Post Tagged ‘Man Ray’

Honderd jaar geleden kon je in New York een opvallende verschijning tegen het lijf lopen: een bizar uitgedoste vrouw, een wandelend dadaïstisch kunstwerk – Baroness Elsa von Freytag-Loringhoven, kortweg barones Elsa, ook wel de ‘dada-barones’ genoemd. Een stukje over haar excentrieke verschijningen, haar kunst, haar temperament en haar tragiek. Over haar gedichten en het tijdschrift The Little Review zal ik het in een volgend stukje hebben.

kostuums

Om aan de kost te komen deed barones Elsa modellenwerk voor kunstenaars en fotografen. George Biddle beschreef hoe zij zich bij hem aandiende als model. Ze kwam binnen in een rode regenjas; Biddle wilde haar wel naakt zien. Met een royaal gebaar zwaaide ze haar jas open, waaronder ze bijna naakt verscheen: haar tepels waren bedekt met tomatenblikjes, verbonden door een groen koord. Daartussen hing een piepklein vogelkooitje met een halfdode kanarie erin. Een van haar armen was van pols tot schouder omhuld door gordijnringen van celluloid die ze, zoals ze wat later toegaf, gestolen had uit een meubelshowroom. Daarbij droeg ze een hoed die versierd was met vergulde wortels, bieten en andere groenten. Ze deed die hoed af waaronder een kop met gemillimeterd, knalrood geverfd haar tevoorschijn kwam. Dit was in maart 1917.

Bij een andere gelegenheid – de opening van een tentoonstelling van schilderijen van dezelfde Biddle in 1921 – droeg ze een jurk waaraan ze zo’n zestig tot tachtig speelgoedjes (van lood, tin en gietijzer) had genaaid: popjes, soldaatjes, autootjes, treintjes, muziekdoosjes, naar alle waarschijnlijkheid ook weer meegegrist uit een warenhuis. Een prullenmand als hoed. En ze had zeven kleine, uitgehongerde en verschrikte scharminkels van hondjes bij zich.

Ze kleedde zich niet alleen extravagant voor speciale gelegenheden, je kon haar echt in de meest bizarre uitdossingen tegenkomen, flanerend door de straten van Greenwich Village. Zo verscheen ze in kostuums met papegaaienveren (ze had zelf een papegaai), of met zeventig zwarte en paarse enkelbandjes, een paars-zwarte pruik, vastgemaakt met touwstrengen, en een rode broek; met een in felle kleuren geverfd, kaalgeschoren hoofd, al of niet omgeven door lege sardineblikjes; met theelepels aan haar oren en grote knopen als ringen aan haar vingers; een grote Amerikaanse postzegel op haar wang geplakt; met een op batterijen werkend achterlicht, achter op een zwarte jurk (‘auto’s en fietsen hebben achterlichten, dus waarom ik niet?’). Ook kon je haar tegenkomen met een gipsen afgietsel van een penis.

Voor haar extravagante kostuums werd ze regelmatig gearresteerd. Ook als ze erbij liep in mannenkleren – die vond ze nu eenmaal prettig zitten. Of voor openbare naaktheid, als ze met slechts een Mexicaanse deken om over straat liep. Overigens werd Elsa regelmatig betrapt op winkeldiefstal, met name in de warenhuizen Woolworth’s en Wanamaker’s, waarvoor ze werd opgepakt en gevangengezet in ‘The Tombs’, de bijnaam voor de gevangenis in Manhattan. Daarbij kwam het ook voor dat ze snel en behendig uit een arrestantenwagen ontsnapte, de politie in bewonderende verslagenheid achterlatend.

Barones Elsa was een performancekunstenaar avant la lettre, maar ook beeldend kunstenaar en dichter. Zij was eigenzinnig, tegendraads, oversekst. Sensitief, impulsief, grof. Ze kon lomp en wraakzuchtig zijn.

orgie

Zij verkeerde in New York in dezelfde kunstenaarskringen als Marcel Duchamp, Man Ray en Francis Picabia, met name rond het verzamelaarsechtpaar Walter en Louise Arensberg, die hun huis vooral in de nachtelijke uren openstelden voor kunstenaars en schrijvers, dansers, acteurs, musici, kunstcritici, maar ook zakenmensen en advocaten; waar gegeten en gedronken werd, gedebatteerd, geschaakt, naar muziek geluisterd, gedanst, geflirt (of meer dan dat), ‘in een onwaarschijnlijke orgie van seksualiteit, jazz en alcohol’ (Gabrielle Picabia-Buffet). Tot voor kort was Elsa von Freytag-Loringhoven bij het grote publiek onbekend. De laatste jaren is hierin – terecht – verandering gekomen.

 

Fountain

Aanleiding voor haar toenemende bekendheid is een dit jaar opnieuw opgelaaide discussie over het auteurschap van de beroemd geworden pisbak van Marcel Duchamp, in 1917 onder de fictieve naam Richard Mutt ingezonden voor een tentoonstelling van de Society of Independent Artists in New York. Het werd, ondanks de onafhankelijke en juryvrije basis, geweigerd door leden van het organisatiecomité (waarvan ook Marcel Duchamp en Walter Arensberg deel uitmaakten, die zich na de weigering terstond uit het comité terugtrokken).

In Nederland werd de nieuwe ophef rond het urinoir, medio juni van dit jaar, vooral in de NRC geventileerd, gebaseerd op een gelijktijdig verschenen artikel in kunstmagazine See All This. Daarin wordt gesuggereerd – met veel ‘indirect bewijs’ – dat niet Duchamp zelf, maar barones Elsa de bedenker van dit kunstwerk zou zijn (‘De leugen van Marcel Duchamp’; ‘Duchamps brute daad’: Duchamp zou zich dit werk, waarvan alleen nog de iconische foto van Alfred Stieglitz resteert, dus ten onrechte hebben toegeëigend). Niet ondenkbaar, want Elsa was gefascineerd door (naast seks dus) poep- en piesdingen, en zij had óók tamelijk vrije kunstopvattingen.

Al lijkt het verleidelijk om hierin mee te gaan, ik doe dat niet: de aangedragen argumenten in de richting van de dada-barones snijden geen hout; bewijs is er dus niet voor te leveren, overigens ook niet voor Duchamp als inzender, al past het wel perfect in zijn recalcitrante benadering van de moderne beeldende kunst, en dus ook in zijn oeuvre. Veel wijst erop dat hij, met een aantal medeplichtigen, de inzending van en controverse rond dit object op touw heeft gezet. Ik zal er in een volgend stukje mogelijk nog op terugkomen, maar de belangrijkste bevindingen staan ook in mijn stukje uit 2016 over het urinoir: Duchamp’s Fountain.

assemblages

Elsa von Freytag-Loringhoven maakte assemblages, collages, tekeningen, schilderijen. Daar bestaan niet veel meer van, al is ook niet bekend of ze veel meer gemaakt heeft dan wat er bewaard is gebleven. De kunsthandel – overwegend een mannenbolwerk – zag er in elk geval destijds geen brood in.

Haar bekendste werk is God, een stuk loodgieterswerk: een oude ijzeren zwanenhals, gemonteerd op een houten verstekbak. Lange tijd is dit ten onrechte toegeschreven aan de kunstenaar Morton Schamberg, voor wie deze assemblage als kunstwerk overigens atypisch is. Maar hij was er wel bij betrokken – hij heeft er een foto van gemaakt (met op de achtergrond een werk van hemzelf), en heeft het waarschijnlijk ook gemonteerd. Dit werk vormt een van de pro-Elsa argumenten in de Fountain-discussie: de sanitaire hoofdrol van God (uit 1917, evenals Fountain) zou volgens sommigen makkelijk tot de keuze van het urinoir hebben kunnen leiden. Zij het dat de zwanenhals oud en versleten was en het urinoir fonkelnieuw.

De meeste andere objecten van Elsa zijn aan God verwant: gevonden voorwerpen op een houten basis. Cathedral bestaat uit een verweerd, langwerpig en gelaagd stuk hout, met een ijzeren staafje gemonteerd op een houten blokje. Ter informatie: ‘cathedral’ was ook een bijnaam voor wolkenkrabber. Maar Elsa kon ook in een gevonden voorwerp zelf kunst zien. Zo vond ze in 1913, net in New York, een ijzeren ring op straat die ze de titel Enduring Ornament gaf. Klaar, niks meer aan doen. Ready-made. Mogelijk was zij daarmee de eerste westerse kunstenaar die een gevonden voorwerp tot kunstwerk bestempelde (ter vergelijking: Duchamp had zijn fietswiel ook in 1913 op een krukje gemonteerd, maar nog niet direct met een kunstoogmerk). Dat barones Elsa geen onderscheid maakte tussen kunst en leven, of concreter: tussen een kunstwerk en een mogelijk praktisch gebruik ervan, laten twee van haar objecten zien, die ze ook daadwerkelijk als onderdelen van haar outfits droeg. Earring-Object (c. 1917-19) is een assemblage, gehangen aan een oorbellendisplay. Die droeg ze ook aan haar oor. Limbswish (c. 1920; let op de mogelijke dubbele betekenis: limb-swish/limbs-wish) is een beweeglijke assemblage die ze soms aan haar heup droeg. Conceptueel is haar opdracht aan een vriendin: ‘Sarah, als je een blikje op straat vindt, blijf er dan bij staan tot er een vrachtwagen overheen gereden is. Breng het dan naar mij.’

dada

Over barones Elsa verscheen in 2002 een uitstekende, zeer prettig leesbare en boeiende biografie van Irene Gammel. Die is doorspekt met het woordje ‘dada’ als predicaat voor Elsa’s beeldende werk en gedichten, haar verschijningen, haar manier van doen en haar anti-bourgeois levenshouding. Alleen: Elsa wist waarschijnlijk zelf destijds, tot 1920, nauwelijks iets over dada.

Dada heeft New York nooit kunnen veroveren. Marcel Duchamp – in 1915 vanuit Frankrijk naar New York getrokken – was via Parijse connecties bekend met dada (in 1916 ontstaan in Zürich), maar heeft zichzelf er nooit mee willen afficheren. Behalve dan met de eenmalige uitgave van het blaadje New York Dada (april 1921), samengesteld door Duchamp en Man Ray, en met een pagina gewijd aan barones Elsa: een gedicht en twee portretfoto’s door Man Ray. Maar ‘dada’ zong wel rond in de New Yorkse avant-gardescene. In het juli-augustusnummer van 1920 van The Little Review wordt dada besproken en in verband gebracht met de barones. In het nummer van januari-maart 1921 is het Parijse dada-manifest ‘Dada soulève tout’ opgenomen en in het voorjaarsnummer van 1922 verdedigt Jane Heap het dadaïsme en typeert barones Elsa als volgt: ‘[…] When she is dada she is the only one living anywhere who dresses dada, loves dada, lives dada […]

Niet lang voordat Duchamp en Man Ray in 1921 New York voor Parijs verruilen, werken ze samen met Elsa aan een film: Elsa, Baroness von Freytag-Loringhoven, Shaving Her Pubic Hair. Het ontwikkelen van de film is helaas mislukt, maar de twee (gedeeltelijke) foto’s (die aan filmstills doen denken) van een naakte en geschoren, zelfbewuste Elsa die Man Ray op een brief aan Tristan Tzara plakte, zijn waarschijnlijk uit die sessie. In deze brief beklaagt hij zich over de onmogelijkheid om in New York iets van dada te maken: ‘Cher Tzara – Dada cannot live in New York. All New York is dada, and will not tolerate a rival, – will not notice dada’.

