Post Tagged ‘Haarlem’

Nu een stukje over de ‘Dada-veldtocht’ door Holland, een tournee die Theo van Doesburg begin 1923 organiseerde, samen met zijn vrouw Nelly, Kurt Schwitters en Vilmos Huszár. Maar eerst: hoe kwam het tot die veldtocht?

dada-tournee

Zo’n dada-tournee was niet nieuw. Drie van de Berlijnse dadaïsten – Raoul Hausmann, Richard Huelsenbeck en Johannes Baader – hadden na succesvolle soirees en matinees in Berlijn, soms met veel deelnemers op het podium, besloten een tournee door Duitsland en Tsjechië te houden. De optredens verliepen telkens tumultueus, niet in de laatste plaats omdat het publiek verwachtingsvol naar een hoop heibel uitkeek, en daar ook vol overgave aan meewerkte. Op het programma stonden onderdelen als simultaangedichten (waarin de deelnemers tegelijkertijd verschillende teksten voordragen), een absurdistisch simultaangesprek, dada-dansjes, dadaïstische gedichten, voordrachten van semi-politieke, absurde en satirische teksten, en een ‘bruïtistisch’ spektakelstuk, begeleid door allerlei geluiden en lawaai. Mét publieksbeledigingen.

Anti-Dada-Merz

Raoul Hausmann en de Hannoverse ‘merz-dadaïst’ Kurt Schwitters ontmoetten elkaar eind 1918 of begin 1919 in een Berlijns café. Schwitters werd niet toegelaten tot de Berlijnse ‘Club Dada’, omdat hij als te burgerlijk, te commercieel (hij was verbonden aan de vermaledijde expressionistengalerie Der Sturm) en te weinig dadaïstisch-spontaan beschouwd werd; hij doopte al zijn uitingen – schilderijen, tekeningen, collages, assemblages, gedichten, tijdschrift – vervolgens ‘merz’. In het najaar van 1921 besloten zij samen te werken – met Hausmanns vriendin Hannah Höch en Schwitters’ vrouw Helma – aan een ‘Anti-Dada-Merz’-tournee naar Praag, die uiteindelijk in één soiree resulteerde. Het programma leek nog steeds dadaïstisch: Schwitters liet onder andere gedichten horen die op letters, cijfers en ‘oerklanken’ gebaseerd waren, plus een hilarisch verhaal over een man die een volksopstand veroorzaakt door alleen maar ergens te staan. Maar tegelijkertijd rekende dit gezelschap juist af met de destructieve kanten van dada, het wilde bijdragen aan constructievere kunstvormen. Het publiek, dat op dadaïstisch tumult was afgekomen, haakte teleurgesteld af.

Weimar

Theo van Doesburg leerde Schwitters in de zomer van 1921 kennen. Van Doesburg was in Weimar gaan wonen, in de hoop iets voor het Bauhaus te kunnen betekenen. Dat was ijdele hoop. Van Doesburg bleek er – naast een behoorlijk koppig karakter – voor het Bauhaus te radicale kunstopvattingen op na te houden; hijzelf vond dat het kunstonderwijs aan deze instelling nog teveel van een ‘romantische naoorlogse mentaliteit’ getuigde, waarna hij een Stijl-cursus opzette in het atelier van een Bauhaus-student, bijgewoond door studenten en zelfs docenten. Dit zette bij het Bauhaus weer zoveel kwaad bloed dat hij zelfs bedreigd werd. Van Doesburg vervolgde zijn Stijl-campagne in andere plaatsen in Duitsland en België en deed mee aan optredens met Hausmann, Höch en Schwitters.

dada-constructivistisch congres

Eind mei 1922 vond in Düsseldorf een ‘Internationaal congres van progressieve kunstenaars’ plaats – Van Doesburg verveelde zich er stierlijk. Hij vond het een idiote en reactionaire aangelegenheid. Daardoor nam hij – in samenspraak met de constructivisten László Moholy-Nagy en El Lissitzky – het initiatief tot een tweede congres, een ‘Internationaal Constructivistisch congres’ in september 1922 in Weimar. 

Deelnemers aan het dada-constructivistische congres in Weimar, onder wie: Theo van Doesburg (midden, met nummer De Stijl op zijn hoofd), Nelly van Doesburg (links van Theo vD), Tristan Tzara (rechts van Theo vD, geeft kushand aan Nelly vD), Hans en Sophie Arp-Taeuber (rechtsvoor), Hans Richter (op de grond liggend), El Lissitzky (bovenaan met pet en pijp), László Moholy-Nagy (bovenste rij rechts)

Buiten medeweten van de overige betrokkenen om had Van Doesburg voor dit congres de dadaïsten Tristan Tzara, Hans Arp, Raoul Hausmann en Hans Richter uitgenodigd, én Kurt Schwitters. Volgens Moholy-Nagy ontstond bij de verrassende ontdekking daarvan een rebellie tegen Van Doesburg. Het dadaïsme stond immers voor destructieve krachten die ingingen tegen de nieuwe constructivistische tendenzen. Van Doesburg kalmeerde de gemoederen waarna de dadaïsten geaccepteerd werden, zeer tot ongenoegen van de jonge puristen die zich geleidelijk aan terugtrokken, waardoor het congres een vooral dadaïstisch evenement werd. Het vond plaats op 25 en 26 september 1922. Van Doesburg was bekend als voorman van De Stijl, maar dat hij ook een dadaïstische kant had, gerepresenteerd onder zijn pseudoniem I.K. Bonset (zie mijn vorige stukje I.K. Bonset) wist toen nog bijna niemand. Tzara maakte overigens meteen van de gelegenheid gebruik dada als beweging op te heffen – dada was immers ‘nutteloos, zoals alles in dit leven’.

soirees in Weimar, Jena en Hannover

Op de eerste avond van dit dada-constructivistische congres in Weimar, 25 september, organiseerde Van Doesburg er een succesvolle dada-soiree in Hotel Fürstenhof met medewerking van Nelly, Arp, Tzara en mogelijk Hausmann. Of Schwitters op die avond ook van de partij was is niet bekend. Schwitters deed in elk geval twee dagen later wel mee op een soiree in Jena. Het programma werd op 29 september herhaald in Hannover voor een klein publiek van vrienden, collega-kunstenaars (onder wie Lissitzky en Moholy-Nagy) en enkele Bauhaus-studenten.

