Post Tagged ‘maskers’

Maskerade

Doe de Maskerade! Zet je sleetse masker af – of ga in je beste vermomming – en laat de elf kunstetalages van de Amsterdamse Staatsliedenbuurt op je inwerken. Daar is momenteel maskerwerk van hedendaagse kunstenaars te zien, gecombineerd met Afrikaanse maskers, georganiseerd door de Stichting Polderlicht.

Een typische woonbuurt met typische woonstraten waar typisch niets bijzonders uitspringt. Waar ook niets bijzonders gebeurt – bewoners en bezoekers komen en gaan. Rustig, al rijdt er wel af en toe een tram langs. Dus ook de ‘Kunsttraject’-etalages knallen je niet van een afstand tegemoet, maar pas als je er vlakbij bent.

Ja, daar heb je er één. Een metershoge tekening van een mensfiguur in spijkerpak, met lange blonde haren achter een exotisch masker, sigaret in de hand. Man, vrouw? Westers, niet-westers? De tekening is op wit papier, de figuur is vrij vlak weergegeven in heldere kleuren. Het is werk van Charlotte Schleiffert. Waarom dat masker? Je wordt geconfronteerd met een onduidelijke, ambivalente identiteit. Haar onderwerpen belichten vaak politiek-maatschappelijke kwesties, zoals het koloniale verleden, religieuze tegenstellingen, seksueel geweld, economische belangen, stroperij. Demonische maskers verbeelden het samenspel van goede en kwade machten. Schleifferts tekeningen zijn krachtig in hun helderheid, zo’n niet-westers masker kijkt je zelfbewust aan, zeker in contrast met de westerse kleding. Naast de tekening hangen twee Afrikaanse maskers, plus nog een gehaakt masker met handjes van Carmen Schabracq, die in een volgende etalage uitgebreid aan bod komt. Want dat is óók verrassend in deze tentoonstelling: al ligt per etalage het accent op werk van één kunstenaar, samen met Afrikaanse maskers, opeens kan er ook een masker of beeld of tekening of poster van een van de andere deelnemende kunstenaars tussen opduiken.

Klaas de Jonge

De Afrikaanse maskers zijn uit de collectie van Klaas de Jonge, de antropoloog die midden jaren tachtig bekend werd als anti-apartheidsactivist in Zuid-Afrika en twee jaar vastzat in een gebouw van de Nederlandse ambassade in Pretoria, nadat hij was opgepakt voor wapensmokkel voor het ANC. Vanaf eind jaren negentig werkte hij mee aan onderzoek naar de genocide in Rwanda; als tegenwicht voor de gruwelijke verslagen van de Rwandese burgeroorlog begon De Jonge traditionele beelden en maskers te verzamelen. De meeste zijn afkomstig van het Lega-volk in Oost-Congo. (Zie ook Polderlicht: Zeg ken jij de maskerman).

Als kunstwerken zijn ze niet bedoeld, die Afrikaanse maskers. Wel als min of meer functionele objecten die geesten herbergen van voorouders, mythische figuren, ziekten, vruchtbaarheid e.d. Ze bieden bescherming en hebben hun plaats gekregen in rituelen zoals bij geboorte en overlijden, huwelijk, initiatieriten.

In de westerse wereld worden ze wel als kunstwerken tentoongesteld, al zijn de makers van die beelden in de regel onbekend. Vanaf het eind van de negentiende eeuw werden verzamelingen objecten uit verre culturen ondergebracht in musea voor volkenkunde. Die exotische objecten waren voor een habbekrats van de lokale bevolking gekocht, of gewoon ongevraagd meegenomen uit de koloniën (‘roofkunst’). Met hun vreemde vormen en verhoudingen werden ze vaak gezien als primitieve curiosa, maar ook inspireerden ze veel kunstenaars in het Westen: Picasso raakte in de ban van hun vormtaal, die een sterke impuls aan de ontwikkeling van het kubisme gaf – denk aan zijn Demoiselles d’Avignon. Ook de Duitse expressionisten raakten geobsedeerd door Afrikaanse en Oceanische beelden en maskers. Terwijl die objecten voor de kubisten belangrijk waren vanwege hun bijzondere vormen, hadden ze voor de expressionisten ook een emotionele en spirituele zeggingskracht, en getuigden ze van een puurheid die in de westerse samenleving steeds verder te zoeken was.

