Post Tagged ‘live concert’

Een eigenzinnige Amerikaanse rockband, die telkens op verrassende wijze prettig gestoorde geluiden en heftig ontsporende stemmen koppelt aan folky structuren en vocale harmonieën. Op 13 juni trad de band in halve bezetting op in een uitverkocht Paradiso Noord (Tolhuistuin) met een uitvoering van hun ‘sleutelalbum’ Sung Tongs uit 2004. Over dit optreden zal ik aan het eind wat vertellen.

De muziek van Animal Collective heeft zich ontwikkeld van avant-gardistisch experimenteel met ontoegankelijke, abstracte geluiden, freaky stemmen, akoestische gitaren en totaal ondansbaar (bv. in Here Comes the Indian, 2003) tot commercieel succesvol met subtiele meerlagige, psychedelische geluidstapijten, pakkende ritmes, meer conventionele songstructuren en Beach-Boysachtige vocale harmonieën (Merriweather Post Pavillion, 2009). Althans, een ontwikkeling in grote lijnen, niet helemaal lineair, want elk album is weer anders qua sfeer en muzikale opbouw.

bandleden

De bandleden noemen zich Avey Tare (David Portner), Panda Bear (Noah Lennox), Geologist (Brian Weitz) en Deakin (Josh Dibb). Ze ontmoetten elkaar op dezelfde – progressieve – scholen in Baltimore, Maryland. Deze scholen boden veel ruimte voor verbeeldingskracht en vrije expressie, wat van invloed was op hun vrije muziekbenadering. Ze treden niet altijd met z’n vieren op; zo is Deakin vanaf 2007 enkele jaren afwezig geweest, niet alleen bij live-optredens maar ook bij de opnamen voor meerdere platen, waaronder Merriweather Post Pavillion. Ook de eerste albums (2000-2003), gemaakt zonder Geologist en/of Deakin en nog niet onder de naam Animal Collective, worden achteraf wel tot de Animal Collective-discografie gerekend.

Here Comes the Indian

Mijn eerste kennismaking met het werk van Animal Collective was hun eerste studioalbum in complete bezetting, Here Comes the Indian. Ik voelde me meteen overrompeld. Niet eens aangenaam overrompeld, maar wel overrompeld. Wat ís dit voor weirde shit. Duister, sfeervol, en op het eerste gehoor behoorlijk ontoegankelijk. Nu eens zachte soundscapes, dan weer een heftige uitbarsting. Uniek, want zulke popmuziek had ik in de verste verte nog niet eerder gehoord. Noise, ook, maar dan wel heel gevarieerd, zowel thematisch als qua volume. Onaantrekkelijk voor het gemiddelde popmuziekoor, maar intrigerend, en toch al snel: goed! Het had er de schijn van dat ze zomaar wat aan het pielen waren, geluidje zus, stemmetje zo, en af en toe meppen op een trommel. Maar het beklijfde. De geluiden, stemmen en trommelklappen zijn niet willekeurig, ze horen bij elkaar. De muziek – jawel, muziek zonder aanhalingstekens – vormt een eenheid.

De geluiden kunnen sinister zijn, horrorachtig, met daartussendoor machineachtige, ratelende en pruttelende elektronica. Je hoort stemmen die zo sterk vervormd zijn dat ze van geestverschijningen uit een andere wereld afkomstig lijken. Soms is er oergekrijs, dan weer landerig gejengel. De meeste geluiden lijken van ver te komen en blijven lang op de achtergrond, totdat ze dreigend en vechtlustig naar voren dringen, begeleid door getrommel, om zich daarna weer terug te trekken. De spookachtige stemmen geven een onbegrijpelijk commentaar op de muziek. Anarchisme viert hoogtij, lijkt het. Toch heeft elk nummer een opbouw, een plan.