Over de avond in Jena is een verslag van Bauhaus-student Werner Graeff bewaard gebleven. Hij verhaalt van de voorbereidingen in het atelier van Van Doesburg: Nelly was stukken van Rieti aan het instuderen, ‘Does’ was lichtbeelden aan het ordenen, Arp en Schwitters bogen zich over hun eigen en elkaars gedichten. De avond zelf werd geopend door Van Doesburg met uitgebreide uiteenzettingen over het dadaïsme, bijgestaan door Schwitters die het onrustige publiek tot de orde riep. Nelly speelde de Treurmars voor een vogeltje van de jonge Italiaanse avant-gardistische componist Vittorio Rieti, waarbij het publiek zich niet kon inhouden en begon te sissen en te fluiten. Zij speelde onverstoord en licht geamuseerd verder. Schwitters kreeg de zaal weer rustig, maar bij Arp brak de hel los. Het publiek voelde zich bespot. Opgewonden discussiërend verlieten de toeschouwers de zaal.

de veldtocht

Tijdens een bezoek van Vilmos Huszár, de in Nederland wonende Hongaarse Stijl-medewerker, aan Van Doesburg in Weimar in de zomer van 1922, ontstond het idee ook het Nederlandse publiek met dada te laten kennismaken. Van Doesburg benaderde Schwitters, die enthousiast antwoordde. Hausmann, Arp en Tzara werden gevraagd, en via Tzara ook Georges Ribemont-Dessaignes in Parijs. Alleen Schwitters zegde toe, hij zou toch al naar Nederland komen vanwege een tentoonstelling. Door visum- en/of geldproblemen meldden de anderen zich af.

De eerste avond zou aan Schwitters gewijd zijn op 27 december 1922. Schwitters kon er vanwege paspoort- of visumproblemen niet op tijd bij zijn, waardoor Van Doesburg inviel met de voordracht van gedichten van I.K. Bonset. Op 10 januari 1923 kon de tournee in Den Haag alsnog van start gaan, in de Haagsche Kunstkring. Die avond kan aan de hand van krantenverslagen worden gereconstrueerd. De volgende avond in Haarlem, twee dagen later, is echter nog beter en aansprekender gedocumenteerd. Hetzelfde programma, in een andere volgorde en met enkele variaties.

Haarlem

De soiree vond een dag na die in Den Haag plaats in Zaal Rosehaghe (tegenwoordig Het Zaeltje van dezelfde woningbouwvereniging Rosehaghe) aan de Hoofmanstraat. Met de architect van het sociale woningbouwproject van deze buurt, J.B. van Loghem, was Van Doesburg al jaren eerder in prettig contact gekomen. Van Doesburg benaderde Van Loghem eind december 1922 voor de organisatie van de tournee en voor het vinden van een geschikte locatie in Haarlem. De bouw van dit nieuwe wijkje was eerder dat jaar voltooid. Van Loghem wilde graag meewerken aan de voorbereidingen van deze dada-soiree en benaderde de woningbouwvereniging om gebruik te mogen maken van de gemeenschapsruimte, waar op dat moment nauwelijks iets mee gebeurde. De zaal was geschikt voor een zittend publiek van honderd, hooguit honderdvijfentwintig man. Door veel publiciteit en verslagen van de eerste avond in Den Haag stroomde de zaal al snel vol. Ongeveer tweehonderd nieuwsgierige bezoekers probeerden een plek te bemachtigen. De politie verscheen – overleg, uitstel, overleg – en besloot dat de avond door mocht gaan, mits het staande publiek de zaal verliet, wat onder luid protest gebeurde. Sommige bezoekers hadden feesttoeters en fluitjes bij zich, een tafelbel. Van Loghem zelf verscheen met een hoge hoed waarop hij een miniatuur-stoommachientje van zijn zoontje gemonteerd had.

Op het podium zat, naast een tafeltje met een schemerlamp en een glaasje water, Theo van Doesburg, in een zwart pak met een zwart overhemd en een witte stropdas, witte sokken, lakschoenen, en een monocle voor een oog. Hij begon zijn manifest Wat is dada? voor te lezen, een klein boekje dat voor deze tournee als speciale uitgave van De Stijl ook te koop was. Het begint zo:

Het zal u waarschijnlijk verwonderen, van iemand die aan het dadaisme onschuldig is, van een niet-dadaist een en ander over dada te vernemen.
Dada: de schrik van den clubfauteuil-bourgeois, van den kunstcritikus, van den artist, van den konijnenfokker, van den hottentot, – van wien al niet.
[…]

En zo gaat Van Doesburg nog een tijd door met zijn quasi-verhelderende inzichten in het fenomeen Dada, uiteraard niet gespeend van ironie en tegenspraak. En: ‘dada is géén kunstbeweging.’ Het publiek was zich al gaan roeren met lachsalvo’s, gefluit, geblaf en gemiauw. Daarbij vond Schwitters het nodig Van Doesburg herhaaldelijk te onderbreken door luidruchtig zijn neus te snuiten en door merg en been dringende kreten te slaken, zoals hij op de eerste avond in Den Haag de lezing met krachtig geblaf had verstoord. Ten slotte richtte Van Doesburg zich tot het publiek met de vraag:

Weet U nu wat “dada” is?

Wat door het publiek brullend, proestend en gierend van het lachen met ‘Ja!’ werd beantwoord.