LEVENSVERHAAL

jonge jaren in Duitsland

Elsa’s levensverhaal is op zichzelf al bizar genoeg. Ze wordt in 1874 in het West-Pruisische dorp Swinemünde aan de Oostzee geboren als Else Hildegard Plötz. Haar vader is tiranniek en zelfzuchtig, haar moeder meegaand en ongelukkig. Elsa heeft nog een jonger zusje. Na haar middelbare school mag Elsa in Berlijn naar de kunstacademie, die ze voor een half jaar volgt. Ze is dan zestien en woont in bij een vrijgezelle tante. Elsa’s moeder heeft door haar zwakke fysieke en mentale gesteldheid niet meer de puf om bij haar echtgenoot aan te kloppen voor de rest van de opleiding. Elsa komt weer thuis. Haar moeder probeert zich van het echtelijk juk en ook van het leven zelf te bevrijden, laat alle remmen los en wordt opgenomen in een sanatorium, waar ze zich uitleeft in creatief handwerk, tot verrassing van Elsa samengesteld uit diverse heterogene (ook gevonden) materialen, in plaats van haar vroegere fijne borduurwerk. In dat sanatorium wordt vastgesteld dat ze baarmoederhalskanker heeft. Ze overlijdt als Elsa achttien is.

losbandig

Else Plötz loopt van huis weg na mishandeling door haar vader, en gaat opnieuw bij haar tante in Berlijn wonen, die haar helpt met het vinden van eigen woonruimte. Ze duikt vol overgave in het bruisende Berlijn – cafés, warenhuizen, nachtleven – en leidt een avontuurlijk, op seks geënt leven. Ze verdient geld als naaktmodel. Een eindeloze reeks mannen trekt voorbij, want naar eigen zeggen had ze iedere nacht een andere man, vooral uit het avant-garde kunstenaarsmilieu. Elsa loopt gonorrhoe op en gaat weer bij haar tante wonen. Ze is dan twintig jaar oud. Tante financiert een acteercursus, iets van vastigheid om haar nichtje (tevergeefs) te behoeden voor een al te losbandig leven. Elsa verdiept zich in toneelstukken van bekende auteurs (Goethe, Schiller, Ibsen e.a.) en doorloopt de toneelopleiding succesvol. Maar vlak voor haar slagen weet zij haar tante met een tactloze opmerking zo ernstig te beledigen, dat ze definitief kan vertrekken. Elsa solliciteert bij een vaudeville-groep en wordt showgirl. In deze vrouwelijke erotische omgeving maakt ze ook kennis met lesbische geneugten.

syphilis

Twee jaar later blijkt Elsa syphilis te hebben, wat haar fysiek, emotioneel en financieel tot op de rand van de afgrond brengt, ze kan immers niets meer, laat staan werken in de erotische entertainmentbranche. Ze laat zich in een ziekenhuis opnemen waar ze na een agressieve kwikbehandeling na zes weken van haar ziekte genezen zou zijn. Sterker gedreven om een nieuw leven te beginnen en haar artistieke ambities na te jagen, komt ze in nieuwe avant-gardekringen terecht, met name die rond de schrijver Stefan George en de schilder Melchior Lechter, met wie ze een relatie krijgt, en bij wie haar loopbaan als kunstenaarsmodel vastere vorm krijgt. Lechter vereeuwigt haar in 1896 als een androgyne Orpheus. Elsa zal in de loop van haar leven met haar androgyne uiterlijk blijven spelen.

Italië en München

Als Elsa in 1898 voor twee jaar naar Italië gaat, heeft ze haar extravagante voorkomen al overtuigend weten neer te zetten. Veel kleur, veel sieraden in bijzondere vormen, laarzen, hoeden, oriëntaalse stoffen. Met haar onconventionaliteit maakt ze indruk, op straat en in culturele kringen. In 1900 vertrekt Elsa vanuit Napels naar München. Daar volgt zij opnieuw teken- en schilderlessen en maakt ze kennis met een nieuwe artistieke avant-garde, waar een anti-patriarchale levenshouding heerst. Bij samenkomsten van deze groep ‘Kosmiker’ dansen de mannen in vrouwenkleren. Er heerst een anti-intellectuele en anti-technologische vrijheidsdrang waarin traditionele rolpatronen niets te vertellen hebben. Vrij seksueel verkeer en gebruik van genotsmiddelen als hasj en cocaïne. Elsa kan daarin voor een deel meegaan, maar voor een deel ook niet: zij verafschuwt al te veel sensualiteit – ondanks haar seksuele lusten vermijdt zij een te fijnzinnig erotisch plezier. Zij neemt de rol aan van een agressief-bezitterige verleidster, die de traditionele conventies binnen de hetero-sex omdraait.

huwelijken

In deze kringen ontmoet ze de architect August Endell, met wie ze in 1901 trouwt. Endell kan echter niet aan haar seksuele verlangens tegemoetkomen. Een jaar later maakt zij kennis met vertaler en schrijver Felix Paul Greve, die met goedkeuring van Endell haar minnaar wordt, nadat ze hem in de heteroseksuele liefde heeft ingewijd. Ze trekken in 1903 gedrieën naar Italië, waar Endell zich snel buitengesloten voelt. Felix Greve heeft veel schulden, komt wegens fraude ruim een jaar in de gevangenis in Bonn, terwijl Elsa in Italië achterblijft en haar seksleven voor een groot deel met homoseksuele mannen beleeft. Ze publiceren samen als ‘Fanny Essler’ een roman over haar seksuele avonturen. Ze trouwen in 1907 na een moeizame echtscheidingsprocedure met Endell. Greve’s gevangenisstraf voorkomt niet dat zijn schuldeisers hem in toenemende mate op de huid zitten.

Amerika

Felix Greve besluit – om aan zijn onmogelijke financiële situatie te ontsnappen – in samenspraak met Elsa in 1909 zijn eigen dood in scène te zetten (‘zelfmoord’), om daarna naar Amerika te vluchten. Elsa volgt hem een jaar later naar Pittsburgh. Een paar maanden na aankomst wandelen ze er samen door een drukke winkelstraat en worden gearresteerd omdat Elsa, een sigaret rokend, in mannenkleren loopt. Na enige tijd runnen ze in Sparta, Kentucky, een kleine boerderij, maar het huwelijk strandt. Greve vertrekt in 1911 plotseling naar het westen waar hij bij een grote bonanza-farm terechtkomt. Het jaar erop emigreert hij naar Canada, waar hij naam zal maken als de schrijver Frederick Philip Grove. Elsa doet modellenwerk voor kunstenaars in Cincinnati. Via Philadelphia bereikt ze New York in 1913, om er een nieuw leven als kunstenaar te beginnen. Ze ontmoet haar derde man, baron Leopold von Freytag-Loringhoven, met wie ze vrij snel trouwt, waarbij ze aangeeft dat ze vrijgezel is en achtentwintig jaar oud in plaats van negenendertig, terwijl ze officieel nog getrouwd is met Felix Greve. Leo heeft geen cent te makken. Elsa werkt intussen in een sigarettenfabriek en als model, onder meer voor Man Ray. Maar ook dit huwelijk is geen lang leven beschoren, want kort nadat baron Leopold zich aan het begin van de Eerste Wereldoorlog vrijwillig voor Duitse militaire dienst meldt, wordt hij krijgsgevangen gemaakt in Frankrijk. Niet lang na zijn vrijlating na vier jaar pleegt hij zelfmoord.

In New York leeft Elsa in armoedige omstandigheden. In Philadelphia ook, als zij er begin 1917 tijdelijk naartoe uitwijkt. Ze slaapt er een periode op bankjes in parken en wast zich in openbare vijvers, waarvoor ze regelmatig gearresteerd wordt. In Philadelphia komt ze in contact met onder anderen de kunstenaars George Biddle (bij wie ze zich als model aanbiedt) en Morton Schamberg (met wie ze de sculptuur God maakt).

Berlijn en Parijs

Korte tijd na het uitbrengen van hun blad New York Dada vertrekken Marcel Duchamp en Man Ray in 1921 naar Parijs, net als vele andere New Yorkse kunstvrienden. Ook Elsa voelt zich in New York steeds minder thuis, en niet gewaardeerd. Zij wil ook naar Parijs, maar kan geen visum krijgen. In 1923 gaat zij terug naar Berlijn, in de hoop op een beter leven, terwijl er juist op dat moment in Duitsland een gigantische economische crisis woedt. Haar vader blijkt haar te hebben onterfd. Ze overleeft er ternauwernood als krantenverkoopster, maar verarmt steeds meer tot op de rand van de waanzin, al krijgt ze wel financiële en mentale steun van haar vrienden uit Amerika. Ze wil weg uit Duitsland, het liefst naar Parijs of anders terug naar Amerika.

einde

Elsa krijgt het in 1926 voor elkaar om naar Parijs te gaan, waar haar kansen lijken te verbeteren. Maar – opnieuw het noodlot – op 14 december 1927 sterft ze, op haar 53ste, samen met haar hondje Pinky, aan de gevolgen van een open gaskraan in haar hotelappartement. Enkele van haar vrienden waren ervan overtuigd dat het geen zelfmoord geweest is, maar dat óf zij zelf vergeten is de gaskraan dicht te draaien, óf iemand anders die juist opengedraaid heeft. Aan de andere kant komen zelfmoord en pogingen daartoe meermaals voor in haar familiegeschiedenis, én ze heeft er ook in brieven en gedichten op gezinspeeld. We zullen het nooit weten.

Bronnen, o.a.:

Irene Gammel, Baroness Elsa. Gender, Dada, and Everyday Modernity. A Cultural Biography. Cambridge, MA, London, UK (MIT Press) 2002
Amelia Jones, ‘New York Dada: Beyond The Readymade’, The Dada Seminars (ed. L. Dickerman en M. Witkovsky), Washington (Nat. Gall. of Art) 2005, p.150-171
Theo Paijmans, ‘Duchamp’s brute daad: Het urinoir is niet van Duchamp’, See All This nr. 10, zomer 2018 (15 juni 2018), p.18-29
Sandra Smallenburg, ‘De leugen van Marcel Duchamp’, NRC , 14 juni 2018
Sandra Smallenburg, ‘Barones Elsa is de ware dada-koningin’, NRC , 28 juni 2018

Advertenties

Holland Dada Drachten cat omslag GG Ghosts 1934 30%Honderd jaar DADA wordt groots geëerd in Drachten. In Drachten? In Drachten. Dr8888. De tentoonstelling Holland Dada & the International Context loopt.

De opening op 23 april werd in Museum Dr8888 zelf ingeluid met een voorstelling van Professor Russolo & His Noise Intoners. Een absurd visueel spektakel met vindingrijke kostuums, decorstukken en rekwisieten rond een schaakspel en een geroosterde dodo. Sterke dynamische lichteffecten en een prachtige muziekscore. Let op: de voorstellingen zijn elke laatste zaterdag van de maand gratis te beleven in het museum.
Aan het eind van het officiële openingsprogramma diezelfde middag, in cultureel centrum De Lawei, hield de wethouder van Cultuur een openingspraatje dat meteen gevolgd werd door een dadaïstische performance van ondergetekende met een zestal handlangers, inclusief de wethouder zelf. Klinkende klinkers, ratelende ratels en een chaotisch simultaangedicht. Leuk, maar dit terzijde.

Hoezo Drachten, trouwens, of all places? Wat heeft Drachten met dada, en wat heeft dada met Drachten?

