Post Tagged ‘machine’

Het blijft leuk om verbanden te leggen. Kintera en dada. Alleen al het absurdisme in zijn beelden, samen met die ludieke of juist grimmige maatschappijkritiek.

In meerdere opzichten is het werk van Kintera dadaïstisch te noemen: hij maakt gebruik van bestaande voorwerpen, hij combineert diverse materialen tot verrassende objecten, hij stelt problemen van de huidige westerse samenleving aan de kaak. En: hij laat veel werk door assistenten uitvoeren. Op zich is dat al een eeuwenoude praktijk, maar Kintera gaat hierin behoorlijk ver: hij laat soms ook de uiteindelijke vorm grotendeels over aan zijn assistenten, zoals in die gekleurde ballenboom ‘Demon of the Growth II’. Zo ontkomt hij des te sterker aan het idee van de unieke kunstenaar met zijn unieke, persoonlijke handschrift, een idee waartegen de dadaïsten al sterk gekant waren. Dat handschrift wilden ze juist vermijden met onpersoonlijke werkwijzen, zoals de fotomontage, de assemblage, of een zakelijke manier van tekenen en schilderen.

Kintera Demon of the Growth II under construction

En dan de machines. De dadaïsten hadden een haat-liefdeverhouding met de nieuwe technologieën. Net als de Italiaanse futuristen waren zij gefascineerd door de steeds meer gemechaniseerde samenleving – auto’s, trams, treinen, vliegtuigen, liften, eigenlijk door het hele vernieuwde, gemechaniseerde stadsbeeld – maar aan de andere kant zagen zij de negatieve gevolgen van die industrialisering in de vernietigende effecten van de Eerste Wereldoorlog en in de nieuwe maatschappelijke verhoudingen (invloedrijke industriëlen), waarop ze soms felle, sarcastische kritiek leverden.

grosz - deutschland ein wintermärchen

Mensen waren zelf een soort machines geworden, als onderdeel van de grote samenlevingsmachine – verstand op nul. Mannen kwamen incompleet uit de oorlog terug. Met behulp van prothesen konden ze zich weer dienstbaar maken aan de maatschappij die hen voor een nieuwe orde misbruikt had. De Berlijnse dadaïsten zagen dit scherp: Raoul Hausmann verwoordde de toestand van de moderne mens in een satire die de zielloosheid van de mens verbeeldde – een kooi met zinloos zwoegende mensen die een machine etiketjes met het woordje ‘ziel’ lieten uitspugen, zie ‘Nutteloze machines 1: Raoul Hausmann‘. De mens heeft immers geen ziel meer, geen persoonlijkheid, geen originaliteit, maar wordt slechts geleefd :

(…) Ja, staat u mij toe, DADA is (en dit ergert de meeste mensen grenzeloos) zelfs tegen elke geest; DADA is de volkomen afwezigheid van wat men geest noemt. Waarom zou je geest hebben in een wereld die mechanisch doordraait? Wat is de mens? Een nu eens grappige, dan weer treurige aangelegenheid, gespeeld en gezongen door zijn eigen productie en milieu. Ziet u, u gelooft dat u denkt en besluiten neemt, u gelooft dat u origineel bent – en wat gebeurt er? Het milieu, uw wat stoffige atmosfeer heeft de zielenmotor aangezwengeld en de zaak loopt vanzelf: moord, echtscheiding, oorlog, vrede, dood, corruptie, valuta – alles glipt uit uw handen, u kunt onmogelijk iets tegenhouden; u wordt gewoon gespeeld. (…)
(Raoul Hausmann, ‘Dada in Europa’, Der Dada 3, Berlijn, april 1920)

Kriegsverletzter bei seiner täglichen Arbeit Berlin 1924

George Grosz en John Heartfield beeldden op de Dada-Messe met een paspop met prothesen en bijzondere attributen (pistool, bel, heldhaftige onderscheiding, mes en vork, nummerplaatjes, gebit in kruis) ook een door de oorlog gemankeerde figuur uit. Een schilderij van Otto Dix van een optocht met oorlogsinvaliden kreeg de titel ‘45% Arbeidsgeschikt!’ mee.

dada-messe grosz heartfield_02 dix - 45% erwerbsfähig! 80%

Ook Kintera gebruikt robotachtige machines voor zijn commentaar op de samenleving. Mét humor. Waarbij ik ook onontkoombaar aan de soms monsterlijke machines van Jean Tinguely moet denken.