Hierna kwam Nelly op (voortaan vooral als ‘Pétro’ aangeduid) die met haar elegante verschijning de zaal een moment stil kreeg, waarna zij de Bruiloftsmars voor een krokodil van Rieti speelde. Haar optreden werd met luid applaus en bravogeroep begroet. Tijdens de laatste maten was Schwitters, in tegenstelling tot Van Doesburg in ‘gewone’, alledaagse kledij, uit het publiek opgestaan, snoot nog eens toeterend zijn neus en begaf zich naar het podium, waar hij razendsnel een van zijn cijfergedichten voordroeg. Na enig tumult ging hij verder met zijn stuk ‘Ursachen und Begin der grossen glorreichen Revolution in Revon’ (‘Oorzaken en begin van de grote glorieuze revolutie in Revon’). ‘Revon’ was Schwitters’ strijdvaardige benaming voor Hannover: de laatste vijf letters achterstevoren. Het is een lang verhaal, dat gaat over een volksopstand vanwege een man die onbewogen ergens staat. Het begint als volgt.

Das Kind spielte. Und sah einen Mann stehen. ‘Mama’, sagte das Kind; die Mutter: ‘Ja’ – ‘Mama’ – ‘Ja’ – ‘Mama’ – ‘Ja’ – ‘Mama, da steht ein Mann!’ – ‘Ja’ – ‘Mama, da steht ein Mann!’ – ‘Ja’ – ‘Mama, da steht ein Mann!’ – ‘Wo?’ – ‘Mama, da steht ein Mann!’ – ‘Wo?’ – ‘Mama, da steht ein Mann!’ – ‘Wo steht ein Mann?’ – ‘Mama, da steht ein Mann!’ – ‘Ach was!’ – ‘Mama, da steht ein Mann!’ – ‘Lass doch den Mann stehen.’ – ‘Mama, da steht ein Mann!’ Die Mutter kommt. Tatsächlich steht da ein Mann. Merkwürdig, was mag der da wohl zu stehen haben? Man sollte doch lieber den Vater mal rufen. Die Mutter: ‘Vater!’ – ‘Jawohl’ – ‘Vater, da steht ein Mann!’ – ‘Jawohl’ – ‘Vater, da steht ein Mann!’ – ‘Lass ihn stehen.’ – ‘Vater, da steht ein Mann!’ – ‘Was will denn der Mann?’ – ‘Das weiss ich nicht, frag ihn doch mal!’ – ‘Lass doch den Mann stehen!’ […]

En zo gaat het verhaal over de man die maar staat te staan eindeloos door. Aansluitend op dit verhaal van een half uur bracht hij nog een tekst, een dialoog over een kachel, die nog succesvoller bleek dan zijn vorige.

pauze

Het publiek oefende in alle mogelijke geluiden, de performers sleten hun koopwaar: tijdschriften, boekjes, kaarten. Na de pauze speelde Nelly weer een stuk van Rieti, de Treurmars voor een vogeltje, dat bijna naadloos overging in een stuk van Chopin. Schwitters, die al een tijdje naast de piano stond, droeg hierbij een Duits gedicht voor. Het verwonderde publiek barstte na afloop weer in daverend gelach uit, dat niet ophield toen Schwitters ironisch opmerkte dat zelfs een gedicht van de klassieke Heinrich Heine grote hilariteit opwekte. Schwitters ging, begeleid door Nelly op de piano, door met een karakteristiek Schwittersgedicht, met als eerste regels: 

Was kräuselst du dein Hä-är-chen,
Eins zwei drei ja Hä-är-chen,
Wenn du einen an-dern liebst?
[…]

Daarbij begeleidde hij zich op een ‘kinderharp’, volgens de beschrijving een als een ratel ronddraaiende koker met van binnen metalen ‘tongen’ die een rondzingend geluid voortbrachten. Na enkele abstracte klankgedichten vertolkte hij ‘An Anna Blume’. Het publiek joelde vrolijk voort.

mechanische pop

 

 

 

 

 

 

 

 

Schwitters vervolgde met zijn gedicht ‘Wand’, dat bestaat uit de herhaling van het Duitse woord ‘Wand’ in enkel- en meervoud (Wände). Hierbij werden de zaallichten uitgedaan. Het publiek werd opnieuw verrast: op een groot wit doek kreeg het de projectie van een mechanische pop te zien, met rode en groene kleurvlakken. Een geometrisch geabstraheerde mensfiguur die als een robot zijn armen en benen boog en strekte. Ook de ogen, één rood en één groen, konden open en dicht. De strakke bewegingen werden van onderen bediend met een toetsenbord. De maker: Vilmos Huszár, titel: ‘Simultaneïstisch-méchanische dans’. Tussendoor vervolgde Schwitters zijn programma met zijn ‘Urlauten’, uit klinkers bestaande kreten, waarbij hij met trommelstokken op de klep van de vleugel roffelde, Nelly met castagnetten klepperde en Theo van Doesburg een grote handclaxon liet toeteren. Een complete heksenketel, met het gebrul en gejoel van het publiek erbij. Na afloop van deze voorstelling oogstte Huszár groot applaus.

De avond eindigde met Nelly op de piano, die een derde stuk van Rieti speelde, Militaire mars voor de mieren, en de Ragtime Parade van Erik Satie, voor de gelegenheid omgedoopt tot Dada Ragtime.

overige plaatsen

Na Haarlem werd de Veldtocht verder voortgezet langs meerdere plaatsen in Nederland, onder meer in Amsterdam, Den Haag, Utrecht, Rotterdam en Leiden. Soms was Huszár er niet bij, soms speelden Van Doesburg en Schwitters samen, of Nelly met Schwitters. Enkele keren verzorgden ze de avonden ook solo. Het laatste optreden van de tournee werd door Schwitters solo verzorgd in Drachten (13 april, Hotel De Phoenix). Inmiddels waren Theo en Nelly van Doesburg alweer uit Nederland vertrokken. Dit laatste Schwitters-optreden in Drachten wordt wel eens als laatste dada-actie in het algemeen bestempeld.