Theo van Doesburg

VoorTheo van Doesburg maaier 1921 de Drachten-connectie zijn allereerst een paar ontmoetingen van De Stijl-voorman Theo van Doesburg van belang, ontmoetingen die uitmondden in langdurige vriendschappen. In zijn Tilburgse militaire diensttijd leerde hij, naast de Tilburgse protodadaïstische dichter Anthony Kok, ook de Drachtster schoenmaker en dichter Evert Rinsema kennen. Van Doesburg werd later door Rinsema in Drachten uitgenodigd waar hij kennismaakte met Everts broer Thijs, ook schoenmaker, en schilder. Daar ontmoette hij vervolgens de architect C.R. de Boer, met wie hij in 1920-21 samenwerkte om gevels en interieurs van woningen en een school in de kleuren en vormgeving volgens zijn Stijl-principes te ontwerpen. Te revolutionair voor Drachten, want de kleuren moesten er van de bewoners het jaar erop alweer af. ‘Papegaaienbuurt’, zo was het buurtje inmiddels gedoopt. In 1988 werden de Stijl-kleuren weer in ere hersteld. In elk geval was de relatie Van Doesburg-Drachten gevestigd.

Ook internationaal legde Van Doesburg veel contacten, onder meer met de dadaïsten Kurt Schwitters, Raoul Hausmann, Hannah Höch, Hans Arp en Tristan Tzara. In Weimar bracht Van Doesburg als Stijl-constructivist een samenwerking met het Bauhaus tot stand, wat op heftige conflicten uitliep. Zijn Stijl-ideeën bleken te vooruitstrevend voor het Bauhaus, en zijn persoonlijkheid te eigengereid. Hij ging met Stijl-lezingen op tournee door Duitsland, ontmoette daarbij de Hannoveriaan Schwitters in de zomer van 1921 en werkte mee aan soirees over De Stijl, dada en merz (het ‘dada’ van Schwitters) samen met zijn vrouw Nelly, Schwitters en zijn vrouw Helma, Hausmann en Höch.

Als Stijl-voorman werd Van Doesburg gevraagd om als gastheer mee te werken aan de organisatie van een constructivistencongres in Weimar, in oktober 1922, maar hij was intussen zo gegrepen door dada, dat hij daarvoor ook de dadaïsten Tzara, Arp, Hausmann en ‘merzdada’ Schwitters uitnodigde. Dat viel niet in goede aarde bij de initiatiefnemers van het congres (onder wie El Lissitzky en Laszlo Moholy-Nagy), omdat zij in dada weinig constructiefs zagen. Bonje, rebellie. Het congres werd vooral dadaïstisch. Tzara maakte meteen van de gelegenheid gebruik om dada op te heffen, maar evengoed vonden er nog twee dada-soirees in Hannover en Jena plaats. Intussen had Van Doesburg, die zijn Stijl-principes gepassioneerd bleef uitdragen, voor zijn dada-kant het pseudoniem I.K. Bonset bedacht, dat hij zelf overigens nooit publiekelijk als zijn alter ego heeft willen onthullen.

dada-veldtocht

Doesburg Schwitters Nelly Helma 1923

Zijn dada-enthousiasme leidde begin 1923 tot een Hollandse ‘dada-veldtocht’ door Den Haag, Haarlem, Amsterdam, Den Bosch, Tilburg, Utrecht, Rotterdam en Leiden met zijn vrouw Nelly, Kurt Schwitters en vaak ook met Stijl-kunstenaar Vilmos Huszár. De avonden begonnen met het manifest van Van Doesburg ‘Wat is Dada?’ dat door Schwitters vanuit het publiek telkens met geblaf werd onderbroken. Huszár bespeelde zijn ‘mechanische dansfiguur’, geprojecteerd op een scherm, en Nelly (of ‘Pétro’) speelde op de piano stukken van avant-gardecomponisten als Satie en Rieti. Schwitters droeg zijn eigen absurdistische teksten voor. Het publiek liet zich in de loop van de tournee steeds meer meeslepen door de provocaties en meligheden van Schwitters en Van Doesburg, maakte dierengeluiden, beklom het podium, gedroeg zich steeds agressiever. De laatste dada-avond vond plaats in Drachten, en werd uitgevoerd door Kurt Schwitters solo.

advertentie Groote dada avond Leiden 14 feb 1923affiche dada veldtocht haarlem 12 jan 1923

K. Schippers

Een laatste relevante Dada-Drachten-link kwam tot stand door het contact dat Paulo Martina, directeur van Museum Dr8888, een paar jaar geleden legde met de schrijver K. Schippers, die in 1974 het boek Holland Dada had uitgebracht en een groot dada-archief bleek te bezitten. Dat dada-archief schonk Schippers aan het museum.

de tentoonstelling

Dat een relatief klein museum in een noordelijke provincieplaats zo’n ambitieuze tentoonstelling met veel werk van oorspronkelijke dadaïsten weet te organiseren: hulde! Al is lang niet al het werk dadaïstisch te noemen (van een aantal kunstenaars en schrijvers die bij dada betrokken zijn geweest, is ook werk te zien uit ondadaïstische perioden), de expositie is goed opgebouwd, mooi en overzichtelijk ingericht per dada-plaats, met veel originele publicaties (boekjes, tijdschriften, affiches).

Holland

Otto van Rees stilleven met gitaar 1916

Het accent van de tentoonstelling ligt op de internationale Holland-dada-connecties. Zo is er van het Nederlandse echtpaar Otto en Adya van Rees vooral kubistisch werk te zien, schilderijen en collages. Zij hadden al in Parijs en Italië gewoond, trokken in 1915 naar het Zwitserse Ascona, waar ze Hans Arp ontmoetten, met wie ze regelmatig in Zürich verbleven. Daar exposeerden ze gezamenlijk kubistisch en abstract werk, waarmee ze de basis legden voor een nieuwe kunst die met het Zürichse dada geassocieerd zou worden. Van Otto en Adya van Rees was ook werk in Cabaret Voltaire te zien, maar of ze er deelgenomen hebben aan dadaïstische optredens is niet bekend.

Uiteraard is er in Drachten speciale aandacht voor het werk van Thijs Rinsema, van wie het museum veel in bezit heeft. De autodidact Rinsema had vanuit Drachten met De Stijl, dada en andere moderne kunst kennisgThijs Rinsema collagedoosje 1924-30emaakt, vooral door Van Doesburg en Schwitters, waarbij hij tot een levendige kunstproductie kwam. Hij maakte vanaf 1920 kubistische en geometrisch-abstracte tekeningen, schilderijen en collages. Eigenlijk meer een combinatie van kubisme, De Stijl en dada. Zijn speelse collagedoosjes met ingelegd fineer zijn prachtig.

Andere logische headliners in deze Holland-Dadacontext moeten Van Doesburg en Schwitters zijn. Probleem bij Van Doesburg is: onder zijn eigen naam was hij De Stijl, voor dada was hij I.K. Bonset. Hij organiseerde dada-optredens en gaf naast De Stijl een dadaïstisch tijdschrift uit, Mécano. Literair chef (‘gérant litéraire’) hiervan was I.K. Bonset, beeldmonteur (‘mécanicien plastique’) Theo van Doesburg – zo kwamen beide persoonlijkheden in dit medium samen. ‘Administratie en vertegenwoordiging voor Holland’ waren gevestigd bij De Stijl. Maar dadaïstisch werk – gedichten en beeldwerk – maakte hij uitsluitend als I.K. Bonset. Onder deze naam is in de tentoonstelling een sterke, dynamische collage van Van Doesburg te zien.

IK Bonset Gewapen 1915-25

Van Kurt Schwitters is een serie van zes litho’s uit 1923 tentoongesteld, die vooral strakke geometrische vlakken laten zien, waarin dus de constructivistische elementen (zoals van De Stijl) de overhand hebben. Die rechthoekjes en balkjes zijn dan wel weer op een speelse manier over het vlak verdeeld. Over speelse vlakken gesproken: de Groninger drukker Hendrik Nicolaas Werkman maakte beeldend werk door materiaal uit zijn drukkerij (bijvoorbeeld de achter- en zijkanten van letterblokken) op papier af te drukken. ‘Druksels’ noemde hij dit werk. Werkmans inventieve gebruik van drukmateriaal, zijn composities én zijn typografie zou je dadaïstisch kunnen noemen. Van Werkman zijn een paar mooie druksels uit de museumcollectie te zien.

hn werkman affiche expositie 1931

Paul Citroen was in Berlijn opgegroeid, als zoon van een Nederlandse vader en een Duitse moeder. Hij is onder meer bekend van zijn fotomontages, met name Metropolis uit 1923. Alleen: vanaf 1917 woonde hij meestal in Nederland. Hij had wel in kringen (lees: cafés) rond Berlijnse dadaïsten verkeerd, maar nam niet deel aan dadaïstische activiteiten. Waarom is Citroen dan op zo’n dada-tentoonstelling vertegenwoordigd? Misschien vanwege die fotomontages, die wel volgens dadaïstische principes gemaakt waren, maar van opzet en karakter weer niet dadaïstisch zijn, daarvoor zijn ze te harmonieus, en missen ze een zekere stekeligheid. Opmerkelijk is wel de deelname van zijn acht jaar jongere broer, de toen veertienjarige Hans Citroen, aan de Berlijnse Dada-Messe in 1920. Van Hans (‘Jugendgruppe Dada’) waren daar vier collages te zien, waar hij mogelijk wel samen met zijn broer Paul aan gewerkt heeft.

Paul Citroen metropolis 1923 litho 1972

erwin blumenfeld bloomfield president-dada-chaplinist 1921

 

 

 

Tussen haakjes: een sterkere Holland-Dada-connectie zou Erwin Blumenfeld zijn. Met hem leidde Paul Citroen zogenaamd de Hollandse Dada-Centrale. Dat was meer een grap, want ze waren niet werkelijk met dada-activiteiten bezig. Blumenfeld, een Berlijnse jeugdvriend van Citroen die in 1918 naar Nederland kwam, was meer dada-georiënteerd dan Citroen. Hij maakte een tijdlang dadaïstisch ogende fotomontages, waarop hij zichzelf een enkele keer omschreef als ‘Dada-Chaplinist’. Van Blumenfeld alias Bloomfield was een gedicht in het derde nummer van Der Dada (het Berlijnse dada-tijdschrift) opgenomen; in hetzelfde nummer staat hij ook als medeondertekenaar vermeld van een protest tegen het verbod van de Duitse autoriteiten op de films van Charlie Chaplin. Blumenfeld was dus wel tot op zekere hoogte met dada bezig, maar vooral op afstand. Hij correspondeerde vanuit Nederland met Tzara en Huelsenbeck, maar had dan weer geen contact met Van Doesburg of Schwitters, en het is ook niet bekend of hij iets van de Hollandse Dada-veldtocht heeft meegemaakt.

internationale dada-centra

Voor de internationale context heeft het museum uitgepakt met enkele grote namen, die, naast de secties Nederland en Drachten, de belangrijkste dada-centra vertegenwoordigen: Zürich, Berlijn, Parijs, New York, Hannover en Keulen, en zelfs Antwerpen (Paul Joostens). Het lastige bij zo’n indeling is juist die internationale context van dada. Want de dadaïsten waren veel op reis, onder meer om de oorlog te ontlopen, en werkten dus ook op verschillende plekken. Dan moet je je bij de keuze voor een plaats baseren op de datering van de werken: wanneer maakten ze dit en dat? Lastig: soms is de datering niet precies bekend, soms de verblijfplaats niet.

