legde Van Doesburg veel contacten, onder meer met de dadaïsten Kurt Schwitters, Raoul Hausmann, Hannah Höch, Hans Arp en Tristan Tzara. In Weimar bracht Van Doesburg als Stijl-constructivist een samenwerking met het Bauhaus tot stand, wat op heftige conflicten uitliep. Zijn Stijl-ideeën bleken te vooruitstrevend voor het Bauhaus, en zijn persoonlijkheid te eigengereid. Hij ging met Stijl-lezingen op tournee door Duitsland, ontmoette daarbij de Hannoveriaan Schwitters in de zomer van 1921 en werkte mee aan soirees over De Stijl, dada en merz (het ‘dada’ van Schwitters) samen met zijn vrouw Nelly, Schwitters en zijn vrouw Helma, Hausmann en Höch.

Als Stijl-voorman werd Van Doesburg gevraagd om als gastheer mee te werken aan de organisatie van een constructivistencongres in Weimar, in oktober 1922, maar hij was intussen zo gegrepen door dada, dat hij daarvoor ook de dadaïsten Tzara, Arp, Hausmann en ‘merzdada’ Schwitters uitnodigde. Dat viel niet in goede aarde bij de initiatiefnemers van het congres (onder wie El Lissitzky en Laszlo Moholy-Nagy), omdat zij in dada weinig constructiefs zagen. Bonje, rebellie. Het congres werd vooral dadaïstisch. Tzara maakte meteen van de gelegenheid gebruik om dada op te heffen, maar evengoed vonden er nog twee dada-soirees in Hannover en Jena plaats. Intussen had Van Doesburg, die zijn Stijl-principes gepassioneerd bleef uitdragen, voor zijn dada-kant het pseudoniem I.K. Bonset bedacht, dat hij zelf overigens nooit publiekelijk als zijn alter ego heeft willen onthullen.

dada-veldtocht

Doesburg Schwitters Nelly Helma 1923

Zijn dada-enthousiasme leidde begin 1923 tot een Hollandse ‘dada-veldtocht’ door Den Haag, Haarlem, Amsterdam, Den Bosch, Tilburg, Utrecht, Rotterdam en Leiden met zijn vrouw Nelly, Kurt Schwitters en vaak ook met Stijl-kunstenaar Vilmos Huszár. De avonden begonnen met het manifest van Van Doesburg ‘Wat is Dada?’ dat door Schwitters vanuit het publiek telkens met geblaf werd onderbroken. Huszár bespeelde zijn ‘mechanische dansfiguur’, geprojecteerd op een scherm, en Nelly (of ‘Pétro’) speelde op de piano stukken van avant-gardecomponisten als Satie en Rieti. Schwitters droeg zijn eigen absurdistische teksten voor. Het publiek liet zich in de loop van de tournee steeds meer meeslepen door de provocaties en meligheden van Schwitters en Van Doesburg, maakte dierengeluiden, beklom het podium, gedroeg zich steeds agressiever. De laatste dada-avond vond plaats in Drachten, en werd uitgevoerd door Kurt Schwitters solo.

advertentie Groote dada avond Leiden 14 feb 1923affiche dada veldtocht haarlem 12 jan 1923

K. Schippers

Een laatste relevante Dada-Drachten-link kwam tot stand door het contact dat Paulo Martina, directeur van Museum Dr8888, een paar jaar geleden legde met de schrijver K. Schippers, die in 1974 het boek Holland Dada had uitgebracht en een groot dada-archief bleek te bezitten. Dat dada-archief schonk Schippers aan het museum.

de tentoonstelling

Dat een relatief klein museum in een noordelijke provincieplaats zo’n ambitieuze tentoonstelling met veel werk van oorspronkelijke dadaïsten weet te organiseren: hulde! Al is lang niet al het werk dadaïstisch te noemen (van een aantal kunstenaars en schrijvers die bij dada betrokken zijn geweest, is ook werk te zien uit ondadaïstische perioden), de expositie is goed opgebouwd, mooi en overzichtelijk ingericht per dada-plaats, met veel originele publicaties (boekjes, tijdschriften, affiches).