Het programma van de gezamenlijke optredens was in hoofdlijnen gelijk, maar de volgorde kon per plaats verschillen. De samenstelling overigens ook, want zowel Nelly als Schwitters had een uitgebreid repertoire op zak. Ook Van Doesburg kon per avond verschillende gedichten (al of niet van I.K. Bonset) voordragen. Nelly speelde ook werk van onder meer de moderne componisten Honegger, Milhaud en Poulenc. De mechanische pop van Huszár werd soms alleen door Nelly van Doesburg op de piano begeleid. Zij begeleidde ook wel eens Theo van Doesburg’s inleiding door in onbeweeglijke pose, als een tableau vivant, een rood lampje in haar hand aan en uit te doen.

publiek

Over het publiek wordt in de kranten gemeld dat het over het algemeen rumoerig en vrolijk was met flauwe opmerkingen, maar ook dat het nogal kritiekloos was, al kon er ook ruzie ontstaan tussen bezoekers die het gebeuren vol nieuwsgierige belangstelling volgden en anderen die zich volledig bekocht voelden – de entreeprijzen waren immers aan de hoge kant. Soms speelde het publiek een hoofdrol, niet alleen door die met gelach, gebulder, gesis, geklap, gestamp, geblaf en gemiauw, met fluitjes en bellen op te eisen, maar ook kwam het voor dat een paar toeschouwers op het toneel verschenen om er een ‘dadaïstische’ act op te voeren. Over het Utrechtse optreden schreef Schwitters in het eerste – ‘Holland Dada’ – nummer van Merz, dat het op een gegeven moment ophield publiek te zijn: een man in smoking betrad het podium en las een manifest, er werd een reusachtige laurierkrans, afkomstig van een begraafplaats, op het podium geplaatst om dada te gedenken. ‘We konden een sigaret aansteken en toekijken, hoe het publiek in plaats van ons aan het werk was. Het was een verheven moment. Ons bewijs [dat het publiek dada was] was compleet.’ Die soiree was voor Schwitters dan ook ‘de mooiste belevenis van de tournee’, en ‘een ongekende dadaïstische triomf.’

Ingekorte en bewerkte versie van het hoofdstuk ‘Holland’ uit mijn boek DADA manieren.

Literatuur, o.a.:

Ariel Alvarez, DADA manieren. Een overzicht. Overveen, 2016
K. Schippers, Holland Dada. Amsterdam, 1974, 2000
W. de Graaf, In Haarlem snoot ik mijn neus zei Schwitters me. Dada in de Spaarnestad. Een reconstructie. Haarlem, 1987
Theo van Doesburg/Kurt Schwitters (red. Hubert van den Berg), Holland’s bankroet door Dada. Documenten van een dadaïstische triomftocht door Nederland. Amsterdam, 1995
Hubert van den Berg, DADA. Een geschiedenis. Nijmegen, 2016
Marc Dachy, Dada & les dadaïsmes. Parijs, 1994, 2011
Digital Dada Library: Merz, nr. 1, jan. 1923

 

Advertenties

Humor. 101 jaar lachen om kunst. Dit is de titel van de actuele zomertentoonstelling in De Hallen en het Frans Hals Museum in Haarlem. Je houdt je hart vast. Een tentoonstelling over humor? Lachen, gieren, brullen in het museum? Of flauwe grappen die tot vervelens toe worden uitgelegd? Gelukkig valt dat alleszins mee – de tentoonstelling is zeer geslaagd.

Ergens in De Hallen staat op de muur een uitspraak van Helena van der Kraan:

Grappig zijn, dat is wel het laatste wat we willen. […] Je kunt er wel om lachen, maar dat is, omdat je om alles in het leven eigenlijk kunt lachen.

accordeon

Van het kunstenaarsduo Axel en Helena van der Kraan zijn een paar werken in de tentoonstelling opgenomen. Eén ervan zie je al vanaf de straat: een uit hout gezaagde man, gezeten op een luidsprekerbox op wieltjes, lijkt de dubbele rijen knopen op zijn jasje en zijn harmonicavormige gesteven frontje te bespelen. Titel: Johnny Woodhouse (mechanische music-box), uit 1972. John Woodhouse was in die tijd een populaire Nederlandse accordeonist van smartlapachtige deuntjes. Om de paar minuten hoor je zijn accordeonmuziek uit de box en beweegt Johnny’s houten hoofd – met geforceerde glimlach – heen en weer, net zoals Woodhouse in het echt ook quasi-jolig zijn hoofd schudde. Ik vind het werk goed en grappig, en dat zullen de makers ongetwijfeld – ondanks bovengenoemde uitspraak – ook zo bedoeld hebben.

Overigens staat achter het beeld van Johnny Woodhouse een uitspraak van Marcel Duchamp te lezen:

Humor en gelach zijn mijn gereedschappen. Dit komt voort uit mijn algemene opvatting om de wereld nooit te serieus te nemen – uit angst om dood te gaan van verveling.

dada

Het eerdere citaat van Helena van der Kraan zou ook zomaar van een oorspronkelijke dadaïst kunnen zijn. De titel van de tentoonstelling ‘Humor. 101 jaar lachen om kunst’ (ondertitel: ‘De geest van dada in de Nederlandse kunst 1916-2017’) verwijst naar het ontstaan van DADA in 1916 in Zürich. Dada ging tekeer tegen de gevestigde orde, de bourgeoisie en de kunstwereld, en deed dat met ironie en humor. En de opkomst van dada is het moment waarop de curatoren van de tentoonstelling, conservator Antoon Erftemeijer samen met Renske Koster, de humor in de kunst hebben willen introduceren, althans: dada en het latere, ‘neo-dadaïstische’ fluxus als inspiratiebronnen voor latere kunstenaars, bijna uitsluitend uit Nederland.

Kunst is gewoonlijk een buitengewoon ernstige aangelegenheid. Zeker vóór dada, toen de ‘hoge’ kunsten duidelijk onderscheiden werden van volksvermaak (of van bijvoorbeeld satirische prenten en pamfletten of cartoons in kranten). Maar toch: ook in vroeger tijden brachten hooggewaardeerde oude meesters humor in hun werk (denk aan Jeroen Bosch, Brueghel, Frans Hals, Jan Steen, Goya, Daumier), al zijn dat uitzonderingen en is er vaak een moralistische boodschap in verwerkt.