Zo zijn Otto en Adya van Rees zowel bij Zürich als bij Nederland ingedeeld. Hun werk zal in Zürich zeker invloed gehad hebben op kunstenaars als Arp en Janco, in die zin horen ze heel logisch op deze tentoonstelling thuis. Al is er van hen ook werk van na de dada-periode te zien – overigens goed en speels werk – het laat zien hoe het experimentele en nonconformistische dada bij deze kunstenaars van blijvende invloed geweest moet zijn. Ook voor Kurt Schwitters geldt, dat die voor zijn ‘merz-dadaïstische’ werk bij zijn oorspronkelijke woonplaats Hannover is ingedeeld, en voor twee curieuze naturalistische potloodtekeningen (een landschap en een portret, beide uit 1935) bij Nederland. Mooie tekeningetjes, dat wel, maar geen merz of dada. Maar dus wel Schwitters. Paul Citroen: zelfde verhaal. Bij Berlijn ingedeeld vanwege zijn fotomontages, bij Nederland met een grappige tekening van een wc-pot. Zelfs ook bij Drachten, vanwege zijn prachtige fotoportret van Thijs Rinsema.

man ray it's springtime 1961Van de grote dada-namen Marcel Duchamp, Man Ray en Francis Picabia is verrassend genoeg veel werk te zien, verdeeld over de secties Parijs en New York. Van Duchamp en Man Ray zelfs meerdere objecten, waaronder een replica van Ray’s strijkijzer-met-spijkers Cadeau (het origineel was op dag 1 van zijn eerste solotentoonstelling in Parijs, in december 1921, al verdwenen). Maar ook weer veel werk, zelfs uit hun latere levensfasen, omdát het van hen is (van Picabia een tekeningetje van een naaktmodel…) – evengoed leuk om te zien. En ook hier weer de indelingsproblemen: wat hoort bij New York, wat bij Parijs? Moeilijk om daarbij volledig zorgvuldig te blijven.

 

george grosz fräulein und liebhaber kl gr mappe 1917

Berlijn is vooral vertegenwoordigd door George Grosz met zijn vlijmscherpe satirische tekeningen en een schilderij uit 1934. Zo is zijn Kleine Grosz Mappe met twintig litho’s uit 1917 er in zijn geheel uitgestald. Geen werk uit de Berlijnse dada-periode (1918-1920), maar het is wel Grosz. Otto Dix was ook zo’n zwartgallige tekenaar en schilder. Van hem was werk te zien op de Berlijnse Dada-Messe van 1920, verder heeft hij weinig met dada of Berlijn te maken. Dix doet mee in Drachten met tekeningen over de oorlog en een lustmoord. Van Hans Richter zijn een aantal sterke abstracte tekeningen te zien. Hij deed mee met de dadaïsten in Zürich vanaf 1917, maar daarna niet met die in Berlijn. Ten slotte zijn van Max Ernst (Keulen) enkele drukwerkcollages van zijn bundel La femme 100 têtes (1929, Parijs) te zien.

max ernst la femme 100 têtes 1929 l'immaculée conception

de catalogus

De catalogus is prachtig vormgegeven en bevat interessante artikelen. Van K. Schippers is de inleiding, een leuk stuk dat al eerder (in 1982) gepubliceerd was. Een goed overzicht van de internationale context van dada wordt gegeven door Paulo Martina. Na artikelen over ‘Holland Dada’ (Annemieke Keizer-Sloff) en ‘Dada in Drachten’ (Remco Heite) volgen interessante stukken over dada-typografie (Hester Jenkins), over Holland-dada-connecties Paul en Hans Citroen en Erwin Blumenfeld (Dick Adelaar) en over ‘Dada en muziek’ (Emanuel Overbeeke); ten slotte een boeiend verhaal van Niels Bokhove over de relatie tussen Schwitters’ Merzbau en de toenmalige mode om lunchrooms als grotten in te richten.

Hoe dada was Holland? Behalve Theo en Nelly van Doesburg vond geen van de Nederlandse kunstenaars zichzelf dadaïst. Ze waren voor hun beeldende werk, en trouwens ook voor hun dichtwerk, in zekere mate geïnspireerd door dadaïstische werkwijzen, maar dadaïst? Nee. Dada was leuk en inspirerend, maar uiteindelijk ging het hen om serieuze moderne kunst. Kurt Schwitters noemde Holland wel dada. Het eerste nummer van zijn tijdschrift Merz (januari 1923) is gewijd aan Holland Dada.

merz 1 cover

merz 1 p3

Al met al is de tentoonstelling absoluut de moeite van een bezoek aan Drachten waard. Uiteraard vanwege de prestatie een grote hoeveelheid dada- (of verwante) werken in dit relatief kleine museum bijeen te brengen, maar ook doordat er een logisch accent op Drachten gelegd is, waardoor ook lokale kunstenaars in een internationale dada-context geplaatst konden worden.

De tentoonstelling is nog te zien t/m 18 september. Tip: combineer het op een laatste zaterdag van de maand met de voorstelling van Prof. Russolo.

website Museum Drachten

literatuur, o.a.:

Tentoonstellingscatalogus Holland Dada en de internationale context. Drachten (Museum Drachten), Gorredijk (Bornmeer), 2016
K. Schippers, Holland Dada. Amsterdam (Querido), 1974 (herziene uitgave: 2000)
Helen Adkins, Erwin Blumenfeld, Dada Montagen 1916-1923. Berlijn (Hatje Cantz), 2008

In dit stukje meer over de film (1924, regie René Clair, script Francis Picabia, muziek Erik Satie). Want die is niet alleen maar grappig, absurd én cinematografisch boeiend, maar ook bedoeld als ironische aanklacht tegen de hypocriete moraal van de politieke machthebbers en de culturele elite in Frankrijk.

Maar eerst de uitslag van de prijsvraag! De prijs is gewonnen (al waren er geen volledig goede antwoorden bij) door de eerste inzender, die in elk geval vier namen goed had. Gefeliciteerd, A.! De bioscoopbon komt jouw kant op. Hierbij de mogelijke antwoorden op de vraag die in het vorige stukje gesteld werd:

  • Satie en Picabia bij het afvuren van het kanon in de proloog Entr'acte proloog Satie Picabia 2
  • Marcel Duchamp en Man Ray bij het schaakspel op het dak entr'acte duchamp man ray schaken
  • Picabia met geweer op het dak entr'acte picabia with rifle

 

proloog

De film begint al absurd: een kanon rijdt uit zichzelf heen en weer over het dak van een groot gebouw in een grote stad – je herkent Parijs – draait een rondje om zijn as, om zich uiteindelijk op de toeschouwer te richten. In vertraagde sprongen duiken Erik Satie en Francis Picabia links en rechts het beeld in. Na enig overleg pakken ze een kanonskogel, plaatsen die in het kanon en duiken meteen weer het beeld uit, nu snel achteruit. De kogel verlaat het kanon – recht op de toeschouwer af.

Entr'acte proloog Satie Picabia 1

Eigenlijk volgt nu het ballet, Relâche. De rest van de film wordt in de pauze van de balletvoorstelling vertoond, vandaar de naam van de film, Entr’acte: iets wat ‘tussen de bedrijven’, in de pauze gebeurt.

het ballet

Het ballet en de film horen bij elkaar. Picabia en Satie waren in contact gekomen met Rolf de Maré, directeur van dansgroep Les Ballets Suédois (concurrent van de Ballets Russes van Diaghilev), voor ideeën voor een nieuwe balletvoorstelling. Als basis moest een libretto van de schrijver Blaise Cendrars dienen, Après-diner, maar Cendrars vertrok onverwachts naar Brazilië, waarna Picabia het volledig naar eigen inzicht herschreef en bovendien het idee voor de pauzefilm inbracht. Voor zowel ballet als film schreef Satie de muziek. Zijn laatste composities overigens: Satie overleed in 1925.

RelâcheVan het ballet is geen script bewaard gebleven, wel de muziek en het programma van Satie, een paar foto’s en enkele recensies. Het decor bestond uit een achterwand van 370 autolampen met reflectoren, die op de dynamiek van de muziek de zaal in schenen. De dansers droegen chique avondkleding: de mannen rokkostuum en hoge hoed, de vrouw(en) een elegante jurk en sieraden. Toonaangevende rekwisieten waren een draaideur en een kruiwagen. De danseres werd in de kruiwagen over het podium gereden, en ontkleedde zich half. Ook de mannen kleedden zich uit tot aan hun gestippelde lange ondergoed en hun hoge hoeden. Een met medailles omhangen brandweerman stond, rokend, voortdurend water uit een emmer in een andere over te gieten. Na afloop van de voorstelling reed Picabia in een auto het podium op. Choreograaf en hoofddanser was Jean Börlin, die in de film ook de onfortuinlijke kermisjager en de uit de doodskist herrijzende tovenaar speelt.

391 okt 1924 adv Relache

En dan de titel. ‘Relâche’ betekent: ‘Geen voorstelling’ of ‘Afgelast’. Een dadaïstische grap van Picabia. Nu wilde het lot dat de voor 27 november 1924 geplande première daadwerkelijk werd afgelast wegens ziekte van Börlin. Het schijnt dat veel bezoekers, ingesteld op een grol van Picabia, vergeefs uren hebben staan wachten. Een week later vond de première alsnog plaats.

de film

Entr’acte is (na de proloog) in twee delen te onderscheiden: het eerste wordt bepaald door verschillende beelden die niets met elkaar te maken lijken te hebben. Het tweede deel heeft een anekdotische samenhang, die gaat over een bizarre, uit de hand lopende begrafenisprocessie.

Het eerste deel is in vorm vergelijkbaar met een aantal andere dadaïstische films uit die jaren, zoals van Hans Richter (Filmstudie), Man Ray (Le retour à la raison en Emak-Bakia) en Léger/Murphy (Ballet Mécanique). Veel verschillende opnamen die elkaar snel afwisselen, veel montagespelletjes. Beelden op hun kop, schuin, meerdere opnamen door elkaar, naast elkaar, bekraste filmfragmenten. Maar Picabia wilde met zijn beelden ook tegen het zere been van de goede smaak schoppen. Zoals een balletdanseres die van onderen gefilmd wordt, dansend op een glasplaat. Van onderen – letterlijk onder de rokken.

entr'acte daken

entr'acte poppen 2

 

 

 

 

 

 

Toch is er wel eenheid in vorm. De schuin op z’n kop gefilmde Parijse daken vol schoorstenen zorgen al dat de kijker aan het beeld gekluisterd is. En gekluisterd blijft, door het ritme en de dynamiek van de montage, afgewisseld met gefilmde dynamiek (leeglopende ballonhoofden, voorbijrijdende landschappen, boksende bokshandschoenen, dansende benen), beeldassociaties en herhalingen – ondersteund door Satie’s muziek.