Kintera Bad News 3

Tinguely Hippopotamus 1991

Kintera’s ongebreidelde bouwsels van boeken en bollen doen me denken aan het bouwwerk dat ‘Oberdada’ Johannes Baader op de Dada-Messe had tentoongesteld, met de mooie titel: ‘Das Grosse Plasto-Dio-Dada-Drama: DEUTSCHLANDS GROESSE UND UNTERGANG durch Lehrer Hagendorff, oder Die Phantastische Lebensgeschichte des Oberdada (…) Dadaistische Monumentalarchitektur in fünf Stockwerken, 3 Anlagen, einem Tunnel, 2 Aufzügen und einem Cylinderabschluss (…)’

dada-messe baader - plasto dio dada drama

En kijk eens naar het het dadaïstische/surrealistische knip- en plakwerk van Max Ernst, waarin mensen met hun niet altijd nobele eigenschappen tot dieren zijn getransformeerd? Vergelijk maar met Kintera’s pronkzuchtige vos, of zijn sarcastische raaf.

Kintera Prayer for Loss of Arrogance

 

 

Kintera I See I See I See 3

max ernst 4

 

 

ernst 8 uit Une semaine de bonté

Kintera Let God's Will Be Done I 2013

ernst 9 uit Une semaine de bonté

 

Dat zeg ik: blijft leuk, zulke verbanden.

Wat is het verschil tussen een machine en een machine? Een machine produceert iets. Iets, een product. Maar terwijl de ene machine iets nuttigs produceert, zoals bierflesjes of potloden, produceert de andere vooral zichzelf, dat wil zeggen zijn eigen functioneren. Zoals de machines van Tinguely. Die draaien om het draaien, en laten dat op een vrij extraverte manier zien. Heb je daar iets aan? Ja. Je kunt ernaar kijken, luisteren, je kunt het ondergaan, en met een vrolijk gemoed verdergaan, al of niet naar een volgende ‘nutteloze’ machine. Dus wat je eraan hebt: de machine kan je een leuke gedachtekronkel bezorgen, je stemming een lift geven, en zelfs die van een heel publiek.

De Kift

persfoto-de-kift-wim-op-drumfiets

Ook het Zaanse muziekgezelschap De Kift voert machines ten tonele. Niet zozeer in de muziek zelf – die ontstaat voornamelijk uit degelijk handwerk – maar meer in de omlijsting van concerten of op straat in de vorm van een drumstelfiets. Dus waar bij Tinguely de ‘nutteloze’ machine het eindproduct is, is die bij De Kift een onderdeel van het totaalpakket, van de hele show. Maar net als van Tinguely’s machines kun je van die van De Kift erg vrolijk worden.

 

 

foto Erik Christenhusz

De Kift, met wortels in de punk en de fanfare en sporen uit Balkan- en andere wereldmuziek, zorgt op de podia voor wervelende theatrale shows. Zanger-blazer-gitarist Ferry Heyne is een uitbundige vertolker van dramatische en tragikomische teksten, samengesteld uit de meer zwaarmoedige en melodramatische, maar vaak ook absurdistische wereldliteratuur, vooral uit Rusland. Elk album heeft een thema, een verhaal dat fragmentarisch verteld wordt in de verschillende nummers.

De Kift live

Brik

Van het meest recente studioalbum Brik is het thema een dolende rit op een ‘brik’ – een oude wagen of fiets (oorspronkelijk: klein oorlogsschip, tweemaster). Achterop het podium staat een machine, die nu en dan door Kift-muzikanten, maar vooral door drummer en vormgever Wim ter Weele aangezwengeld wordt. Over Brik, van de Kiftsite:

Brik is een onbesuisde woestijnrit vol vaart en fanfare, een gelukskruistocht van hier tot aan Rio de Janeiro. Spil van deze reis is de onfortuinlijke Admiraal B. Hij heeft De Kift een lift gegeven en doolt verscheurd en doodongelukkig met zijn brik door de woestijn. Ooit voer hij de brik als bevelhebber door de Caribische Zee, maar dat zijn nu kapotte herinneringen.

Brik is ook de naam van het ‘draaidrumstel’ dat De Kift bouwde. Een duivels draaiorgel opgetrokken uit schroot en oud ijzer, piepend en huilend als een mank vliegwiel. Dit brik vormt het gloeiend hart van een overrompelende reeks optredens. Een uitzinnig orkest over een spoor van rinkelende marsmuziek, doffe trommels en ontploffende carburateurs.