Dada maakte korte metten met de hoogdravende ernst in de kunsten, want wat moet je daarmee als frontsoldaten bij bosjes sneuvelen en de brave burgerman doet of zijn neus bloedt. De wereld is in chaos, het westerse verstand failliet. Dan kun je je boos maken en vingers op zere plekken leggen, maar doe dat dan tenminste door als een nar met een schaterlach op die verdorven wereld te reageren, en zo de samenleving een spiegel voor te houden. En tegen die misplaatste ‘hoge’ kunst kun je in het geweer komen met satire en anti-academische kunst, zoals collages, fotomontages, assemblages en karikaturen. Met stekeligheid en humor. Lach om al die hoogdravendheid en vertrutting. Lach om de ernst van het leven, lach om de ernst van de kunst. Dat is wat de dadaïsten deden, en dat is ook wat veel kunstenaars daarna deden en nog steeds doen.

paard

Humor Haarlem Midas Zwaan 1

Bij binnenkomst in de zaal op de begane grond valt meteen, vlakbij Johnny Woodhouse, nog een sculptuur op: een grote assemblage van allerlei verschillende oude reiskoffers, opgerolde kleedjes, Chinese parasols, oude veldflesjes en andere attributen, rustend op vier paardenbenen. Achterop is een oude kentekenplaat gemonteerd, waar weer een lange paardenstaart achter bungelt; voorop een houten speeltje voor in een wieg. Uit het bovenste koffertje steekt een constellatie van blokfluiten, flesjes, poppenonderdelen e.d., zwart geschilderd en zo gemonteerd dat je die sterk met wapentuig associeert. Aan de voorpoten zijn speelgoed-cowboypistolen in holsters bevestigd, vlak boven de hoeven zitten kogelriempjes. Het is van Midas Zwaan en heet High Mighty (2008). Het werk is sterk van vorm en grappig – zie het ook als persiflage op oorlogsmachinerie. De ironie en absurditeit zou je dadaïstisch kunnen noemen. Maar er is nog een andere link met dada: het gebruik van gevonden voorwerpen.

De geest van DADA

Dan kom je al gauw bij Kurt Schwitters uit, bekend van zijn collages en assemblages van gevonden spul. Want afgezien van Johnny Woodhouse en High Mighty is de benedenzaal vooral gewijd aan oudere dada- en surrealisme-gerelateerde kunst (thema: ‘De geest van DADA’). In een als filmzaaltje ingerichte hoek kun je kijken naar een montage waarin foto’s van de hoofdrolspelers van de Hollandse ‘Dada-Veldtocht’ (1923) te zien zijn: Theo en Nelly van Doesburg (Theo van Doesburg was, begin jaren twintig, naast voorman van De Stijl ook enige tijd pleitbezorger van dada in Nederland, en publiceerde dadaïstische gedichten onder het pseudoniem I.K. Bonset), Kurt Schwitters en Vilmos Huszár. Van Huszár is in het filmpje zijn ‘mechanische dansfiguur’ in beweging te zien; een replica van de pop hangt ernaast aan de wand. Van Schwitters hoor je een fragment van zijn beroemde Ursonate, er zijn niesgeluiden te horen (Schwitters verstoorde de Haarlemse dada-avond vanuit het publiek met niesgeluiden), moderne pianomuziek uit die tijd, en: dezelfde accordeonmuziek als bij de mechanische Woodhouse-figuur. Geintje, leuke verbinding. Aan de andere kant van het ‘filmzaaltje’ is nog een filmprojectie: filmbeelden van de Eerste Wereldoorlog. Een goede toevoeging, want daarmee wordt een belangrijke historische context aangegeven waarin dada ontstaan is.

Van de jaren rond 1920 vormt een tekening van een wc van Paul Citroen (1919) een goed sanitair setje met een ets van Marcel Duchamp van zijn beruchte urinoir (1964; het urinoir Fountain zelf was van 1917). In vitrines ligt prachtig drukwerk uit de jaren twintig, bijvoorbeeld van H.N. Werkman, Kurt Schwitters en Theo van Doesburg. Later absurdistisch werk is er van Emiel van Moerkerken (geënsceneerde foto’s uit 1936-1938) en, centraal in de ruimte opgesteld, een in 1977 door J.H. Moesman beschilderd klavecimbel. De surrealistische taferelen op meerdere kanten van dit klavier, nog verluchtigd met trefzekere zinnetjes van de dichter Jan G. Elburg, werken niet meteen op de lachspieren, maar hebben in hun absurdisme wel iets komisch.

Cowboy Henk

Loop je de trap op naar de eerste verdieping, dan zie je een grote wandschildering van Frans Hals-achtige taferelen, waarin de blondgekuifde Cowboy Henk een paar keer een belangrijke gastrol opeist: als meesterschilder, als luitspeler en als geel, wormachtig wezen onder een guillotine, die de woorden ‘Frans Als Als Frans Hals’ geschreven heeft. Bij een van de statige zeventiende-eeuwse vrouwen steekt een Cowboy-Henk-kuif uit het kapsel. Ook zijn de namen ‘Henk Hals’ en ‘Cowboy Hals’ te lezen. Het is een werk van Kamagurka en Herr Seele, ter plekke geschilderd door Herr Seele. Van dit duo zijn meerdere cartoons her en der verspreid over de wanden te zien, telkens met hun typetje Cowboy Henk in de hoofdrol – leve Cowboy Henk!