Een inhoudelijke samenhang zie je niet zo gauw in dit eerste deel. Maar toch, een paar dingen: er zijn wel veel daken in beeld. Veel speelt zich af op één dak, het is het dak van het Théatre des Champs-Elysées, het gebouw waar de balletvoorstelling plaatsvindt. Op het dak ben je machtig, als op een kasteel op een berg. Je torent hoog boven je omgeving uit, je kijkt neer op het geneuzel beneden. Aan de andere kant: van een dak kun je ook af vallen. Poppen stellen keurige burgermensen voor, maar hun hoofden zijn gevuld met lucht, of zelfs dat niet meer: leeghoofden. Een elegante ballerina is van onderen niet elegant meer, en van voren ook niet als ze opeens een volle baard en een bril blijkt te hebben. Twee schakende heren (Duchamp en Man Ray) worden het niet eens over hun partij, totdat een fikse plens water op het schaakbord een eind aan het spel maakt. Boksende bokshandschoenen brengen wat vechtlust in de film. Brandende lucifers op een mannenhoofd laten je ongemakkelijk voelen. Dat is Picabia: breng met irrationele situaties ongemak onder de toeschouwers. Verras ze met ongebruikelijke gezichtspunten, doorbreek verwachtingspatronen.

entr'acte ballerina 2

entr'acte danser baard

 

 

 

 

 

 

processie

Het tweede, anekdotische deel begint in een schiettent zoals op de kermis: boven een waterstraal danst een ei, op de achterwand zijn schietschijven bevestigd. Opeens verschijnt de dubbelloop van een jachtgeweer, recht op jou gericht. Dan de man erachter in traditioneel jagerskostuum, staand op de hoek van een dak. De jager aarzelt, het ei beweegt teveel. Of het vermenigvuldigt zich opeens: op tien waterstralen dansen tien eieren. Hij geeft het op. Nee, daar is weer één ei. Verheugd richt de jager opnieuw zijn geweer en schiet: raak! Het ei barst uit elkaar en daaruit vliegt een duif de vrijheid tegemoet. Hij landt op de hoed van de jager, die opgewekt tegen de duif gaat staan keuvelen. Intussen verschijnt een man met een geweer (Picabia), die de jager van het dak af schiet. Sterk is dat een rouwkoets al heel even in beeld verschijnt vóórdat het fatale schot gelost is. En dat je erna nog even het ei op de waterstraal ziet dansen.

entr'acte jager geweer

entr'acte 10 eieren

 

 

 

 

 

 

Nu de koets. Eerst zie je een deel van de zwarte stof waarop een hartje met de initialen FP en ES bevestigd is. Geintje. Dan de koets van opzij, met slingers, broodkransen en beenhammen. De camera beweegt langzaam langs de koets naar voren, en dan: een kameel (dromedaris) als ‘koetspaard’. De muziek klinkt gedragen, Satie heeft hier de Marche funèbre van Chopin als thema ingezet. Intussen vormt zich een stoet van begrafenisgasten, in zondagse kledij, die de buitentrap van een groot stadshuis af lopen. Enkele vrouwen condoleren de weduwe bovenaan de trap, hun jurken worden omhooggeblazen door een sterke windvlaag die toevallig alleen op die plek actief is. Een ceremoniële man direct achter de koets plukt verveeld van een broodkrans en eet een paar stukken op. De kameel wordt meegetrokken, de koets zet zich in beweging, het gedragen begrafenisthema van Chopin is alweer losgelaten. De stoet achter de koets… wat doen die gasten? Die springen, in slow-motion. Mooie, hoge en verre sprongen – mannen met hoeden, vrouwen in plechtige jurken. Tussendoor weer even die ballerina van onderen. De muziek is nu ook weer langzaam. Een stadsbeeld met druk verkeer, sterk vertraagd. Weer die ballerina. De stoet arriveert op een piste met een mini-Eiffeltoren in het midden, die zo te zien bij de kermis hoort. Nu in normale snelheid.

entr'acte kameel

entr'acte condoleance jurk

 

 

 

 

 

 

entr'acte processie springen 4

entr'acte processie springen 6

 

 

 

 

 

 

Opeens is de koets losgekomen van de kameel. De koets gaat zijn eigen weg, steeds sneller. De gasten van de stoet beginnen te rennen, ook steeds sneller. Steeds vreemdere gasten rennen mee. Een atleet in sporthemd. Een landarbeider. Een invalide man in een karretje. Auto’s rijden mee. Fietsen. Oef, een paar scherpe bochten. De muziek wordt enerverender.

entr'acte processie rennen invalide

entr'acte processie rennen koets

 

 

 

 

 

 

entr'acte processie rennen achtbaan

entr'acte processie rennen schuin

 

 

 

 

 

 

Ook de montage gaat sneller, scènes lopen in elkaar over, dubbelopnamen. Een troep wielrenners. Een vliegtuig, een boot. De invalide man houdt het voor gezien in zijn karretje, veert op en rent mee. Alles rent nu over landweggetjes, langs dorpen, over de achtbaan op de kermis. De beelden worden wilder, dubbel, driedubbel, gespiegeld, op z’n kop – een hallucinerende race – tot de kist uit de koets valt, een buiteling maakt en in een veld tot stilstand komt. Ook de muziek hervindt een rustig thema. Het deksel van de kist beweegt, de neergeschoten jager herrijst vrolijk in een tovenaarspak met vreemde decoraties, en tovert met een stok eerst de kist weg, daarna de aanwezige gasten, en ten slotte zichzelf.

entr'acte processie wegtoveren

entr'acte FIN duik

 

 

 

 

 

 

Einde. Door een papieren scherm met het woord FIN duikt een man die languit op de grond terechtkomt. Meteen wordt hij bij zijn hoofd (als een voetbal) teruggeschopt, waarna hij achteruit terugduikt en het woord FIN weer hersteld in beeld komt. Op dat moment komen in het theater de dansers weer op voor de tweede acte van het ballet.

De film is dadaïstisch hilarisch en absurd. Maar niet alleen dat: qua vorm is Entr’acte zeer eigenzinnig, en inhoudelijk levert die een sterk ironisch commentaar op de naoorlogse houding van de politieke en culturele autoriteiten.

slapstick

Het ballet moet een absurd schouwspel geweest zijn, de pauzefilm is dat ook. Bij zowel het ballet als de film werden de scènes effectvol ondersteund door de muziek. Zo vormde de dansvoorstelling samen met de muziek en de film een multimediaal geheel, waarin vooral vooroorlogse kunstinvloeden verwerkt zijn. Een spektakel dat voor een deel door het futurisme geïnspireerd is, maar ook door populair volksvermaak. Ken je de Keystone Cops nog? Die slapstickfilmpjes, van Mack Sennett. Picabia en Clair voelden zich erg geroepen de geest van die filmpjes op Entr’acte over te dragen, denk aan de dolle race van de koets en zijn achtervolgers. Chaplin was ook zo’n invloed. Een bewuste hang naar de low art van het volksvermaak. Natuurlijk zijn er ook de avant-gardistische experimenten met de camera en in de montage, maar die staan niet op zichzelf, ze ondersteunen vooral de absurde situaties.

Voor de muziek gebruikte Satie volks- en soldatenliedjes als basis, maar dus ook een passend thema van Chopin. Ja, ook Satie versterkt met zijn muziek het slapstickgehalte van de film. Zijn compositie voor Entr’acte is voornamelijk opgebouwd uit repeterende motieven (ostinati) – met vooral veel blaaswerk en percussie – die niet alleen de filmbeelden ondersteunen, maar ook onderling verbinden.

tijdsbeleving

391 okt 1924 Instantanéisme cover

Interessant is ook hoe Picabia elke narratieve structuur wilde ontregelen (zoals hij eigenlijk alle logica op de proef stelde). Geen lineair verhaal, geen regelmatige tijdsindeling. Hierbij waren de concepten van de Franse filosoof Henri Bergson van invloed: het concept van de tijdsduur (durée), waarin niet het lineaire tijdsverloop uitgangspunt moet zijn, maar de persoonlijke tijdsbeleving. Die beleving wordt niet alleen door causale verbanden gevoed, maar ook door irrationele mentale processen, oftewel de intuïtie (intuition). Doordat Picabia vertrouwde vertelstructuren saboteert, raakt de toeschouwer van Entr’acte, gewend aan films met een logisch opgebouwd verhaal, al behoorlijk uit balans. Dadaïstisch ontregeld. Geïnspireerd door Bergson noemde Picabia zijn denkwijze ‘instantanéisme’. Daarin gaat het om het moment, om de beleving van het moment. Het moment dat in voortdurende beweging is. Nu. Niet gisteren of morgen. Picabia over film:

Cinema moet geen imitatie zijn, maar een evocatieve uitnodiging, snel als een gedachte in onze hersenen.

politiek

En niet in de laatste plaats is Entr’acte ook als politieke satire te beschouwen. Terwijl de van onderen gefilmde ballerina al tegen de goede smaak van de burgerman in gaat, is de ontheiliging van de rouwprocessie een rechtstreekse aanval op de goede zeden zoals de Franse autoriteiten die bij de bevolking wilden inbakken. Het snoepen van de broodkrans, de opwaaiende jurken bij de condoleances, de kameel, de op hol geslagen koets door het landschap, achtervolgd door van alles, de uit de koets in een veld tuimelende doodskist, de olijke herrijzenis, het laten verdwijnen van de kist, van de begrafenisgasten en de als tovenaar herrezen overledene zelf: respectloos. Hoezo? Op verschillende manieren wilden de autoriteiten de bevolking zoet houden om in het reine te komen met de oorlogsslachtingen, waarvoor dezelfde autoriteiten grotendeels verantwoordelijk waren geweest. Door het voeden van patriottisme, de verering van oorlogshelden, de uitgebreide herdenkingen van de slachtoffers. Velen van hen kwamen van het platteland. En juist de doldwaze tocht van de koets en zijn gevolg eindigt op het platteland in een farce. Hup, weg met die sentimentele en hypocriete moraal, dacht Picabia. Door de geïndustrialiseerde samenleving was de mens immers ook een soort machine geworden, ‘onthersend’, ontdaan van leven. Ga weer leven! Leef in het moment, en gebruik daarvoor je intuïtie.

commémoration WW1

Dada bestond in 1924 al niet meer als beweging, als dada al een beweging genoemd zou moeten worden. Picabia had al lang afstand genomen van Tzara en ook van Breton, die intussen met zijn groep volgelingen het Surrealisme had bedacht. Maar Picabia had zijn dadaïstische gedachtegoed vastgehouden. Entr’acte is dada.

NB! Ik ben benieuwd wat jullie van de film vinden: wat zijn de meest memorabele scènes, wat trok het meest je aandacht, wat vind je van de muziek, dat soort dingen. Graag in een Reactie.

Nogmaals de film:

En hieronder de link naar een aardige uitvoering van Relâche uit 1979 (Holland Festival), zoals geïnterpreteerd door de Knetekompanie uit Keulen, choreograaf Jochen Ulrich. Uitvoering van Satie’s muziek door het Nederlands Kamerorkest o.l.v. Reinbert de Leeuw. Inclusief Entr’acte. Uitzending NOS op 6 november 1979. Het decor is nagebouwd, echter zonder de lampen. Van de oorspronkelijke rekwisieten is wel de kruiwagen overgenomen, geen draaideur.

http://www.cultura.nl/speel.WO_NTR_359754.html

Literatuur, o.a.:

Noël Carroll, “Entr’acte, Paris and Dada” in Interpreting the Moving Image, Cambridge 1998 (p.26-33) link
Bruce Elder, Dada, Surrealism and the Cinematic Effect, Ontario 2013.
Benjamin Fondane, recensie, 1 maart 1925, link
Chris Joseph, “After 391: Picabia’s early multimedia experiments”, link
John Mueller, “Entr’Acte and Relâche”. Dance Magazine, juli 1977. link
Robert Orledge, Satie the Composer, Cambridge University Press 1990. p.177 ev, “The strange case of Relâche”.
Mickaël Pierson: “Entr’Acte”, link
Christopher Townsend, “The Last Hope of Intuition: Francis Picabia, Erik Satie and René Clair’s Intermedial Project Relâche”, Nottingham French Studies, vol. 50 nr. 3, 2011, link
Christopher Townsend, “’The Art I Love is the Art of Cowards’: Francis Picabia and René Clair’s Entr’Acte and the Politics of Death and Remembrance in France after World War One”, link

Satie indeling Relâche uit Orledge

Een film, én een muziekstuk. Beide uit 1924. Bedoeld om samen te gaan, maar ja, niet goed afgestemd, dus wat krijg je: de muziek duurt anderhalf keer zo lang als de film. En die muziek ís al zo snel. Dus dat ging niet meteen samen – de film werd zonder de muziek vertoond, en ook de muziek leidde lange tijd een zelfstandig leven. De film is van de kunstenaar Fernand Léger, in samenwerking met de cineast Dudley Murphy, en met hulp van Man Ray. De muziek is van George Antheil.

ballet mecanique - machinerie

Léger

De Franse schilder Fernand Léger was in die tijd in de Parijse moderne kunstwereld al bekend met zijn kubistische en ‘postkubistische’ schilderijen. Geometrisch geabstraheerde taferelen van mensen in interieurs, stadsgezichten, landschappen, fabrieken, met veel typerende rondingen van ledematen en voorwerpen. Als een soort kachelpijpen. Zijn schilderijen ogen mechanisch: door de zakelijke manier van schilderen én doordat de uitgebeelde vormen soms zo uit de fabriek gerold lijken te zijn. Hij had een fascinatie voor machines en fabrieken. Die fascinatie komt terug in zijn enige film, Ballet Mécanique.