Deze magistrale ‘drummachine’ ratelt, beukt, kraakt en piept erop los – een beetje zoals de machines van Tinguely – en zorgt zo voor een ‘ritmische’ ondersteuning van de muziek. Het apparaat bestaat uit oude metalen buizen, trommels, fietswielen, blik, hout, zinken emmers en gieters, en een paar oude stofzuigers.

De muziek van De Kift is van een ongepolijste poëtische kracht. Een samenspel van koperwerk (trompetten, trombones, tuba’s), gitaren, drums, bas en toetsen kan evengoed voor spetterende rock als voor meer trage, gedragen liedjes zorgen. De inbreng van harmonium, steeldrum, draailier, autoharp, speeldoosjes en andere voor de popmuziek ‘vreemde’ instrumenten levert altijd een verrijking van de muziek op, vaak verrassend, maar nooit als overbodige gimmick.

Veel nummers worden akoestisch gespeeld en zonder drums – ook de drummer pakt dan een gitaar. De muziek kan daardoor ingetogen klinken, maar tegelijk ritmisch. Het ene nummer is eenvoudig van opzet, het andere heeft een aparte maatvoering, bij weer een ander nummer is het koper of de samenzang rijk gearrangeerd. Maar de muziek is nooit gladgepolijst, heeft altijd een ruw randje, passend bij de mentaliteit van de groep, voortgekomen uit zijn punk- en kraakverleden.

Schrijver-columnist Bert Wagendorp:

De Kift is geboren in fanfare, gedoopt in punk en groot geworden in liefde voor muziek en poëzie. Vrolijke muziek is het, muziek vol weemoed. Muziek waarvan tranen in je ogen schieten of een grijns op je gezicht verschijnt.

De Kift heeft in de loop der jaren (de band bestaat 25 jaar) zijn muzikale grenzen voortdurend verkend, door het toelaten van allerlei soorten muzikale invloeden, maar ook door samenwerking met andere bands. Calexico, Franz Ferdinand, Zita Swoon, De Rondo’s, Stuurbaard Bakkebaard, het jazzgezelschap Available Jelly en vooral het Franse Monofocus, waarmee ze gedurende een reeks concerten in Nederland en Frankrijk gezamenlijk optraden – voor een deel ook werkelijk als één groep. En nu ook met Rats on Rafts.

Maar niet alleen muzikale, ook muziektheatrale grenzen worden opgezocht. Al op hun derde album Gaaphonger wordt het drama van de overwintering van Willem Barentsz op Nova Zembla (1596) in een eigenzinnige Kift-interpretatie meer als theaterstuk dan als popalbum neergezet. De Kift ontwikkelde muziektheaterproducties (De IJzeren Hond, en Kees de Jongen met Frank Groothof), bracht een ‘opera’ uit met klassiek geschoolde zangers (Vier voor Vier), en speelde de belangrijkste rollen in de veelgeprezen film De arm van Jezus van André van der Hout, waarvoor de band ook de muziek maakte.

Dat theatrale is er altijd, bij elk optreden. In de eerste plaats natuurlijk door Ferry Heyne met zijn expressieve stemgebruik, mimiek en bewegingen. Door zijn aanstekelijke uitbundigheid die regelmatig ook op de rest van de groep lijkt uit te stralen. Maar ook in de rollen van toetsenman Frank van den Bos, en van de gespeeld-norse drummer Wim ter Weele. De personages zijn meestal mislukkelingen en randfiguren, mensen die ondanks alle ellende hun dromen en sprankjes hoop blijven koesteren.

Drama is nodig om de zwaarmoedige, weemoedige en melancholieke teksten te vertolken, maar in alles van een voorstelling van De Kift – theatrale performance, decors, kostuums, attributen, en vaak ook in de teksten zelf – zit ook een luchtige twist, een komische noot. En juist dat tragikomische doet zijn werk, bezorgt het publiek een collectieve ontroering bij de meer stille, gedragen stukken, en feelgood momenten bij de uitbundige, spetterende nummers.

Natuurlijk zit die komische noot ook in de Brik-machine zelf: er moet hard en ernstig gewerkt worden, gezweet om hem aan de praat te krijgen, om er ratelende, piepende en krakende geluiden in verschillende ritmes tegelijk uit te krijgen, die heel eigenwijs op de muziek gaan zitten. En de muziek zegt: kom maar, ik kan je hebben. En het publiek wordt vrolijk.