Rondom Fluxus

De eerste verdieping heeft als thema ‘Rondom Fluxus’. Fluxus was een internationale, aan dada verwante kunststroming, rond 1960 ontstaan in de VS, en heeft ook een aantal Nederlandse kunstenaars geïnspireerd. Wim T. Schippers en Willem de Ridder waren medewerkers aan officiële ‘fluxus-events’. Optredens, liefst met deelname van het publiek. Fluxus streefde ernaar vooral buiten de musea amusement te bieden. Schippers wilde de saaiheid van het leven vieren en die met ‘waarachtige oninteressantie’ voor het voetlicht brengen. Dat gebeurde met performances, maar ook in video’s en stukken voor televisie. In De Hallen is Tulips (1966) te zien, een filmpje in de reeks ‘Sad Movies’, gemaakt in samenwerking met Willem de Ridder en Wim van der Linden.

Humor Haarlem Wim T Schippers Tulips 2

In een vaas op een doorsnee jaren-zestig dressoir staat een bos tulpen, breed uithangend. Dramatische muziek. Er gebeurt totaal niets, totdat er – dramatisch hoogtepunt! – opeens een bloemblaadje loslaat en op het dressoir valt, waarna weer niets gebeurt. Schippers’ televisiestuk Stemmen is hier ook te zien, over een huiskamerfeestje waar geanimeerde gesprekken gevoerd worden, die je gelijktijdig hoort, waar af en toe alleen enkele flarden van verstaan kunnen worden. Chaotische taferelen met een vallende kroonluchter, een temperamentvolle moderne pianist (Schippers zelf), een ontstemde pianostemmer en een instortende piano (zie mijn stukje hierover).

video

Rond 1970 waren veel beeldend kunstenaars met video bezig. Kunstenaars voor wie de uitvoering van een idee maatgevend was, en die daarvoor het medium kozen dat ze voor dat idee het meest geschikt vonden. Jan Dibbets, bekend van zijn conceptuele, vervreemdende fotowerken, filmde een haardvuur om permanent in een tv-toestel af te spelen (1968). Tegenwoordig is een brandend haardvuur in veel huizen een standaard televisiekanaal. Ger van Elk speelde vooral met beeldgrappen in grote en kleine (beschilderde) fotowerken waarin hij vaak zelf de hoofdrolspeler is. Van hem is een video te zien waarin een kleine cactus met een elektrisch scheerapparaat ‘geschoren’ wordt (The well shaven cactus, 1969).

Humor Haarlem v Elk cactus

Het idee is grappig, maar als kunstwerk inmiddels wat oubollig, want na een half minuutje weet je het wel – nu, in 2017. Vroeger keken we er ongetwijfeld anders tegenaan. Hetzelfde geldt voor videowerk van Marinus Boezem: Het beademen van de beeldbuis (1971), waarin de kunstenaar het tv-scherm van binnenuit lijkt te bewasemen, waardoor hij een tijdlang vaag in beeld verschijnt, tot de wasem is opgelost en Boezem weer scherp is. Een leuke vondst, maar ook alweer vrij snel gezien. Het fysieke bosje veertjes waartegen kunstenaar Servaas in een video vanuit zijn tv-monitor blaast (Pfft.., 1981), is goed gevonden, intrigerend en grappig, maar ook in dit geval is het kunstje al snel duidelijk. Toch: deze kunstenaars gebruikten het medium video om op een vindingrijke manier hun beeldende ideeën vorm te geven.

realisme

Overigens ligt de nadruk in deze tentoonstelling wel op tastbaar beeldend werk. Van Wim T. Schippers hangt op deze verdieping een groot vierkant ding aan de muur dat van een afstand een lyrisch-abstract schilderij zou kunnen zijn, alleen is het wel gemaakt van bewust onartistieke – banale – materialen: een veld van lichtgrijze zwabbers waartussen groengeverfde eieren lukraak gestrooid lijken te zijn – The Eggs (1966). Schippers is nogal consequent in zijn non-conformistische, tegendraadse methodes – behoorlijk dadaïstisch.

Op deze door fluxus en popart geïnspireerde afdeling wordt veel met de fysieke vorm van het medium zelf gespeeld. Zo haalde Woody van Amen een abstract-expressionistisch doek, waarin hij het Philips-beeldmerk heeft geschilderd, van onderen los van het spieraam om het over een strijkplank met (Philips) strijkbout te leggen (Philips, 1963-1970). Pieter Engels ging radicaler te werk door de ‘spielatten’ van een schilderij in vreemde hoeken te scharnieren, met slap hangend doek ertussen (Bad Constructed Canvas, Hommage à Engels, 1967), of door een stoel zo te verzagen en weer samen te voegen dat je er onmogelijk op kunt gaan zitten (Herstelde stoel, 1964). Zulke conceptuele kwinkslagen krijgen in De Hallen een terechte herwaardering.

Het gekozen werk uit deze periode speelt een spel met realistische verbeelding, en heeft vaak een optimistische inslag. Jan Verburg laat een man zo ontspannen liggen, dat die samenvalt met zijn stoel. Met een klein zetje kun je zijn armen relaxed heen en weer laten zwaaien (Ontspannen, c. 1974). In een ander werk van hem zit ook weer een man op een stoel; een onderbeen schommelt gemoedelijk over het andere been. Op de plek van zijn hoofd is een enorme peervormige ‘kijkkast’ gemonteerd, waarin je uitkijkt op … (ga het zien!) (Denkend aan gras, 1974).


Hans Citroen zette een trap in een sober Hollands landschap met een pot verf erop en ging op de trap staan om met een verfroller de lucht blauw te kleuren. Hij is bijna klaar: alleen de linkerbovenhoek is nog wit. Sterk. Deze foto (Het blauwen van de lucht, 1971) heeft het tot promotiebeeld van de tentoonstelling geschopt – hij siert het tentoonstellingsaffiche en de cover van de catalogus. Van Citroen is ook een bezem met drie stelen. Er hangt een bordje aan, tevens titel: Samen sterk, iedereen werk (1983). Titels kunnen een belangrijke toevoeging aan het werk geven. Beeld en titel kunnen bij elkaar tot een vervreemdend of komisch effect leiden – dada-kunstenaars als Marcel Duchamp, Francis Picabia en Max Ernst maakten er voor een deel een handelsmerk van.