Holland

Otto van Rees stilleven met gitaar 1916

Het accent van de tentoonstelling ligt op de internationale Holland-dada-connecties. Zo is er van het Nederlandse echtpaar Otto en Adya van Rees vooral kubistisch werk te zien, schilderijen en collages. Zij hadden al in Parijs en Italië gewoond, trokken in 1915 naar het Zwitserse Ascona, waar ze Hans Arp ontmoetten, met wie ze regelmatig in Zürich verbleven. Daar exposeerden ze gezamenlijk kubistisch en abstract werk, waarmee ze de basis legden voor een nieuwe kunst die met het Zürichse dada geassocieerd zou worden. Van Otto en Adya van Rees was ook werk in Cabaret Voltaire te zien, maar of ze er deelgenomen hebben aan dadaïstische optredens is niet bekend.

Uiteraard is er in Drachten speciale aandacht voor het werk van Thijs Rinsema, van wie het museum veel in bezit heeft. De autodidact Rinsema had vanuit Drachten met De Stijl, dada en andere moderne kunst kennisgThijs Rinsema collagedoosje 1924-30emaakt, vooral door Van Doesburg en Schwitters, waarbij hij tot een levendige kunstproductie kwam. Hij maakte vanaf 1920 kubistische en geometrisch-abstracte tekeningen, schilderijen en collages. Eigenlijk meer een combinatie van kubisme, De Stijl en dada. Zijn speelse collagedoosjes met ingelegd fineer zijn prachtig.

Andere logische headliners in deze Holland-Dadacontext moeten Van Doesburg en Schwitters zijn. Probleem bij Van Doesburg is: onder zijn eigen naam was hij De Stijl, voor dada was hij I.K. Bonset. Hij organiseerde dada-optredens en gaf naast De Stijl een dadaïstisch tijdschrift uit, Mécano. Literair chef (‘gérant litéraire’) hiervan was I.K. Bonset, beeldmonteur (‘mécanicien plastique’) Theo van Doesburg – zo kwamen beide persoonlijkheden in dit medium samen. ‘Administratie en vertegenwoordiging voor Holland’ waren gevestigd bij De Stijl. Maar dadaïstisch werk – gedichten en beeldwerk – maakte hij uitsluitend als I.K. Bonset. Onder deze naam is in de tentoonstelling een sterke, dynamische collage van Van Doesburg te zien.

IK Bonset Gewapen 1915-25

Van Kurt Schwitters is een serie van zes litho’s uit 1923 tentoongesteld, die vooral strakke geometrische vlakken laten zien, waarin dus de constructivistische elementen (zoals van De Stijl) de overhand hebben. Die rechthoekjes en balkjes zijn dan wel weer op een speelse manier over het vlak verdeeld. Over speelse vlakken gesproken: de Groninger drukker Hendrik Nicolaas Werkman maakte beeldend werk door materiaal uit zijn drukkerij (bijvoorbeeld de achter- en zijkanten van letterblokken) op papier af te drukken. ‘Druksels’ noemde hij dit werk. Werkmans inventieve gebruik van drukmateriaal, zijn composities én zijn typografie zou je dadaïstisch kunnen noemen. Van Werkman zijn een paar mooie druksels uit de museumcollectie te zien.

hn werkman affiche expositie 1931

Paul Citroen was in Berlijn opgegroeid, als zoon van een Nederlandse vader en een Duitse moeder. Hij is onder meer bekend van zijn fotomontages, met name Metropolis uit 1923. Alleen: vanaf 1917 woonde hij meestal in Nederland. Hij had wel in kringen (lees: cafés) rond Berlijnse dadaïsten verkeerd, maar nam niet deel aan dadaïstische activiteiten. Waarom is Citroen dan op zo’n dada-tentoonstelling vertegenwoordigd? Misschien vanwege die fotomontages, die wel volgens dadaïstische principes gemaakt waren, maar van opzet en karakter weer niet dadaïstisch zijn, daarvoor zijn ze te harmonieus, en missen ze een zekere stekeligheid. Opmerkelijk is wel de deelname van zijn acht jaar jongere broer, de toen veertienjarige Hans Citroen, aan de Berlijnse Dada-Messe in 1920. Van Hans (‘Jugendgruppe Dada’) waren daar vier collages te zien, waar hij mogelijk wel samen met zijn broer Paul aan gewerkt heeft.