oerbewustzijn

De dadaïsten gingen nog een stap verder: de westerse samenleving was in hun ogen volkomen verdorven geraakt. Technologische innovaties hadden weliswaar voor steeds meer gemak gezorgd (liften, roltrappen, gemotoriseerd transport), maar ook tot de verwoestende gevolgen van de Eerste Wereldoorlog geleid (tanks, mitrailleurs, gevechtsvliegtuigen, gifgassen). Ook de taal was verziekt in de oorlogspropaganda en de verslaggeving in kranten. In hun Cabaret Voltaire voerden de dadaïsten steeds meer irrationele performances uit, geïnspireerd door een soort algemeen oerbewustzijn dat zij in ‘primitieve’ culturen zagen. Ze droegen gedichten uit fantasiewoorden voor en omhulden zich met zelfgemaakte, op niet-westerse vormen gebaseerde kostuums en maskers. Hun dansbewegingen waren vaak impulsief, geleid door het onbewuste. De maskers en kostuums versterkten die impulsiviteit. (Zie ook Dada Afrika)

Maskers zijn er om je achter te verschuilen, om je identiteit te verhullen, om tijdelijk een andere identiteit aan te kunnen nemen, om je daarin gesterkt te voelen, of om ongestoord los te kunnen gaan met carnaval.

de maskerkunstenaars

Guda Koster pakt mensen in. In bijzondere kostuums, die ze zelf maakt. Zo kan een hoofd of een groot deel van het lichaam bedekt zijn door een geometrische vorm in dezelfde stof als de rest van het kostuum, en dan soms ook nog eens gefotografeerd tegen een achtergrond van hetzelfde dessin als van het kostuum. De grens tussen kleding, sculptuur of installatie kan dan behoorlijk vervagen. In een van de etalages hangt een foto van een figuur in mannelijk pak, voorovergebogen geknield, het hoofd bedekt door een grote ‘puntmuts’ die de vloer raakt, als verlengde van het pak. Sterk van vorm en grappig om te zien, ik krijg daarbij de associatie met een miereneter. Erboven en eronder zijn Afrikaanse maskers geplaatst.

Een andere kunstenaar die met omhullende kostuums werkt is Carin Baeten. Met haar poppen/kostuums/sculpturen is een etalage ingericht, tegen een achterwand met veel Afrikaanse maskers. Die poppen zijn verschillend van formaat, van manshoog tot kindermaatje. Ze staan je uitdagend aan te kijken – minimale ingrepen in het materiaal hebben expressieve gezichtsuitdrukkingen op de hoofden getoverd. Verschillende stoffen zijn inventief en spannend met elkaar gecombineerd. Door hun aardkleuren komen de houdingen en ‘gezichtsuitdrukkingen’ vanzelf sterk naar voren, en vormen ze een harmonieuze eenheid met de Afrikaanse maskers.


Carmen Schabracq
haakt kleurige maskers van wol. ‘Haar’ etalage hangt vol met maskers van dieren en fantasiewezens met cartooneske vormen. Een witte varkenskop met een roze snuit en even roze omrande ogen en oren, een zwarte soort miereneter met een lange witte snuit, een inktvis, felgekleurde vreemde vogels. De wollen maskers zijn aansprekend en komisch. En ze moeten in principe draagbaar zijn – zij draagt ze zelf ook, en komt daarmee op de foto. Tussen de wollen maskers door zijn ook behoorlijk karikaturaal aandoende Afrikaanse maskers geplaatst.



Mooi om te zien hoe uiteenlopend kunstenaars met maskers bezig kunnen zijn. Al die compleet verschillende materialen, vormen en verbeeldingen. Manshoge maskers van schuimrubber! Serge Game maakt ze. Krachtige vormen met een demonische uitstraling, zoals je ze in totempalen voor je ziet. Komische elementen, ook. Een uitgestoken ellenlange tong, opgerolde stukken schuimrubber op onverwachte plekken, rood-geel-wit-zwartgekleurde stokken die de vormen op hun plaats houden.