Leger - La partie de cartes 1917

Légers interesse in het machinale komt voor een groot deel voort uit zijn ervaringen aan het front tijdens de Eerste Wereldoorlog. Daarvóór had hij een steeds abstractere, kubistische beeldtaal ontwikkeld, maar zijn kennismaking met oorlogsmachinerie, met medesoldaten in loopgraven, zijn overleving van een mosterdgasaanval – al die ervaringen leidden tot een eerherstel van de figuratie in zijn werk – vooral mensen – en tot een meer machinale vormgeving.

de film

Ook in Légers film draait het om machines. Snel draaiende machineonderdelen, snel draaiende kermiswagentjes, alles lijkt continu in beweging. Snelle montage, dynamiek tot aan het kookpunt. Met ook veel gefragmenteerde, kaleidoscopische beelden. Veel ronde schijven. Blinkende machineonderdelen. Niet alleen machines, er komen ook mensen in voor. Maar dan zonder dat ze in een verhaal meedoen, eigenlijk zijn het ook filmische objecten, terwijl ze in hun trage, gestileerde bewegingen mooi contrasteren met de snelle dynamiek van de machines.

Ik heb een video van de film gekozen mét de muziek van Antheil (onderaan). Na de openingstitels leidt een kubistisch geanimeerde Chaplin-trampfiguur de film in: Charlot présente le Ballet Mécanique. Hierin zit een woordspeling: Charlot is de Franse benaming van Charlie Chaplin als tramp, maar staat ook voor ook André Charlot, een bekende impresario, acteur én financier van deze film.

ballet mecanique - charlot

ballet mecanique - woman on a swing

 

 

 

 

 

 

De beginscène met een bevallige, glimlachende vrouw op een schommel zet je meteen al op het verkeerde been, want die scène wijst in niets op wat er gaat komen – althans, zo lijkt het. Bovendien knalt de muziek er juist bij die eerste lieflijke scène zo heftig in, met paukenslagen, xylofoons, gongs en zwaar geroffel, dat je als kijker vanaf het begin al ontregeld bent. En alsof dat nog niet genoeg is, volgt plotseling een buiteling van gefilmde voorwerpen zoals een hoed, een typemachine, een driehoek, flessen, cijfers – vanwege de snelheid niet in één keer te vatten, het is steeds een enkel beeld (of soms hooguit een paar) per opname, gedurende nog geen tien seconden. Bij deze beeldenreeks – die wél vooruitwijst naar wat er komen gaat – past de muziek als gegoten.

Maar goed, het toenmalige publiek zag de film met alleen het geluid van de projector, en ook zonder muziek is de spanning tussen de beelden al groot. Die spanning is er vooral in de beeldcontrasten en in de montage. Zo vormt die lieflijk schommelende vrouw niet alleen een misleidend contrast met de snelle beweeglijkheid in de rest van de film – het schommelen zélf wordt een terugkerende beweging. Slingerbeweging: slingerende bollen die hun omgeving reflecteren, een hoog slingerende mand met een meisje erin, zwiepende machineonderdelen. Verder draait er van alles – snel draaiende machines, snel ronddraaiende wijzerplaten, snel draaiende kermiskarretjes. Continue beweging.

ballet mecanique - kaleidoscopic swinging balls      ballet mecanique - smile and shadow

 

 

 

 

 

Tussendoor ook: mensen. Een sterk opgemaakt vrouwengezicht, ogen open en weer dicht. Een mond, glimlachend open en weer dicht. Veel herhalingen. Een mannenhoofd dat even opduikt tussen kaleidoscopisch bewegende industriële voorwerpen, en dan weer onder gaat. Vrouwenbenen, in statige poses. Een vrouw die een trap oploopt met een grote zak over haar schouder – op zich al een atypisch (gevonden?) fragment in de film. Eindeloos herhaald, wat ook weer de suggestie van een mechanisch verloop wekt.

ballet mecanique - woman climbing stairs

ballet mecanique - kaleidoscopic face 2

 

 

 

 

 

 

Dan zie je opeens getekende abstracte geometrische vormen – driehoeken, rondjes – die in gevarieerde vorm een stuk of acht keer terugkomen. Ze verschijnen en verdwijnen weer, telkens verrassend, want in verschillende kleuren. Kleuren? Ja, met de hand ingekleurd. Groen, blauw, roze, van groen naar blauw, van geel naar blauw, van blauw naar groen.

ballet mecanique - pink triangle

ballet mecanique - 000

 

 

 

 

 

 

Ook zomaar een nieuwsbericht: ON A VOLÉ / UN COLLIER DE PERLES / DE 5 MILLIONS. Hier lijkt opeens een anekdotisch element toegevoegd (“parelketting van 5 miljoen gestolen”), maar dat zinnetje wordt – afgezien van het onzinnige, dadaïstische karakter ervan in de context van de film – vooral gebruikt voor filmische brokstukken. Veelvuldige herhalingen van de drie zinsfragmenten, ook in spiegelbeeld, veel 0’s groot in beeld, in reeksen of alleen, af en toe onderbroken door opnamen van een sieraad (geen parelketting).

Zo ontdek je steeds meer thema’s in de film, die soms terugkeren en soms niet. Op die manier is er een mooie balans ontstaan van snelle bewegingen in machineonderdelen, trage bewegingen van ogen en monden, variaties in de montages van woorden en cijfers, terugkerende voorwerpen als hoeden en flessen. Geen strakke structuur maar ook geen willekeur. Juist de speelsheid van ongelijkmatige herhalingen, van gevarieerde lengtes van shots, van bewegingen die makkelijk in elkaar overlopen en dan weer sterk contrasteren, van abstracte getekende vormen, overlopend in abstracte gefilmde vormen, tot realistische scènes, van machine tot mens tot machine, die speelsheid houdt je aan de film gekluisterd.

de muziek

De Amerikaan George Antheil componeerde de muziek bij deze film in Parijs in 1924, zoals gezegd niet in overeenstemming met de lengte van de film. Het muziekstuk – spektakelstuk, beter gezegd – ging in datzelfde jaar opmerkelijk genoeg niet in Parijs maar in Wenen in première. In 1926 volgde de Parijse première, die tot veel ophef leidde. De muziek beukt, klatert en ratelt. De overwegend atonale melodielijnen horten en stoten in de droge aanslagen van xylofoons en piano’s, met dissonanten op strategische plekken. Lange passages van drilboor-achtig geratel proberen de compositie te frustreren, maar die laat zich niets wijs maken.

Antheil with bells and propeller

Dat mechanische geratel komt van vliegtuigpropellers. Oorspronkelijk is het stuk gecomponeerd voor het volgende instrumentarium: 16 pianola’s, 2 piano’s, 4 xylofoons, 3 propellers, minimaal 7 elektrische bellen, een sirene, 4 grote troms, 1 gong. Het bleek echter een haast onmogelijke klus om met name de pianola’s (in vier delen) op elkaar af te stemmen. De vier pianoladelen werden teruggebracht tot één, er werden instrumenten toegevoegd. De vliegtuigpropellers waren in de uitvoering grote ventilatoren waar dingen tegenaan gehouden werden.

Op het podium moet dit ‘mechanische ballet’ er spectaculair uit hebben gezien. Eigenlijk zoals de futuristen een muziekuitvoering bedoeld hadden. Zo liet een deel van het publiek zich eind jaren twintig letterlijk wegblazen door de naar het publiek gerichte propellers, bij een uitvoering in de New Yorkse Carnegie Hall. Maar de complexiteit van de uitvoering verhinderde dat het vaak kon worden opgevoerd. Antheil maakte in 1953 een aangepaste, verkorte versie van het stuk, nu voor 4 piano’s, 4 xylofoons, 2 elektrische bellen, 2 propellers, pauken, een glockenspiel en andere percussie. Een uitvoering van deze versie is (vermoedelijk) sinds eind jaren tachtig bij de film (1989 in de door mij gekozen video) te horen. Een opzienbarende, geheel computergestuurde robotuitvoering was in 2006 te horen en te zien in de Gallery of Art in Washington DC. Die zal aardig in de buurt komen bij de oorspronkelijke mechanisch-muzikale visie van Antheil.

dadaïstisch

De film eindigt met een spel van wijnflessen, waarna de kubistisch geanimeerde, hoedafnemende Chaplin-trampfiguur van het begin weer verschijnt, opeens gevolgd door een scène met de vrouw van de schommel, ook van het begin, nu blij ruikend aan takjes in een haag. Alsof deze laatste scène niet al verwarrend genoeg is – want met die Chaplinfiguur denk je dat de film afgelopen is – verschijnt daarna opeens opnieuw de geanimeerde Chaplin, maar dan ten voeten uit. Hij beweegt alle kanten uit, volkomen richtingloos, beweegt heftig van links naar rechts terwijl hij nog netjes zijn hoed afneemt, is volledig de controle over zichzelf kwijt en valt uit elkaar. Totdat alleen zijn hoofd nog is overgebleven, dat rondjes draaiend uit beeld verdwijnt.

ballet mecanique - bottles

ballet mecanique - charlot disintegrated

 

 

 

 

 

 

Zowel de film als de muziek worden ‘dadaïstisch’ genoemd, hoewel noch Léger, noch Antheil aan dadaïstische activiteiten heeft deelgenomen. In de film zitten geen irrationele, absurde of onlogische verhaalelementen zoals in Hans Richters Vormittagsspuk of Man Ray’s Emak-Bakia, maar de vervreemding van vooral de begin- en eindshots verwarren je als kijker. Bovendien word je overrompeld door de snelle opeenvolging van contrasterende beelden, meestal snel bewegend, soms juist traag. Hetzelfde geldt in feite voor de muziek. Die is minstens zo overrompelend, snel, hard, en vreemd vanwege het mechanische karakter en het nonconformistische instrumentgebruik.

En dan nu de film!

 

Opmerkelijk 1: in september 2013 werd de film, samen met andere dadaïstische films, in het EYE Filmmuseum in Amsterdam vertoond met een live uitvoering van Antheils oorspronkelijke score door Nora Mulder, aangepast voor piano, in anderhalf keer de normale snelheid om hem passend aan de film te maken. Een korte impressie kun je zien in het filmpje in deze link (Ballet Mécanique vanaf minuut 1’40’’).