Paul Citroen metropolis 1923 litho 1972

erwin blumenfeld bloomfield president-dada-chaplinist 1921

 

 

 

Tussen haakjes: een sterkere Holland-Dada-connectie zou Erwin Blumenfeld zijn. Met hem leidde Paul Citroen zogenaamd de Hollandse Dada-Centrale. Dat was meer een grap, want ze waren niet werkelijk met dada-activiteiten bezig. Blumenfeld, een Berlijnse jeugdvriend van Citroen die in 1918 naar Nederland kwam, was meer dada-georiënteerd dan Citroen. Hij maakte een tijdlang dadaïstisch ogende fotomontages, waarop hij zichzelf een enkele keer omschreef als ‘Dada-Chaplinist’. Van Blumenfeld alias Bloomfield was een gedicht in het derde nummer van Der Dada (het Berlijnse dada-tijdschrift) opgenomen; in hetzelfde nummer staat hij ook als medeondertekenaar vermeld van een protest tegen het verbod van de Duitse autoriteiten op de films van Charlie Chaplin. Blumenfeld was dus wel tot op zekere hoogte met dada bezig, maar vooral op afstand. Hij correspondeerde vanuit Nederland met Tzara en Huelsenbeck, maar had dan weer geen contact met Van Doesburg of Schwitters, en het is ook niet bekend of hij iets van de Hollandse Dada-veldtocht heeft meegemaakt.

internationale dada-centra

Voor de internationale context heeft het museum uitgepakt met enkele grote namen, die, naast de secties Nederland en Drachten, de belangrijkste dada-centra vertegenwoordigen: Zürich, Berlijn, Parijs, New York, Hannover en Keulen, en zelfs Antwerpen (Paul Joostens). Het lastige bij zo’n indeling is juist die internationale context van dada. Want de dadaïsten waren veel op reis, onder meer om de oorlog te ontlopen, en werkten dus ook op verschillende plekken. Dan moet je je bij de keuze voor een plaats baseren op de datering van de werken: wanneer maakten ze dit en dat? Lastig: soms is de datering niet precies bekend, soms de verblijfplaats niet.

Zo zijn Otto en Adya van Rees zowel bij Zürich als bij Nederland ingedeeld. Hun werk zal in Zürich zeker invloed gehad hebben op kunstenaars als Arp en Janco, in die zin horen ze heel logisch op deze tentoonstelling thuis. Al is er van hen ook werk van na de dada-periode te zien – overigens goed en speels werk – het laat zien hoe het experimentele en nonconformistische dada bij deze kunstenaars van blijvende invloed geweest moet zijn. Ook voor Kurt Schwitters geldt, dat die voor zijn ‘merz-dadaïstische’ werk bij zijn oorspronkelijke woonplaats Hannover is ingedeeld, en voor twee curieuze naturalistische potloodtekeningen (een landschap en een portret, beide uit 1935) bij Nederland. Mooie tekeningetjes, dat wel, maar geen merz of dada. Maar dus wel Schwitters. Paul Citroen: zelfde verhaal. Bij Berlijn ingedeeld vanwege zijn fotomontages, bij Nederland met een grappige tekening van een wc-pot. Zelfs ook bij Drachten, vanwege zijn prachtige fotoportret van Thijs Rinsema.

man ray it's springtime 1961Van de grote dada-namen Marcel Duchamp, Man Ray en Francis Picabia is verrassend genoeg veel werk te zien, verdeeld over de secties Parijs en New York. Van Duchamp en Man Ray zelfs meerdere objecten, waaronder een replica van Ray’s strijkijzer-met-spijkers Cadeau (het origineel was op dag 1 van zijn eerste solotentoonstelling in Parijs, in december 1921, al verdwenen). Maar ook weer veel werk, zelfs uit hun latere levensfasen, omdát het van hen is (van Picabia een tekeningetje van een naaktmodel…) – evengoed leuk om te zien. En ook hier weer de indelingsproblemen: wat hoort bij New York, wat bij Parijs? Moeilijk om daarbij volledig zorgvuldig te blijven.