De fotograaf-kunstenaar Paul Bogaers maakt ‘fotosculpturen’, waarbij de fotografie – de laatste tijd voornamelijk ‘gevonden’ foto’s – vaak een prominente rol in de sculpturen speelt, maar soms ook helemaal niet meer, wat juist tot een grote diversiteit leidt. De beelden zien er quasi-primitief uit en lijken naar verre culturen te verwijzen. Ook weet hij met gevonden gereedschap of instrumentarium exotisch uitziende koppen te verbeelden, bijvoorbeeld met oude houtschaven, wat tot komische effecten leidt. Een foto van het gezicht van een blanke man is op een rudimentair gevormd mensfiguur geplakt, zijn lijf is omgord door lange vuurpijlen, bij wijze van wapentuig. Het even rudimentaire beeld ernaast heeft een bril op het voorhoofd. De meeste van die beelden zijn van papier maché. Daarmee maakt hij ook maskers met stukjes glas of spiegels erin – hè? Waar komen die nou vandaan? Soms moet je goed kijken om te ontdekken dat je niet naar een Afrikaans beeld kijkt maar naar een werk van Bogaers – een spannend en geestig samenspel met de Afrikaanse maskers.

De spannende kleurloosheid van het werk van Bogaers wordt in deze etalage prachtig verstoord door een grote rood-blauwe poster met een strak, schematisch gezicht, en een in dezelfde kleuren rood en blauw (toeval?) geschilderd gipsen masker, ook vrij schematisch van vorm.

Dat masker is van Carmen Schabracq, die poster van het ontwerperstrio HOAX. Ondanks de geometrische vormgeving straalt de tekening een sterke, cartoonachtige, maar ook demonische expressiviteit uit. HOAX (Bram Buijs, Steven van der Kaaij en Sven Gerhardt) is geen bureau met een specifieke stijl, maar werkt doordacht naar een visualisering van het opgegeven idee. In een andere etalage hangt ook weer een grote HOAX-poster, bestaande uit negen uitbeeldingen van exotische maskers, weer strak geometrisch, in verschillende felle kleuren. De maskergeest in hedendaags drukwerk. Deze poster is een levendige relatie aangegaan met een Afrikaans masker en een gigantische schuimrubberen totemkop van Serge Game.


Met deze Maskerade-tentoonstelling hebben John Prop en Loes Diephuis van Polderlicht een knappe prestatie geleverd. Zij hebben de Kunsttraject-etalages van de Staatsliedenbuurt ingericht, vijftig Afrikaanse maskers van Klaas de Jonge op een subtiele manier samengebracht met de uitgezochte hedendaagse maskerkunstwerken. Het speelse, inventieve, fantasievolle én komische karakter van deze kunstwerken past mooi bij de – ja, vaak ook komische – Afrikaanse maskers.

Nog t/m 12 november.

Meer info: Polderlicht

 

 

Advertenties

Over dada en Afrika. Wat hadden de dadaïsten met niet-westerse culturen?

Zürich

In Zürich gebeurt het, honderd jaar DADA. Tentoonstellingen en festiviteiten, er is sinds ruim tien jaar zelfs weer een café Cabaret Voltaire – met artistieke optredens – op de plek van het oude Cabaret Voltaire. Dus op naar Zwitserland, op naar Zürich. Inmiddels alweer een paar maanden geleden. We zouden het meemaken.

Juist in het keurige, aangeharkte Zwitserland, met in elk plaatsje wel een Hotel Adler en een Gasthof Bären, ontstond het opstandige, ludieke en ontregelende dada. Want alles wat de Eerste Wereldoorlog wilde ontlopen trok naar het neutrale Zwitserland. En in Zürich gebeurde het. Stad van cultuur en een bruisend uitgaansleven. Kunstenaars, schrijvers en allerhande artiesten uit de omringende landen ontmoetten elkaar daar. Het Duitse stel Hugo Ball en Emmy Hennings richtte een podium op voor artistiek amusement. Dat werd het Cabaret Voltaire, waar een groepje internationale kunstenaars en schrijvers voordrachten hield en liederen zong, wat geleidelijk aan uitgroeide tot complete gekte. Dada. Omlijst door moderne kunst en moderne muziek. Met een nadruk op modern, want zo lagen de ambities – er was toen nog geen sprake van anti-kunst en anti-muziek.