Opmerkelijk 2: van de dadaïst Picabia was al een afbeelding van een ondefinieerbaar object bekend met de titel ‘Ballet Mécanique’, gepubliceerd in zijn blad 391, als cover van nr. 7, New York, augustus 1917. Of Léger en/of Antheil deze afbeelding kenden is niet bekend, maar ook niet onwaarschijnlijk.

Picabia Ballet Mécanique 391 1917

 

Bronnen, o.a.:
Wikipedia Ballet Mécanique
ASC John Bailey, “Antheil, Léger, Murphy, Man Ray: ‘The Ballet Mécanique’”
The International Dada Archive
ECinemaAcademy blog

 

Man Ray. Bekend als maker van dadaïstische en surrealistische schilderijen en objecten, maar vooral bekend als fotograaf. Bekend van zijn fotografische experimenten, van zijn fotogrammen die hij rayographs noemde, van zijn solarisaties. En van zijn portretten van bekende kunstenaars. Maar ook van zijn films. Over zijn eerste twee ga ik hier wat vertellen. De eerste, Le retour à la raison (1923), is een spontaan, springerig dadaïstisch werkje. De tweede, Emak-Bakia (1926), borduurt voor een deel voort op de eerste, maar is uiteindelijk al een schitterende surrealistische film.

man ray - à l'heure de l'observatoire, les amoureux

 

 

 

 

 

man ray cadeau

man ray rayograph

man ray le violon d'ingres

man ray lee miller solarized

 

 

 

 

 

 

 

 

man ray obstruction

 

Le retour à la raison

Van de ene dag op de andere is hij filmmaker, Man Ray. Zo moet het gegaan zijn: voor 6 juli 1923 staat in Parijs een dada-avond gepland, de berucht geworden Coeur à barbe (‘Bebaard hart’)-soiree. Initiatiefnemer Tristan Tzara laat Man Ray anderhalve dag van tevoren het affiche voor die avond zien. Daarop staat Man Ray vermeld als maker van een Dada-film. Ray heeft dan nog niet eerder een film gemaakt. Hij besluit het filmmateriaal zelf te bewerken, op de manier waarop hij ook zijn rayographs maakte: foto’s waarbij het fotopapier direct belicht wordt met voorwerpen, dus zonder gebruik van camera. Nu strooit hij objecten (o.a. spijkers, punaises, spiralen, zout en peper) over stroken celluloid, belicht het materiaal kort en ontwikkelt de film, op hoop van zegen. Daarnaast heeft hij nog enkele filmfragmenten liggen, die hij waarschijnlijk kort daarvoor met een camera heeft opgenomen. Die monteert hij tussen de rayograph-stroken door.

coeur a barbe 06071923 affiche 2

De presentatie van zijn film op de bewuste dada-avond vindt bij het publiek geen genade. Dat publiek is niet vertrouwd met de snelle, overwegend abstracte beelden – een regelrechte aanslag op het verwachtingspatroon én op de waarneming – en daar komt nog bij dat de film tijdens de vertoning twee keer breekt, en Ray ook nog niet erg handig blijkt te zijn in het lijmen van de breuken.

Bekijk deze korte film van nog geen drie minuten, met de ironische titel Le retour à la raison (‘De terugkeer naar de rede’):

De film schakelt van een druk wuivend gebladerte (althans, dat is wat ik erin zie) naar snel op elkaar volgende beelden van eenvoudige vormen, zoals spijkers, waarna je weer draaiende kermislichtjes ziet – draaimolens bij nacht. Concrete en abstracte vormen wisselen elkaar af. Concreet zijn in elk geval enkele rayograph-fragmenten: spijkers, punaises, een metalen veer.

man ray retour nails

man ray retour egg divider

 

Concreet zijn ook enkele met de camera gefilmde scènes in relatief lange shots: een eierrekje hangend aan een draad, voor een deel op zijn kop gefilmd, een rol papier, een beeld van een tandrad en de letters ‘DANCER’ met flarden rook ervoor (het gaat om Ray’s airbrush-schilderij ‘DANCER/DANGER, l’Impossible’ – de C zou inderdaad ook als G gezien kunnen worden – mogelijk verwijzend naar zijn relatie met variétédanseres en model Kiki de Montparnasse), en de eindscène: een langzaam draaiende vrouwentorso, gefilmd voor een raam met vitrage ervoor, wat een prachtig grafisch spel laat zien op het ontblote bovenlijf van Kiki. man ray retour kiki

Al moest de film extreem snel gemaakt worden, de montage lijkt niet helemaal willekeurig: de afwisseling van de verschillende beelden vind ik indrukwekkend. Materiaalexperimenten en gefilmde scènes vormen samen een sterke compositie. En ook al lijkt dit filmpje een probeersel, zonder vooropgezet concept, zonder logische verbanden ook (dus het tegendeel van een ‘terugkeer naar de rede’), toch draagt het de stempel van de maker met zijn ervaringen als fotograaf: bijzondere camerastandpunten, negatief beeld, dubbelopnamen, belichting, rayographs, waar nu uiteraard de beweging bij komt – zowel de bewegingen van het gefilmde als die van de camera.

Dat de film meteen zoveel ophef veroorzaakt, is begrijpelijk. Het publiek verwacht bij de aankondiging van een film een verhaal, scènes die met elkaar in verband staan. Dramatisch of komisch, of documentair, maar niet een rommelige wirwar van onbegrijpelijke filmfragmenten. Het publiek was speelfims van grote filmmaatschappijen gewend. De ophef komt de dadaïsten natuurlijk goed uit. Die gruwen van alle commerciële, gemakzuchtige monsterproducties uit de grote studio’s. Ze hopen het publiek te ontregelen met provocerende irrationaliteit.

Irrationeel is deze film zeker. En geprovoceerd voelt het publiek zich ook, het is op z’n minst op het verkeeman ray femme hommerde been gezet. Maar in hoeverre was Man Ray zelf bezig met provoceren? Dat weten we niet zeker. Feit is wel dat hij vooral experimenteerde om de esthetiek, om de poëtische kracht van het beeld, die overigens ook komisch of erotisch kan zijn. Vergelijk een still uit deze film, het beeld van het dramatisch uitgelichte eierrekje, met zijn foto’s van objecten die aan de muur gehangen zijn en die hij de associatieve titels ‘Man’ en ‘Vrouw’ heeft gegeven.

Duchamp

Man Ray’s interesse in gebruiksvoorwerpen als objecten kan niet los gezien worden van de invloed van Marcel Duchamp. Een wederzijdse invloed trouwens, sinds ze elkaar in 1915 in de VS ontmoetduchamp trapten, en daarna een levenslange vriendschap in stand hielden. Beiden zetten zich af tegen het persoonlijke kunstenaarshandschrift, en probeerden hun werk op een onpersoonlijke manier vorm te geven, alsof het industrieel vervaardigd zou kunnen zijn. Duchamp zette al in 1915 zijn ready-mades in, gebruiksvoorwerpen zoals een flessenrek of een sneeuwschep die hij op tentoonstellingen van beeldende kunst exposeerde. Bij voorkeur nieuw – in elk geval geen op straat gevonden oud roest – om elke zweem van artisticiteit te vermijden. In zijn schilderijen uit die tijd – voor zover Duchamp die nog maakte – is bijna geen ‘handwerk’ meer te herkennen.

Ook Man Ray liet het schilderen steeds meer los. Hij gebruikte op een gegeven moment een airbrush om de verf aan te brengen. Zijn schilderingen met die methode noemde hij aerographs. Maar vooral in de fotografie ontdekte hij dat de kracht van het beeld niet van een artistiek handschrift afhankelijk is. Juist in foto’s zag hij een grote poëtische kracht, door het werken met belichting, verrassende combinaties van beeldelementen, experimenten in de doka.

Emak-Bakia

Die poëtische kracht is sterk aanwezig in zijn volgende film, Emak-Bakia uit 1926. Een ´filmgedicht´ (cinépoème) zoals hij die film zelf benoemde, en surrealistisch. Surrealistisch door (weer) de irrationaliteit, de onvindbare logica tussen de nu voor een groot deel anekdotische scènes.

Eerst word je op het verkeerde been gezet door een reeks abstracte beelden die doen denken aan zijn eerste film: vage, bewegende lichtjes en vertikaal schuivende banen van lichtreflecties en ook weer die snel door het beeld schietende spijkers. Maar dan, na een kleine vijf minuten, lijkt er een verhaal te komen: langzaam komt een auto in beeld, daar­in een vrouw met een motorbril op. De auto maakt een tocht door een landschap, langs schapen, een dorp. Opeens schiet het beeld alle kanten op (de camera wordt de lucht in gegooid) – een ongeluk? In het volgende shot stappen vrouwenbenen uit de auto, meer vrouwenbenen, of dezelfde benen met steeds andere schoenen, dwars door elkaar. Vrouwenbenen die nu de charleston dansen op een ritmisch aangeslagen banjo. Een vrouw (gespeeld door een man) die door een groot huis naar achteren loopt, zich opmaakt en naar buiten loopt. De zee, vrouwenbenen op het strand. De zee, kantelend in het avondlicht. Vissen, vervorming van het beeld, dubbelopnamen, fade out. Het verhalende gaat weer over in vormtaal: een draaiende abstracte sculptuur van kurk, dansend met zijn schaduw op de muur, dubbelbeeld, meer draaiende abstracte vormen.

still emak bakia 1

still emak bakia 4

 

 

 

 

 

 

Zo blijft Man Ray spelen met de logica, met associatieve verbanden, en met experimentele filmtaal. Met verhaallijnen die geen coherent verhaal vertellen, die opeens onderbroken worden door abstracte filmbeelden. Abstracte filmbeelden, die worden doorsneden met opnamen van een vrouwengezicht met de ogen dicht en weer open. Of andersom. Want ik stel me voor dat de vrouw mijmert, droomt, en deze beelden ziet.

still emak bakia 5

still emak bakia 6

 

 

 

 

 

 

En dan opeens een vreemde zin: ‘La raison de cette extravagance’ (‘De reden van deze extravagantie’). Gevolgd door een scène van een aanrijdende auto, van boven gefilmd, waaruit een man stapt. Binnen maakt hij een doos met boorden open. Die boorden scheurt hij in de lengte doormidden. De boorden bewegen, gaan een eigen leven leiden. De man maakt vervolgens ook de eigen boord rond zijn nek los. De boord draait rondjes, lijkt te dansen in een steeds vervormder beeld.

still emak bakia 10

still emak bakia 11

 

 

 

 

 

 

Ten slotte weer een vrouwengezicht, de ogen open – nee, toch niet. Ze zijn dicht, maar op de oogleden zijn open ogen getekend. Nu gaan de ogen echt open. En weer dicht/open. Zo speelt Man Ray een spel met de blik. Met de ogen open en dicht, met de blik naar buiten en naar binnen. Op een prachtige manier weet Man Ray dromen te vertellen, in de poëtische abstracte beelden, en door die op een irrationele manier te verbinden met de speelfilmscènes die alleen maar flarden van verhalen vertellen. Als in dromen.