De Kift Brik

Tip: Het De Kift Festival, 26 oktober, Amsterdam, Paradiso.

Het eerste deel van een drieluik over nutteloze machines. (1) Raoul Hausmann verbeeldt in een hilarische, imaginaire machine het zinloze functioneren van de mens, (2) Tinguely viert zijn anarchistische creativiteit bot op zijn spectaculaire machines, en (3) de Zaanse groep De Kift laat op het podium een enorme ‘drummachine’ ratelen. Allemaal nutteloos. Maar functioneel. Alle onzin is immers functioneel.

Raoul Hausmann

De Berlijnse dadaïst (‘dadasoof’) Raoul Hausmann tekende, knipte en plakte, fotografeerde, fotomonteerde, maakte letteraffiches die hij ook als klankgedichten voordroeg, hij danste, ontwierp kleding, en schreef essays en satires. Felle, levendige satires.

De geest van onze tijd

Over het functioneren van de mens in een mechanisch doordraaiende wereld schreef Hausmann een stuk (eerder geciteerd in mijn bericht Talking Heads: Stop Making Sense) in het derde en laatste nummer van het Berlijnse blaadje Der Dada (april 1920). Het artikel heet “Dada in Europa” en daarin fulmineert Hausmann tegen de Geist (‘geest’: verstand, ziel, bewustzijn). Tegenover de onzin van de geest stelt Hausmann de bluf van dada, die infiltreert in de burgerlijke maatschappijstructuren om diezelfde bourgeoisie met eigen middelen te kunnen verslaan.

(…) Ja, staat u mij toe, DADA is (en dit ergert de meeste mensen grenzeloos) zelfs tegen elke geest; DADA is de volkomen afwezigheid van wat men geest noemt. Waarom zou je geest hebben in een wereld die mechanisch doordraait? Wat is de mens? Een nu eens grappige, dan weer treurige aangelegenheid, gespeeld en gezongen door zijn eigen productie en milieu. Ziet u, u gelooft dat u denkt en besluiten neemt, u gelooft dat u origineel bent – en wat gebeurt er? Het milieu, uw wat stoffige atmosfeer heeft de zielenmotor aangezwengeld en de zaak loopt vanzelf: moord, echtscheiding, oorlog, vrede, dood, corruptie, valuta – alles glipt uit uw handen, u kunt onmogelijk iets tegenhouden; u wordt gewoon gespeeld. (…)

Mechanische kop

De mens wordt geleefd, heeft niet eens meer een eigen ziel. Hausmann verbeeldde dit idee in satirische teksten, fotomontages, en in een object ‘De geest van onze tijd’, ook wel ‘Mechanische kop’ (1920). Op een kapperskop monteerde hij verschillende voorwerpen die bij elkaar het functioneren van de mens moesten voorstellen. Het hoofd is neutraal, blanco, zonder karakter en zonder emotie. In de loop van zijn leven krijgt de mens allerlei eigenschappen aangekleefd die hem door de samenleving zijn toebedeeld. Een portemonnee geeft hem geld, een liniaal bepaalt zijn ruimtelijke beperkingen, het raderwerk van een horloge z’n beperkingen in de tijd, een meetlint op het voorhoofd die van zijn verbeelding, en een uitschuifbare drinkbeker zijn, eh, drankzucht. Laten we het daarop houden.

Zelf zei Hausmann er het volgende over.

Al lang geleden ontdekte ik dat mensen geen karakter hebben en dat hun gezicht alleen maar een door de kapper gemaakt beeld is. Waarom zou je dan niet een kop pakken die door een simpele en naïeve geest verwezenlijkt is, waarop leerlingkappers oefenen om pruiken te maken? Ik wilde de geest van onze tijd onthullen, de geest van ieder in zijn rudimentaire staat. Men vertelde wonderbaarlijke verhalen over het volk van de denkers en de dichters. Ik geloofde dat ik de mensen beter kende. Een alledaagse man had slechts de capaciteiten die het toeval hem op het hoofd geplakt had, aan de buitenkant, de hersenpan was leeg. Ik nam toen een mooie houten kop, polijstte hem langdurig met schuurpapier. Ik bekroonde hem met een inschuifbare beker. Achterop bevestigde ik een mooie portemonnee. Ik nam een klein juwelenkistje en plaatste dat rechts van het rechteroor. Daarin stopte ik nog een typografische rol en een pijpensteel. Nu de linkerkant. Eh ja, ik had zin om van materiaal te veranderen. Op een houten liniaal bevestigde ik een bronzen onderdeel van een verouderd fototoestel en toen keek ik. Ah, wat me nog ontbrak was een klein wit kartonnetje met het cijfer 22, want het was overduidelijk dat de geest van onze tijd niet meer dan een numerieke betekenis had. 