En omdat het daar honderd jaar geleden gebeurde, meenden een paar Zwitserse cultuurpromotors dat 2016 een groots dadajaar moest worden. In Zürich. Tentoonstellingen, een programma met optredens, soirees en symposia. Een volle agenda. Welnu, het programma ziet er aantrekkelijk uit, alles in het bereik van moderne cultuur, liefst experimenteel of met een gekke twist. Maar – het is wel Zwitserland – alles in het nette, geen shockwerking te verwachten. Dat geeft ook niet, de moderne cultuurliefhebber komt ruimschoots aan zijn trekken, en dat is natuurlijk de bedoeling.

Zürich, Münsterhof, Zunfthaus zur Waag -juni-2016

Zo hadden we ons aangemeld voor een heuse dada-soiree in het oude cultuurbolwerk Zunfthaus zur Waag, waar de dadaïsten vlak na het einde van Cabaret Voltaire, zomer 1916, nog huishielden met een daverend spektakel. Nou, we zouden het weer beleven. Langzaam druppelde een keurig gesoigneerd 65+ publiek een bovenzaaltje binnen, een publiek dat zich liet onderhouden door een bejaarde literatuurprofessor die over de geschiedenis van dadaïstische gedichten vertelde, waarbij een bijna bejaarde acteur telkens een passend gedicht voordroeg. De gedichten waren op zich goed, of leuk, en grotendeels bekend, de voordracht was professioneel te noemen. Maar wat een suffe boel zeg. Uitleg – voordracht – uitleg – voordracht… een volkomen logische en verrassingsloze opbouw. Dat bedoel ik: alles in het nette en stoffige, totaal ondada.

We waren er begin juni, dus er was al een en ander voorbij, jammer, je mist meer dan je meemaakt*, maar er was nog altijd veel te zien en ook wel wat mee te maken. Zo was er in het Kunsthaus een groots en indrukwekkend Picabia-retrospectief te zien, zeer de moeite waard, wat zeg ik, een must, al zijn topwerken uit alle perioden waren er. Voor mij een zeer gemoedopwekkende show, waar ook nog eens de ultieme dadafilm Entr’Acte (1924, van René Clair, script van Picabia) doorlopend op een tentoonstellingswand geprojecteerd werd. Inmiddels voorbij, maar vanaf 21 november tot 19 maart in het MoMA in New York.

dada Afrika

dada-afrika-catalogus-coverMaar wat boven alle verwachtingen uitpakte, was de tentoonstelling Dada Afrika. Inmiddels van het Zürichse Museum Rietberg verhuisd naar de Berlinische Galerie in Berlijn. Schitterend. De verbanden tussen dada en Afrikaanse, Oceanische en indiaanse culturen worden op een sterke manier uitgelicht. De bijbehorende catalogus put zich uit in uitstekende essays over alle mogelijke historische wetenswaardigheden en verbanden. Met prachtige reproducties.

Bij binnenkomst zie je al meteen twee hoogtepunten uit de Berlijnse Dada-Messe van zomer 1920: de aan het plafond zwevende soldaat met varkensmasker, en die paspop met gloeilamp als hoofd en allerlei vreemde attributen. Reconstructies, uiteraard. Nu vraag je je misschien af: wat hebben die met Afrika te maken? Tja, dat weet ik ook even niet, maar het is wel een leuke binnenkomer. Op dada Berlijn kom ik zo nog even terug.