Campfire Songs

Het album vóór Here Comes the Indian heet Campfire Songs, en bestaat uit vijf nummers die achter elkaar in één take direct op minidisc zijn opgenomen, buiten op de veranda van een ouderlijk huis, zonder Geologist. De band noemde zich ook Campfire Songs. De gitaar speelt hier een hoofdrol, vandaar het ironische kampvuur in de titel (nou ja, niet alleen maar ironisch: ze wilden ook echt een wat intiemer album maken). Het gitaarspel is rudimentair, met aanslagen of getokkel in één of twee akkoorden, gecompleteerd met karige, maar meestal melodieuze zanglijnen en harmonieuze samenzang, en met toevoeging van omgevingsgeluiden.

inspiratie

Inspiratie kregen ze van nachtelijke (piraten-) radiouitzendingen, van bands als Pavement en Can, van een arty folkband als Incredible String Band, Beach Boys, Grateful Dead, Pink Floyd en andere psychedelische en experimentele muziek, van filmmuziek van horrorfilms (The Texas Chain Saw Massacre), van minimal music, en ook van avant-gardecomponisten als Ligeti en Penderecki. En door het nuttigen van psychedelica. Ze maken vaak muziek in wisselende groepjes van twee, en komen dan bij elkaar om die uit te werken.

Sung Tongs

Na Here Comes the Indian wilden Avey Tare en Panda Bear een album maken zonder die abstracte, dichte soundscapes, weer meer in de stijl van Campfire Songs. Gitaren, stemmen, aangevuld met effecten en electronica. Dat werd Sung Tongs (2004). Het is gevarieerder en wat weirder dan Campfire Songs, qua zang, vervormende effecten, instrumentgebruik en productie. De combinatie van rudimentair spel op akoestische gitaren, harmonieuze zang, spaarzame maar rake percussie en de toegevoegde elektronische effecten maken dat deze plaat tot ‘sleutelalbum’ wordt gerekend, al is het door maar twee van de vier bandleden geschreven en opgenomen.

De eerste jaren traden ze op met maskers of geschminkt, voor meer zelfvertrouwen en om het publiek mee te trekken in de door de band gewenste sfeer, maar ze stopten daarmee vanaf 2006: het moest geen blijvende gimmick worden en ook niet te veel van de muziek afleiden.

Merriweather Post Pavillion

Na Sung Tongs wordt de muziek van Animal Collective toegankelijker, wat minder idiosyncratisch, of minder autistisch voor mijn part. De albums Feels (2005) en Strawberry Jam (2007) en de EP’s People (2006) en Water Curses (2008) zijn duidelijker gestructureerd, veellagig gearrangeerd, met heldere ritmepatronen. Steeds meer gebruik van synthesizers, minder gitaren. IJselijk geschreeuw en kinderlijk gejengel hebben plaats gemaakt voor melodieuze zangpartijen, niet meer sterk vervormd, zodat je nu ook de teksten kunt horen. Merriweather Post Pavillion (2009) is zeer gelaagd met gevarieerde elektronische partijen en beats – gewone trommels spelen een ondergeschikte rol. En dan de zang: de vocale harmonieën spelen een prominente rol, zijn geraffineerd uitgewerkt, indrukwekkend – echt, daar kunnen de Beach Boys nog een puntje aan zuigen. Een briljante plaat.

De albums na Merriweather Post Pavillion hebben het abstracte pad vrijwel geheel verlaten. Ook de gelaagde elektronische geluidsweefsels maken grotendeels plaats voor songs in een duidelijker popidioom, discoachtig soms, of met stuwende dancebeats. Nog altijd goed.

Maar, zoals te verwachten, ook weer niet consequent: de laatste plaat, de EP Meeting Of The Waters (2017), bevat weer rudimentair gitaarspel zoals op Sung Tongs, met mysterieuze, filmische, maar sfeervolle geluiden op de achtergrond, en op de voorgrond, met vervormde stemmen. Gelukkig maar, denk ik dan, want wat mij betreft toch weer spannender.

lyrics

De songteksten zijn meestal niet zomaar te bevatten. Soms wel, na een paar keer luisteren of lezen, dan valt er een bepaalde bespiegeling te ontdekken, maar vaak lijken ze opgebouwd uit associatief gevonden regels die geen onderling verband suggereren, maar wel een poëtische inslag geven. Surrealistisch. Dadaïstisch soms ook. Dat ze een nummer van het laatste album (Painting With, 2016) ‘FloriDada’ hebben genoemd is geen toeval.