 

george grosz fräulein und liebhaber kl gr mappe 1917

Berlijn is vooral vertegenwoordigd door George Grosz met zijn vlijmscherpe satirische tekeningen en een schilderij uit 1934. Zo is zijn Kleine Grosz Mappe met twintig litho’s uit 1917 er in zijn geheel uitgestald. Geen werk uit de Berlijnse dada-periode (1918-1920), maar het is wel Grosz. Otto Dix was ook zo’n zwartgallige tekenaar en schilder. Van hem was werk te zien op de Berlijnse Dada-Messe van 1920, verder heeft hij weinig met dada of Berlijn te maken. Dix doet mee in Drachten met tekeningen over de oorlog en een lustmoord. Van Hans Richter zijn een aantal sterke abstracte tekeningen te zien. Hij deed mee met de dadaïsten in Zürich vanaf 1917, maar daarna niet met die in Berlijn. Ten slotte zijn van Max Ernst (Keulen) enkele drukwerkcollages van zijn bundel La femme 100 têtes (1929, Parijs) te zien.

max ernst la femme 100 têtes 1929 l'immaculée conception

de catalogus

De catalogus is prachtig vormgegeven en bevat interessante artikelen. Van K. Schippers is de inleiding, een leuk stuk dat al eerder (in 1982) gepubliceerd was. Een goed overzicht van de internationale context van dada wordt gegeven door Paulo Martina. Na artikelen over ‘Holland Dada’ (Annemieke Keizer-Sloff) en ‘Dada in Drachten’ (Remco Heite) volgen interessante stukken over dada-typografie (Hester Jenkins), over Holland-dada-connecties Paul en Hans Citroen en Erwin Blumenfeld (Dick Adelaar) en over ‘Dada en muziek’ (Emanuel Overbeeke); ten slotte een boeiend verhaal van Niels Bokhove over de relatie tussen Schwitters’ Merzbau en de toenmalige mode om lunchrooms als grotten in te richten.

Hoe dada was Holland? Behalve Theo en Nelly van Doesburg vond geen van de Nederlandse kunstenaars zichzelf dadaïst. Ze waren voor hun beeldende werk, en trouwens ook voor hun dichtwerk, in zekere mate geïnspireerd door dadaïstische werkwijzen, maar dadaïst? Nee. Dada was leuk en inspirerend, maar uiteindelijk ging het hen om serieuze moderne kunst. Kurt Schwitters noemde Holland wel dada. Het eerste nummer van zijn tijdschrift Merz (januari 1923) is gewijd aan Holland Dada.

merz 1 cover

merz 1 p3

Al met al is de tentoonstelling absoluut de moeite van een bezoek aan Drachten waard. Uiteraard vanwege de prestatie een grote hoeveelheid dada- (of verwante) werken in dit relatief kleine museum bijeen te brengen, maar ook doordat er een logisch accent op Drachten gelegd is, waardoor ook lokale kunstenaars in een internationale dada-context geplaatst konden worden.

De tentoonstelling is nog te zien t/m 18 september. Tip: combineer het op een laatste zaterdag van de maand met de voorstelling van Prof. Russolo.

website Museum Drachten

literatuur, o.a.:

Tentoonstellingscatalogus Holland Dada en de internationale context. Drachten (Museum Drachten), Gorredijk (Bornmeer), 2016
K. Schippers, Holland Dada. Amsterdam (Querido), 1974 (herziene uitgave: 2000)
Helen Adkins, Erwin Blumenfeld, Dada Montagen 1916-1923. Berlijn (Hatje Cantz), 2008