Humor Haarlem Hans Citroen Blauwen vd lucht

Na Fluxus

De sfeervolle bovenverdieping van De Hallen laat recenter werk zien van ‘Na Fluxus’, of: ‘Hedendaagse kunst in de geest van dada’. Deze afdeling is wat mij betreft het leukst – de grappen zijn wat subtieler dan op de verdieping hieronder, het werk is gevarieerd in vorm en inhoud. Sterke fotomontages (Luuk Wilmering, Marlies Mulders) en een paar schitterende cartoons van Joost Swarte over Kurt Schwitters en Marcel Duchamp. Een extreem smalle piano met één toets van Jaap Kroneman. Een als schilderij opgespannen stuk koeienhuid van nul-veteraan Henk Peeters. Grote beeldgrapfoto’s van Teun Hocks. Een recent assemblage-reliëf van Wim T. Schippers. Een ironisch werk over bergbeklimmen met zwemvliezen en Caran d’Ache-kleurdozen van het trio Seymour Likely.

Humor Haarlem Boezem absent

Van Marinus Boezem is een stoel met een rond borduurraam waarin ‘Boez–’ geborduurd staat en een paar zwart-witte lakschoenen op de vloer: Boezem is ‘m snel gepeerd. Een mooie foto van een doodstil poollandschap met een somber ogende, op een houten trapje gezeten ijsbeer met een vrouwenbeen, van Scarlett Hooft Graafland.

En als klap op de vuurpijl The Dancing White Man van Leonard van Munster: een bewegende sculptuur van een man in pak die houterig staat te dansen op reggaemuziek – het is een hyperrealistisch portret van de kunstenaar zelf.

Prachtig kleiner werk staat in vitrines opgesteld, zoals een uit nijptangen en een waterpomptang opgebouwd figuurtje van Papa Adama, of een hamer met een rij spijkers in de steel van Eelco Veenman, een object dat ook doet denken aan het Cadeau uit 1921 van Man Ray: een strijkbout met een rij spijkertjes op het strijkvlak – hiervan is ook een officiële, door Man Ray gesigneerde replica in de tentoonstelling aanwezig (collectie Museum Dr8888).

Frans Hals Museum

Een deel van deze tentoonstelling heeft een plaats gekregen in het Frans Hals Museum, op nog geen tien minuten loopafstand van De Hallen (beide musea vormen bestuurlijk een eenheid). In twee zalen en een aansluitende gang staan hedendaagse kunstwerken opgesteld die op een of andere manier commentaar geven op gevestigde kunst.

Zo is Rob Scholte’s Utopia hier te zien, een ledenpop-parafrase van de Olympia van Manet (1863), die zelf Titiaan’s Venus (1538) weer als voorbeeld had genomen. Zelfportretten van Rembrandt zijn het uitgangspunt voor pastiches door Pieter Engels en C. Wertheim. Het bekende Huilende jongetje is door Hans Citroen tot een Lachend jongetje omgetoverd. Peter Pontiac maakte een eigentijdse cartoonachtige versie van het schilderij De kindermoord van Cornelis van Haarlem (1591). Jan Verburg parafraseerde Marcel Duchamp’s Trap aflopende naakt (1912) in een sculptuur die een trap oplopend naakt verbeeldt, tegelijkertijd verwijzend naar Umberto Boccioni’s futuristische sculptuur Unieke vormen van continuïteit in de ruimte (1913).

En van Reinier Lucassen zijn twee prachtige absurdistische assemblages te zien rond kleine klassieke of religieuze beeldjes. Mickey Mouse en Donald Duck zijn door het in Berlijn gevestigde, multidisciplinaire gezelschap Interduck uitgebeeld in de ‘ingepakte’ stijl van Christo of in de geometrische rood-geel-blauwe vormpjes van De Stijl-schilder Bart van der Leck. Kamagurka en Herr Seele parafraseerden beroemde werken uit het Louvre. En Leo Copers laat een kleine kopie van De Denker van Rodin ondersteboven, op zijn hoofd, rondtollen. Zo. De Haarlemse Humortentoonstelling is goed voor je gemoed.

catalogus

De bescheiden ogende catalogus is prachtig, met goede afbeeldingen en uitstekende, degelijke en informatieve artikelen over de geest van dada en fluxus in deze tentoonstelling, door de curatoren Antoon Erftemeijer en Renske Koster. Voor de tentoonstelling betaal je een toeslag van € 2,50 voor beide musea samen; de catalogus krijg je erbij, bovendien kun je een kwartetspel met 32 afbeeldingen van geëxposeerde kunstwerken verzamelen.

Humor. 101 jaar lachen om kunst. De geest van dada in de Nederlandse kunst 1916-2017.

Nog te zien t/m 10 september.

Museum De Hallen, Grote Markt 16, Haarlem
Frans Hals Museum, Groot Heiligland 62, Haarlem

Facebookpagina De Hallen

 

kermis

Op de Grote Markt in Haarlem staat weer de jaarlijkse kermis. Geloei, gezwiep, gelach en gegil. Dynamiek, spektakel. Uit luidsprekers schalt populaire muziek, maar ook wervend stemgeluid om klanten naar attracties te lokken. Heb je genoeg van die herrie, dan kunnen twee reële vluchtopties je binnen een paar passen redding brengen: aan de ene kant museum De Hallen. Rust. Bezinning en contemplatie, als je wilt. Overpeinzingen misschien, want het gaat om moderne kunst. Maar je kunt ook naar De Vishal, pal tegen de Grote of St.-Bavokerk aangebouwd, waar vroeger, tot midden 20e eeuw – inderdaad – de vismarkt stond. De Vishal is een centrum voor actuele beeldende kunst, met tentoonstellingen die door Haarlemse kunstenaarsleden worden opgezet.