dada-afrika-preussischer-erzengel-spiesser-heartfield

dada-messe-foto-opening

dada-afrika-aanblik

primitief

De dadaïsten in Zürich waren wel bezig met die ‘primitieve’ culturen. Dat waren de kubisten en de Duitse expressionisten ook, maar dan vanuit een heel andere invalshoek. Kubisten als Picasso zagen vooral een totaal nieuw soort vormgeving, andere manieren om mensen uit te beelden, vormen die goed van pas kwamen in de ontwikkeling van de kubistische beeldtaal. De expressionisten, vooral die van de kunstenaarsgroep Brücke uit Dresden, lieten zich door die andere culturen inspireren voor hun expressiviteit. Maar de dadaïsten zagen in die ‘primitieve’ cultuuruitingen vooral een puurheid die in de moderne westerse samenleving steeds meer ontbrak.

dada afrika mannelijke figuur, Ivoorkustdada-afrika-masker-ivoorkust

Hoe kwamen al die moderne kunstenaars er opeens bij om zich door exotische beelden te laten inspireren? Nou, je hoefde er niet heel erg je best voor te doen om ze tegen te komen: musea voor volkenkunde waren vanaf eind 19e eeuw als paddestoelen uit de grond geschoten, galeristen specialiseerden zich in Afrikaanse kunst, ook kunstenaars zelf gingen verzamelen. Vooral de musea hadden ze in grote aantallen in huis gehaald, voor weinig geld trouwens – veel van die objecten zijn als roofgoed uit de koloniën te beschouwen.

beschaving

Hugo Ball, Cabaret Voltaire, 23 juni 1916De westerse beschaving liet zich ten tijde van de Eerste Wereldoorlog van zijn meest asociale en naargeestige kanten zien. De industrialisatie had in sneltreinvaart voor technologische vernieuwingen gezorgd, die aan de ene kant wel steeds meer gemak brachten (transport, machines, warenhuizen met liften en roltrappen), maar aan de andere kant ook tot de miljoenenslachtingen van de Eerste Wereldoorlog én tot een groeiende sociale ongelijkheid leidden.

De ‘beschaafde’ westerse taal was verdorven geworden: de taal van de oorlogvoering, van de propaganda, van de kapitalistische misleiding. Hugo Ball wilde van die westerse taal af. Hij bedacht nieuwe gedichten, ‘gedichten zonder woorden’, of ‘klankgedichten’. Gedichten die bestaan uit fantasiewoorden, die hij associeerde met ‘pure’ beschavingen. Een bekend voorbeeld is zijn ‘Gadji Beri Bimba’ dat hij in Cabaret Voltaire in kartonnen kostuum voordroeg (zie Cabaret Voltaire & Talking Heads).

Niet alleen beelden, maar ook teksten uit Afrika en Oceanië werden gebruikt in de zoektocht van de dadaïsten naar het pure, het irrationele, naar een oergevoel dat tegenover de westerse ratio geplaatst kon worden. Tristan Tzara diepte liederen van de Maori’s uit Nieuw Zeeland op. 

Richard Huelsenbeck droeg ‘negergedichten’ voor, of doorspekte zijn irrationele verzen met gefantaseerde ‘negerwoorden’ (zonder zich te bekommeren om enige authenticiteit), onder begeleiding van een grote trom. ‘Oemba oemba!’ – bam bam bam! Hugo Ball schreef een week na de opening van Cabaret Voltaire in zijn dagboek:

Hülsenbeck is aangekomen. Hij pleit ervoor dat men het ritme versterkt (het negerritme). Hij zou het liefst de literatuur de grond in trommelen. (Hugo Ball, Die Flucht aus der Zeit, 11 februari 1916)

Die gedeclameerde onzinwoorden choqueerden het publiek. George Grosz maakte in Berlijn podia onveilig met zijn ‘niggersongs’, terwijl hij ‘negerdansen’ danste, al of niet met zwart geschminkt gezicht onder een strohoed.

maskers

In het Zürichse Cabaret Voltaire werd ook gedanst. Ball omschrijft hoe de dadaïsten op het podium met de groteske maskers van Marcel Janco en in hun zelfgemaakte kostuums, omhangen met de vreemdste attributen, tijdens de uitvoering van hun dansen de rationele controle over hun bewegingen verloren.