Emak-Bakia (Baskisch voor ‘laat me met rust’ – zo heette het huis, bij het Franse Biarritz, van de Amerikaanse mecenassen Arthur en Rose Wheeler, die de film gefinancierd hebben; in en om dit huis is ook een groot deel van de film opgenomen) heeft nog dadaïstische elementen zoals in Le retour à la raison, door een bewuste frustratie van de logica, waardoor de toeschouwer voortdurend op het verkeerde been wordt gezet. En door de experimentele abstracte beelden die je voor je kiezen krijgt. Maar die abstracte beelden kunnen ook je onderbewuste prikkelen, of in elk geval je verbeeldingskracht, en in die zin is de film juist surrealistisch. Man Ray heeft bewust het toeval in zijn manier van werken toegelaten – hij heeft gebruik gemaakt van een draaitafel (van een platenspeler), glas en/of kristal, vervormende spiegels. Daarnaast heeft hij ook dromen verbeeld met geregisseerde opnamen – een tweede (naast de irrationele abstracte filmbeelden) surrealistische methode.

Dada gaat in Parijs rond 1924 – met het eerste Manifest van het Surrealisme van André Breton – over in het surrealisme. Ook Man Ray volgt de groep schrijvers en kunstenaars naar het surrealisme. Hij maakt in de jaren twintig nog twee prachtige surrealistische films:

en

Cast Emak-Bakia: Kiki de Montparnasse (Alice Prin), Jacques Rigaut

NB1. Emak-Bakia  is oorspronkelijk geluidloos. Er bestaan kopieën van de film met muziek, samengesteld door Jacques Guillot uit Man Ray’s muziekcollectie.
NB2. In Emak-Bakia figureren (naar het schijnt) enkele sculpturen van Picasso.

Man Ray is in 1890 in de VS geboren als Emmanuel Radnitzky, en in 1976 in Parijs overleden.

Literatuur: (o.a.)

Man Ray, Self Portrait, 1963, (Penguin) 2012
Emmanuelle de l’Ecotais, Katherine Ware, Man Ray 1890-1976, (Taschen) 1999, 2004

 

bevor dada da war, war dada da (Arp)

Een poëtische film, waarin dadaveteranen oude kunstjes opnieuw tot leven wekken, zonder ze af te stoffen.

In deze film uit 1961 is Hans Richter weer ouderwets op dreef met zijn poëtische filmshots van objecten en bewegingen, van scherp uitgelichte dingen tot abstracte opnamen, van mensfiguren met maskers en kostuums. Ouderwets op dreef zoals in zijn Filmstudie uit 1926, met zijn vormexperimenten en trucages in gevarieerde, maar meestal snelle montages. In Dadascope is er speciale aandacht voor enkele objecten van Man Ray, zoals die strijkbout met het rijtje spijkers op het strijkvlak (Cadeau), en de metronoom met het fotootje van een vrouwenoog (Indestructible Object).

Richter Dadascope dice

     Richter Dadascope nails on red

 

 

 

 

 

oud

Gedichten van de oude dadaïsten vormen de rode draad in deze film, waaraan Richter vanaf 1956 werkte. Je hoort Hans Arp, Raoul Hausmann, Georges Ribemont-Dessaignes, Marcel Duchamp, Richard Huelsenbeck, Kurt Schwitters (oude opnamen van zijn Ursonate – Schwitters is zelf dan al dood), Man Ray, Tristan Tzara, een tekst van Theo van Doesburg voorgedragen door zijn weduwe Nelly, Hans Richter zelf, Marcel Janco, Walter Mehring. De meesten waren twintigers, of begin dertigers, toen ze hun gedichten maakten. Gedichten waar experiment en bravoure vanaf spatten. Nu hoor je dezelfde gedichten zo’n veertig jaar later voorgedragen door oude mannen, waar het vuur niet meer vanaf spat, en dat is een gekke gewaarwording als je die mannen en hun werk bewondert. Want die gedichten blijven goed en leuk, ook in deze lezingen. Je kunt in de meeste gevallen alleen maar gissen hoe die gedichten in een meer jeugdige voordracht geklonken zouden hebben. Waren de dadaïsten in hun glorietijd echt veel feller en vuriger op de podia? Waarschijnlijk wel, gezien de recensies van de optredens van vooral de Berlijse dadaïsten, maar zeker weten zullen we het niet, omdat er geen opnamen uit die tijd van bekend zijn.

De film is gemaakt in de VS, waar Richter toen woonde, en waar Duchamp, Ray, Huelsenbeck en Arp beschikbaar waren voor de cast. En Richter zelf is ook even te zien.

Richter Dadascope Man Ray's metronome

Richter Dadascope Duchamp breaking glass

 

 

 

 

 


teksten en beelden 

Je ziet prachtige beelden, je hoort gedichtvoordrachten op gedragen toon, tussendoor hoor je stukjes muziek. De beelden lijken niet te corresponderen met de teksten, dat wil zeggen: de beelden zijn geen illustraties van de gedichten. Wat doen rollende dobbelstenen en ketsende biljartballen bij de Ursonate van Schwitters? Hebben lot of toeval met de compositie van het gedicht te maken? Dan zou je die beelden eerder bij Duchamp of Tzara verwachten. Of wat te denken van de nachtelijke vuurtjes en Man Ray’s strijkbout-met-spijkers Cadeau bij de klankpoëzie van Hausmann? Of Man Ray’s metronoom-met-vrouwenoog Indestructible Object bij het gedicht ‘Minotaur’ van Arp? Terwijl twee als stier en stierenvechter verklede mannen het ‘herinneringsgedicht’ ‘Souvenir’ van Marcel Janco begeleiden? Geen logische verbanden.

Aan de andere kant spelen Duchamp, Arp, Huelsenbeck en ook Richter zelf wel weer hoofdrollen in scènes rond hun eigen gedichten. Maar die scènes lijken dan weer niets te maken te hebben met de inhoud van die gedichten. Bij zijn gedicht ‘Carte postale’ slaat Duchamp met een hamer bedachtzaam barsten in een glasplaat die hij in zijn andere hand houdt, waarbij op de achtergrond een deel van zijn (gebarsten) ‘Grote Glas’ (La Mariée mise à nu par ses célibataires, même) – het fragment van de vrijgezellenmachines – te zien is, mooi dynamisch uitgelicht, alles is in beweging. En bij zijn ‘Puns’ – woordspelgedichtjes zoals die ook op zijn rotoreliëfs staan – speelt hij een regisseur die vanuit een boom door een geïmproviseerde megafoon zijn acteurs toespreekt, bizar gekostumeerde levende schaakstukken op een levensgroot schaakbord. Huelsenbeck speelt bij zijn ‘onzingedicht’ ‘Ebene’ uit zijn bundel Phantastische Gebete een geharnaste ridder, die ook in een soort toneelspel gevloerd wordt. Semantisch verband, betekenis? Nee. Richter speelt met poëtische associaties, poëtische beelden bij de gedichten van de oude dadaïsten. Hij laat de voordrachten en filmbeelden hun werk doen, zonder directe verwijzingen, ze vinden elkaar toch wel.

Richter Dadascope balloons

Richter Dadascope pool billiard balls 2

 

 

 

 

 

 

muziek

Met de gekozen muziek is het eigenlijk net zo. De film begint en eindigt met een bekend thema uit Georges Bizets Carmen, ‘Couplets du toréador’, vrolijkstemmend losjes en niet al te zuiver gespeeld op (volgens mij) blokfluiten. Dat muzikale thema van de stierenvechter sluit weliswaar mooi aan bij de beelden van het ludieke gekostumeerde stierengevecht in de film, maar dan juist weer niet bij die scène. Tussen sommige fragmenten door hoor je boogiewoogie-muziek gespeeld op een blikkerig klinkende, klavecimbelachtige piano en een fluit.

 wasserette

De film eindigt met een absurde scène in een wasserette, waar een medewerker, een oudere man met bril en sigaar, zich af en toe losmaakt van zijn spelletjes patience om te kijken hoe het één van zijn draaiende wasmachines vergaat. Daar blijkt een man in te zitten met donkere vegen over zijn gezicht. De medewerker doet de wasmachine maar weer dicht. Bij een volgende inspectie verschijnt een schoon en verjongd gezicht met een opgewekt-ondeugende blik, de jongen spuit zwarte vloeistof in het gezicht van de man. De machine gaat snel weer dicht. Bij een laatste inspectie kijkt een nog jongere jongen verleidelijk naar de oudere man en trekt hem vervolgens de wasmachine in. THE END, in spiegelbeeld.

Een vreemd anekdotisch einde, terwijl de rest van de film vooral uit losse artistieke opnamen bestaat, zonder verhaallijnen. Richter houdt de spanning erin. De filmbeelden zijn op zich al boeiend, maar de spanning wordt vergroot doordat je steeds zoekt naar mogelijke verbanden tussen beeld en tekst. De wasserettescène vindt plaats tijdens de voordracht van het laatste gedicht, van Tzara, ‘La chanson dada’. Tzara zingt het gedicht, naar we moeten aannemen op een melodie van Georges Auric, want van hem is de muziek, wordt erbij vermeld. Kortom: verwarring alom doordat Richter telkens verbanden tussen tekst en beeld (en muziek) lijkt tegen te werken.

Richter Dadascope corrida

Richter Dadascope 2 women

 

 

 

 

 


spel

Toch zou je als rode draad in de film – naast het hoofdthema van de poëzie van de dadaïsten – het spel kunnen zien. Het spel vormde immers een belangrijk onderdeel van het werken en denken van de dadaïsten. Het verwijst naar het kinderlijke, onbedorvene, en tegelijk naar het toeval: dobbelstenen, speelkaarten, ballonnen. Maar ook bij volwassenen gaat het spel door in de vorm van stierengevechten, schaakspel, biljart. Spelen gaat dan meer gepaard met denken en behendigheid.

En om nog wat aanknopingspunten te geven laat Richter ook belangrijke inspiratiebronnen van de dadaïsten (en surrealisten) zien: etnografische beeldjes en maskers, en middeleeuwse tekeningen van fantasiedieren. 

Ten slotte, Richter zelf over deze film:

Er is geen verhaal, geen psychologische implicatie behalve als de toeschouwer die in de beelden wil zien. Maar toevallig is het ook allemaal niet, meer een poëzie van beelden die gebouwd zijn op associaties. Met andere woorden: de film neemt de vrijheid om te spelen met de mogelijkheden die film biedt, vrijheid waar dada voor stond – en nog steeds staat.

De beste kwaliteit van Dadascope vond ik in opgesplitste vorm in drie delen:

Opsomming van de gedichten:

PART I

–         Hans Arp: Dadasprueche.
–         Raoul Hausmann: Sound Poem.
–         Georges Ribemont-Dessaignes: Poëmes.
–         Hans Arp: Minotaur.
–         Marcel Duchamp: Carte Postale.
–         Marcel Duchamp: Puns.
–         Richard Huelsenbeck: Phantastische Gebete.
–         Kurt Schwitters: Fragments of Laut Sonate.
–         Man Ray: Revolving Doors.
–         Tristan Tzara: Mr. Antipyrine.
–         Theo van Doesburg: Royter (voorgedragen door Nelly van Doesburg).

PART II

–         Hans Richter: Manifest 1919.
–         Marcel Janco: Souvenirs.
–         Georges Ribemont-Dessaignes: Poëmes.
–         Walter Mehring: Dadayama.
–         Hans Arp: Poupoupoup.
–         Marcel Duchamp: Observations.
–         Raoul Hausmann: About Sound Poems.
–         Tristan Tzara: Baba.
–         Hans Arp (‘Arpiade’): Der Sekundenzeiger.
–         Tristan Tzara: La chanson dada.

Dadascope (1961):
Script en regie: Hans Richter
Camera: Arnold Eagle
Montage: Paul Falkenberg, Hans Richter

Dada ist für den Ohne-Sinn der Kunst, was nicht Unsinn bedeutet (Arp)