Keekwolk

Welnu, in De Vishal is het ook kermis. Keekwolk heet die. Loop er binnen en dompel je onder in een duistere, bizarre wereld van absurde, macabere en ludieke attracties. Op het eerste gezicht een expositie van allerlei vreemde objecten, hokjes en kasten – weliswaar niet met de drukte en het oorverdovende spektakel van de ‘echte’ kermis, maar je raakt al snel geïntrigeerd door alle vreemde geluiden, gekleurde lichtjes en bewegingen die aan je oren en ogen voorbijtrekken. Elke ‘attractie’ begint te leven zodra je erbij in de buurt komt. De attracties zijn zeer gevarieerd, van enigszins macaber tot vrolijkmakend. Ik zou me overigens geen zorgen maken om tere zieltjes, ook kinderen lopen zich er vrolijk te verwonderen.

ufo

Van om hun as draaiende ‘lachspiegels’ tot een ufo-achtige kamer met een diorama van een science-fictionstad, met snel bewegende vliegende schotels en het Monster van Loch Ness. Een grote vitrine met kleurige figuurtjes en een soort hoedjes die je met fietspompen de lucht in kunt schieten. Een schematisch weergegeven goudkleurige auto, van voren gezien, waarin een gekwelde danseres als een geestverschijning beweegt. Een apocalyptisch verschroeid miniatuurdorp waar alleen nog een kleurige draaimolen vrolijk doordraait. Een miniatuur-spookhuis met portretten van minimaal opgelapte, tijdens de Eerste Wereldoorlog verminkte gezichten. Filmzuilen. En heel veel meer. Nou goed, één ding nog: een ijzingwekkende waarzegger met een glazen bol. Verder verklap ik daar nog niks over, dat zou zonde zijn. Maar geloof me, sla het hok van ‘De profeet’ niet over, je zult geen spijt krijgen.

Keekwolk (cakewalk) is een knipoog naar de kermis, dynamisch en levendig, en spannend als een spookhuis. Overal is geluid, licht en beweging, voortgebracht door uiterst gevarieerde mechanismen, van eenvoudige draaischijven en elektromotoren tot geavanceerde digitale technieken. Een inventief spektakel ook, want veel objecten zijn opgebouwd uit gevonden en gebruikte materialen, zoals een druk bewegende robot, gemaakt van oude jerrycans en ander afgedankt spul.

Bekijk nu dit korte filmpje van De Vishal:

Zwaanswijk

Bedenker van dit spektakel is de Haarlemse kunstenaar Piet Zwaanswijk, samen met collega-kunstenaar George Anderson. Piet Zwaanswijk is bekend vanwege zijn geëngageerde, soms provocerende werk (o.a. zijn omstreden, ironische, ‘suïcidale’ kersttafereel ‘Merry Fucking Christmas’ in de kunstetalage van de Haarlemse Publiekshal), en maakt naast zijn vrije werk ook theaterdecors (toneelgroepen Perspekt, Het Volk, Badmuts – ook scenario’s en regie). Enkele deelnemende kunstenaars zijn of waren verbonden aan de Perspekt Studio’s (voorheen Technische Theatergroep Perspekt): Michael Helmerhorst, George Anderson.

podium

Keekwolk heeft ook een podium. De opening op 9 april werd opgeluisterd door fanfareband Blij met Muziek, acteur/kunstenaar Michael Helmerhorst, kermisexploitanten Braamhaar en Scheurleer (acteurs Wigbolt Kruyver en Bert Bunschoten met een hilarisch verzet tegen de gesubsidieerde kunstwereld), vrouwenrockband De Giletjes met aanstekelijke punk/rock. Tussendoor zijn er optredens geweest van onder anderen Wouter van Veldhoven met een installatie van oude bandrecorders en tv’s voor een ter plekke gecreëerd geluidsspektakel, Studio MAPA (oprichter is Ide van Heiningen, mede-oprichter van theatergroep Perspekt in 1968) met bewegingstheater, en voor komende zondag 30 april staat er een show van de Irrational Library-band rond dichter/performer Joshua Baumgarten gepland.

Het is goed dat De Vishal de meer gebruikelijke (meestal groeps-) tentoonstellingen soms afwisselt met grote projecten die de ruimte tot een nieuw geheel omtoveren, zoals de ‘Huiskamer van Haarlem’ van Hans Bossmann (zomer 2016), en voor een deel ook de tentoonstelling/installatie van David Bade, die er vorige maand te zien was. En nu dus Keekwolk, waarvoor een plafond van zwart doek het daglicht van het glazen dak afschermt om een spookhuisachtige sfeer te creëren.

deelnemers

Keekwolk – de aankondiging zegt: ‘een initiatief van George Anderson en Piet Zwaanswijk over de grenzen tussen lichtvoetigheid, maatschappelijk engagement en de hogere kunsten’.

Deelnemende kunstenaars zijn George Anderson, Harry Arp, Ernst Dullemond, Ap Esenbrink, Bethany de Forest, Michael Helmerhorst, Stefan Kasper, Thomas Scholz, Kiki Weerts, Alexander van Zanten en Piet Zwaanswijk. De dansfilm in de ‘gouden’ auto (die ook tijdens een van de evenementen apart vertoond werd) is van Joris Verdonkschot.

Keekwolk is nog te beleven t/m 7 mei.
De kermis op de Grote Markt is nog t/m 27 april (dus – helaas – bij verschijnen van dit stukje nagenoeg afgelopen).

Openingstijden De Vishal: dinsdag – zaterdag 11 – 17 uur, zondag 13 – 17 uur.
Website De Vishal: http://www.devishal.nl/

meer leesvoer:
Website Spaarnestroom: http://spaarnestroom.nl: meerdere leuke verslagen van events in de Keekwolk.
Nuel Gieles, ‘”Keekwolk”: kermis met diepere laag’, Haarlems Dagblad, 6 april 2017, Uit, p.2
Elisabeth Stilma, ‘Kermis is spektakel van uiterlijk vertoon. Kunst in De Vishal zet attracties in ander licht’, De Haarlemmer 19 april 2017, p.6
Peter Bruyn, ‘Wouter van Veldhoven laat tape-loops het werk doen’, Haarlems Dagblad, 11 april 2017