Toen gebeurde er iets bijzonders. Het masker verlangde niet alleen een kostuum, maar eiste ook heel bepaalde pathetische, aan waanzin grenzende gebaren. Zonder er vijf minuten eerder ook maar enig vermoeden van gehad te hebben, bewogen wij ons in de vreemdste patronen, gedrapeerd en omhangen met onmogelijke voorwerpen, terwijl we elkaar in vindingrijkheid overboden. De bewegingskracht van deze maskers openbaarde zich aan ons in een verrassende onweerstaanbaarheid. […] De maskers verlangden eenvoudigweg dat hun dragers zich in een tragisch-absurde dans in beweging zetten.

En ten slotte:

Wat ons allen aan de maskers fascineert is dat ze geen menselijke, maar méér dan levensgrote karakters en passies belichamen. Het gruwelijke van deze tijd, de verlammende achtergrond van de dingen is zichtbaar gemaakt. (Ball, Die Flucht aus der Zeit, 24 mei 1916)

janco-masker-1919-dada-afrika

Marcel Janco, masker, 1919

dada-afrika-masker-zwitserland

Carnavalsmasker Lötschental Zwitserland, 1e helft 20e eeuw

 

janco-marcel-1916-cabaret-voltaire

Janco’s oorspronkelijke maskers die op het podium van Cabaret Voltaire werden gebruikt, zijn vermoedelijk alle verloren gegaan. Het is dus niet zeker of de maskers die hij een paar jaar later maakte er hetzelfde uitzagen, maar de kans is redelijk groot. Ze waren gemaakt van destijds onartistieke materialen als karton, gips, jute, hout, stukjes touw en ander voorhanden materiaal, niet alleen geïnspireerd op Afrikaanse en Oceanische maskers, maar ook op traditionele (carnavals-) maskers uit Roemenië en Zwitserland. Op de bezoekers moeten ze een afschrikwekkende uitwerking hebben gehad, wat natuurlijk helemaal in overeenstemming was met de steeds meer provocerende en irrationele optredens van Cabaret Voltaire.

Hausmann & Schwitters

De Berlijnse dadaïsten hadden niet zo duidelijk de Afrika-connectie. Voor een deel bewust, om zich af te zetten tegen hun voormalige expressionistenvrienden, die soms Afrikaanse beelden in hun ateliers neergezet hadden. Zo was Raoul Hausmann bekend met zulke beelden, die ook hem in zijn expressionistische tijd geïnspireerd hadden. Maar als dadaïst was hij daar klaar mee. Zijn aandacht ging dan ook meer uit naar klankgedichten met fantasiewoorden. Op een gegeven moment maakte hij daarvoor letteraffiches, of affichegedichten. Geen woorden meer, alleen maar letters. Letters die, als klank uitgesproken, net als verzonnen woorden zouden kunnen verwijzen naar een soort gemeenschappelijke oertaal van de mens. Die klankgedichten noemde Hausmann ‘optofonetisch’, dus om te zien en te horen tegelijk. En die werden weer opgepikt door de Hannoveriaanse ‘Merz-dadaïst’ Kurt Schwitters.

Raoul Hausmann, fmsbwtözäu, poster poem, 1918

hausmann-offea

Tijdens een gezamenlijke reeks optredens in 1921 met Raoul Hausmann en Hannah Höch in Praag oefende Schwitters op de voordracht van die letteraffiches van Hausmann, wat de aanzet vormde voor zijn Ursonate (‘oersonate’), kijk maar:

schwitters-ursonate-einleitung

Hannah Höch

Hannah Höch maakte vanaf 1919, net als haar Berlijnse collega-dadaïsten, fotomontages. Midden jaren twintig begon zij met het verwerken van etnografische afbeeldingen, op een esthetische manier, dus anders dan haar wildere werk uit de dadatijd. Ze gebruikte daarvoor plaatjes uit tijdschriften (Der Querschnitt en Berliner Illustrirte Zeitung), waarover ze zomaar kon beschikken vanwege haar tekenwerk voor een uitgeverij. Al in haar dadaïstische montages combineerde Höch verschillende fragmenten van gezichten en mensfiguren tot nieuwe gezichten en figuren, die door de vreemde verhoudingen (bv. door een overdreven groot oog) een karikaturaal karakter kregen. Voor haar serie Aus einem ethnographischen Museum (1924-1930) combineerde ze westerse en niet-westerse beeldfragmenten zorgvuldig tot nieuwe groteske eenheden. De vervreemding is groot, maar wordt al snel weer tegengegaan door de esthetische, harmoniserende beeldopbouw. Van Hannah Höch is veel prachtig werk op de tentoonstelling te zien.