hausmann mech kopf

De kooi van Hausmann

Nu naar Hausmanns idee voor een performance van drie minuten in een installatie van een kooi met motorrijder en monteur. Ook deze voorstelling beschrijft de zielloosheid van de mens in een mechanisch doordraaiende wereld. De satire publiceerde hij als “Cabaret van de mens” (“Kabarett zum Menschen”).

Cabaret van de mens

Wat is de mens? Iets heel natuurlijks, zegt de één. Nee, iets heel kunstmatigs, zegt de ander. Ik vind de mens een soort marionet van de betere soort, die door zijn omgeving bespeeld wordt, door de atmosfeer die de mens voor zichzelf schept. Mijn god, wat een flauwekul, het leven is een nu eens vrolijke, dan weer treurige onzin – en het cabaret is zo ongeveer een grote zakspiegel. Alles wordt daarin weerspiegeld – men zou heel goed het begrip mens als cabaretnummer bijna mechanisch kunnen uitbeelden. Het cabaret van de mens, dat zou zo’n soort ijzeren kooi van twee etages zijn, met een hometrainer, een motorfiets op de eerste, en een monteursdraaibank en een ponsmachine op de tweede etage. Daar zou nog een föhnapparaat bij komen en een wasmand met heel, heel piepkleine papiertjes waarop gedrukt staat: Ziel. Daarmee kan men de hele innerlijkheidshocuspocus, die zich mens noemt, met glans uitbeelden. Wat is er nou helemaal groot aan de mens; de omgeving zwengelt zo’n beetje de zielenmotor aan, en kijk eens – daar gaat de boel los: zwendel, moord, overspel, geboorte, huwelijk, dood. Nou ja, en dan stopt de geschiedenis weer. Ik bedoel maar. Maar om op het cabaretstuk terug te komen: met dit apparaat kan men het hele zielsapparaat duidelijk maken, zodat ieder ziet: dat ben jij. Op de onderste etage van de kooi gaat een motorrijder op de motorfiets zitten, boven gaat een man aan de machine staan. Een heer in smoking met witte band verschijnt voor de kooi en zegt feestelijk: Dames en heren! Wij zullen u binnen drie minuten laten zien, hoe het mechanisme van de ziel functioneert. U krijgt een kort, treffend voorbeeld van uw eigen innerlijke doen en laten, van uw worsteling. Dan klinkt een fluit: en met geweldig gepuf en geknetter, gesteun en vonkengestuif raast de motorrijder los, de ponsmachine stampt, de draaibank snort en kraakt, de beide monteurs werken er heftig aan. Het publiek moet duidelijk zien dat de hele boel nutteloos is, al dat geratel en die hele machinerie hebben  n i e t  d e
m i n s t e  z i n ! !  – Na drie minuten klinkt een fluitje: alles stopt, het föhnapparaat komt in actie en blaast de tienduizend briefjes met de opdruk Ziel ! over het hele publiek. Wie dan nog niet begrepen heeft, dat de mens werkelijk zo is, niks meer dan een nutteloos bewegende onzin: nou, daar heb ik medelijden mee! Die verdient totaal niet de zegeningen van onze tijd en cultuur, geitenbouillonworstjes (als uw hond gestolen wordt, plaats dan geen advertentie: koop gewoon een paar Frankfurters!), leverworst, gerookte ganzenworst met sekt – nee, die moest meteen voor straf president van Duitsland worden! Zo, daar kan je ’t mee doen! 

Raoul Hausmann dansend (August Sander)

foto: August Sander, ‘Der Dadaist Raoul Hausmann, Berlin’, 1928

En zo is het. Binnenkort deel 2: Tinguely.

 

Bron: Raoul Hausmann, “Kabarett zum Menschen”. Oorspronkelijk verschenen in Schall und Rauch nr. 3, feb. 1920, p. 1-2. Opgenomen in: Raoul Hausmann, Bilanz der Feierlichkeit. Texte bis 1933, B.1, München 1982, p.92-93