Vaak wijzen ze op persoonlijke gedachten, stemmingen en verlangens of bedenken ze hoe je prettiger in het leven kunt staan. In elk geval intrigerend, met genoeg ruimte voor eigen associaties en interpretaties.

Kortom: de muziek van Animal Collective is bij vlagen hypnotiserend door de gelaagde en vaak repeterende geluidspatronen en varieert prettig van onderaards gegrom tot hemels getinkel.

het concert

De avond werd afgetrapt met een elektronische set van Eric Copeland van het geestverwante Black Dice. Copeland knalde zijn dreunende drones er oorverdovend hard in. De ononderbroken sequentie van nummers ontwikkelde zich tot een ritmisch geheel, waarbij Copeland zijn teksten – zonder contact met het publiek te maken – sterk vervormd in zijn microfoon knauwde, onverstaanbaar, zodat je er net zo goed ‘drone my balls marimba’ als ‘gadji beri bimba’ bij kon bedenken. Wel spannende muziek én dansbaar.

Dan Animal Collective zelf. Twee stoelen, twee sets microfoons, ertussenin een trommel (een floor tom). Panda Bear links voor de kijker, Avey Tare rechts. Allebei een gitaar op schoot. Sung Tongs is door dit duo gemaakt, en wordt nu na veertien jaar opnieuw door hen live uitgevoerd. Niet voor niets is dit album gekozen voor een live reprise: hoe sterk het is, maken deze heren duidelijk door zich in de uitvoering te beperken tot het gebruik van gitaren, een trom, en wat echo- en andere effecten op de stem. De samples en elektronica op de plaat worden waar nodig door de stemmen ingevuld, voor de rest blijken ze bij deze live-uitvoering niet gemist te worden, zo krachtig en overtuigend is hun performance.

Voordat ze aan de integrale uitvoering van Sung Tongs beginnen, komen ze met een nauwelijks bekend nummer, dat niet op een van de studioplaten voorkomt, maar daardoor wel meteen het muisstille publiek inpakt, ook omdat het in de stijl van Sung Tongs past. Onverwacht, en daardoor des te spannender. Een traag dreinend gitaarnummer rond één akkoord en door beiden unisono gezongen, het heet ‘Tuvin’. Als daarna ‘Leaf House’, het eerste nummer van Sung Tongs, wordt ingezet, barst het publiek los. Vanwege de herkenning van het begin van het album en een van de mooiste songs ooit. Vervolgens wordt de rest van Sung Tongs integraal gespeeld. Opmerkelijk is dat bij het bizarre, nog geen minuut durende ‘College’ – een prachtig ‘zeurende’, ‘anti-Beach Boys’ samenzang, gevolgd door de landerig gezongen regel ‘you don’t have to go to college’ – een Afrikaanse ‘zaadratel’ (een trosje van grote zaaddozen) wordt gebruikt voor een kabbelend geluid (na het handmatige begin elektronisch voortgezet) – het enige extra muziekinstrument gedurende het optreden.

Verder worden vooral publiekslievelingen als ‘Who Could Win a Rabbit’ en ‘We Tigers’ met enthousiast gejoel ontvangen. In laatstgenoemd nummer leidt het hoog gezongen deel van het refrein, een climax waar langzaam naartoe wordt gewerkt, haast tot extase bij het publiek. Na de laatste reguliere song van Sung Tongs besluit de groep tot drie extra nummers, waarvan een weer onbekend, en twee van de EP Prospect Hummer (2005, opvolger van Sung Tongs) die destijds samen met zangeres Vashti Bunyan werd opgenomen.

Al met al een sterk en overtuigend uitgevoerd concert – een haast continue adembenemende belevenis.

Hierbij een video van de eerste show van deze tour op 2 december 2017. In mijn beleving zijn beide performers nu nog beter op elkaar ingespeeld.

Voor de liefhebber: hun film ODDSAC (2010), regie Danny Perez

 

Advertenties