Dada en Afrika: de westerse beschaving kent zijn keerzijden – de dadaïsten maakten dat al snel duidelijk.

Hannah Höch, Schnitt, 1919

 

hannah höch-aus-einem-ethnographischen-museum-8-1924-1928

hannah höch-aus-einem-ethnographischen-museum-3-1930

 

hannah höch-aus-einem-ethnographischen-museum-1-1929

 

Bronnen, o.a.:

Dada Afrika. Dialog mit dem Fremden (ed. Ralf Burmeister, Michaela Oberhofer, Esther Tisa Francini). Catalogus tentoonstelling Museum Rietberg, Zürich en Berlinische Galerie, Berlijn (Scheidegger & Spiess), 2016
Hugo Ball, Die Flucht aus der Zeit. München, Leipzig, 1927
Raoul Hausmann, Am Anfang war Dada. Giessen (Anabas), 1992

De tentoonstelling dada Afrika is nog te zien tot 7 november 2016 in de Berlinische Galerie in Berlijn

* Martin Bril

 

In het Cabaret Voltaire draagt Richard Huelsenbeck zijn ‘negergedichten’ voor, bestaande uit flarden van Duitse zinnen, gecombineerd met fantasiewoorden, en aangevuld met veel ‘umba umba!’ aan het eind van een zin of strofe. Ondertussen beukend op zijn grote trom.

Schweinsblase Kesselpauke Zinnober cru cru cru
Theosophia pneumatica
die große Geistkunst = poème bruitiste aufgeführt
zum erstenmal durch Richard Huelsenbeck DaDa
oder oder birribum birribum saust der Ochs in Kreis herum oder
Bohraufträge für leichte Wurfminen-Rohlinge 7,6 cm Chauceur
Beteiligung Soda calc. 98/100%
Vorstehend damo birridamo holla di funga qualla di mango damai da
dai umbala damo
brrs pffi commencer Abrr Kpppi commence Anfang Anfang
sei hei fe da heim gefragt
Arbeit
Arbeit
brä brä brä brä brä brä brä brä brä
sokobauno sokobauno sokobauno
Schikaneder Schikaneder Schikaneder
dick werden die Ascheneimer sokobauno sokobauno

Fragment van ‘Ebene’ uit Huelsenbecks Phantastische Gebete
Illustratie: pagina uit Phantastische Gebete met tekening van George Grosz (1920)

Hue Phantastische Gebete p10

Primitief

We schrijven nog steeds 1916. ‘Primitieve’ culturen zijn dan al jaren in zwang onder de moderne kunstenaars van toen. Beelden en maskers uit Afrika en Oceanië worden vanaf eind 19e eeuw getoond in etnische musea, en verzameld door particulieren. Veel kunstenaars zijn op zoek naar waarden die de onwenselijke maatschappelijke gevolgen van de industrialisering (woekerwinsten en uitbuiting, corruptie en decadentie, etc.) kunnen compenseren. In de ‘primitieve’ uitingsvormen zien zij een wereld van waarachtigheid, onbedorvenheid en spontaniteit.

Paul Gauguin was een kunstenaar die daadwerkelijk het geïndustrialiseerde Westen verliet om zijn leven en kunstenaarschap op Oceanische eilanden voort te zetten. Picasso keek weer op een andere manier naar de Afrikaanse en Oceanische objecten: hoewel sterk beïnvloed door Gauguin, voelde Picasso niet de drang om het Westen te ontvluchten – hem ging het om de geabstraheerde vormgeving van die objecten. De Duitse expressionisten gebruikten die ‘primitieve’ vormen weer om hun problematische relatie met de westerse wereld uit te drukken. En de dadaïsten? Die hadden weliswaar felle kritiek op het escapisme en de gezwollen pathetiek van de expressionisten, maar zagen in die uitheemse cultuuruitingen evenzeer een middel om de ontspoorde westerse samenleving aan de kaak te stellen: zie je wel, er bestaan ook andere culturen dan de westerse, en staan die nu op een lager plan? Aan de andere kant wilden de dadaïsten van Cabaret Voltaire ook vernieuwend zijn, volgens moderne westerse maatstaven. Door deze contrasterende uitingen samen te brengen stichtten de dadaïsten verwarring én brachten ze het irrationele naar boven.

Tijdens de Cabaret Voltaire-avonden worden dansen uitgevoerd in zelfgemaakte of geïmproviseerde kostuums en kubistisch ogende maskers, vooral van de schilder Marcel Janco, die ze maakt van papier, karton, touw, lapjes stof etc. Hugo Ball beschrijft in zijn dagboek hoe de maskers vanzelf kostuums verlangen en pathetische, aan waanzin grenzende gebaren en bewegingen oproepen. Hij concludeert:

Wat ons allen aan de maskers fascineert is dat ze geen menselijke, maar méér dan levensgrote karakters en passies belichamen. Het gruwelijke van deze tijd, de verlammende achtergrond van de dingen is zichtbaar gemaakt. (24 mei 1916)

Pathetische gebaren op de rand van waanzin, maskers die buitenmenselijke karakters en passies­ belichamen: de gekte wordt in Cabaret Voltaire opgeroepen en vervolgens gecultiveerd. Gekte die ontstoken wordt door de waanzin van de eigen tijd, van de oorlog. Gekte die opleeft in ironie en sarcasme, wilde provocaties en absurditeiten, het infantiele, het irrationele en het chaotische. Als de barrières van logica en sociale codes verdwenen zijn, komen infantiliteit en waanzin vanuit het onbewuste naar boven. Dit onbewuste kan teruggrijpen op een collectief oergeheugen, op vroegere vormen van bewustzijn, een bewustzijn dat in vroegere samenlevingen in stand werd gehouden door mythen, rituelen en orale overlevering. Dat bewustzijn is verdwenen in de moderne tijd, maar een beschouwing van oude culturen, of van verre culturen die nog niet door de moderne (technologische, economisch-maatschappelijke) verworvenheden zijn aangetast, kan helpen dat bewustzijn op te roepen. Daarvan waren Ball en zijn Cabaret Voltaire-kompanen overtuigd.

Ball was bekend met het werk van Freud en C.G. Jung, en met de theorieën van de arts-criminoloog Cesare Lombroso. Geestelijke verstoringen waren volgens Lombroso niet per se ziekten van de geest, maar konden ook teruggrijpen op een collectief soort oerbewustzijn. Ball verbindt dit uitgangspunt met de mentaliteit en de activiteiten van de dadaïsten.

De kinderlijkheid die ik bedoel grenst aan het infantiele, aan dementie, aan paranoia. Die komt voort uit het geloof in een oer-herinnering, in een nog ongerepte wereld, die in de kunst door het ongeremde enthousiasme, maar in het gekkenhuis door een ziekte vrijgemaakt wordt. (8 augustus 1916)

The Residents

De gekte die de maskers in het Zürichse Cabaret Voltaire oproepen doet me denken aan de Amerikaanse groep The Residents. Ook maskers en gekte. Maar dan anders. De dadaïsten wilden hun kunstuitingen vrij baan geven, zonder remmingen. Hun maskers gaven ruimte aan ongeremde expressie. Bij de Residents is meer sprake van vooraf bedachte concepten: het op de hak nemen van de (commerciële) hitparade-popmuziek, het popsterrendom en de muziekindustrie, wat eigenlijk ook weer een dadaïstisch uitgangspunt is. Hun maskers – handelsmerk: oogbol met hoge hoed – zorgen ervoor dat de aandacht niet gericht wordt op de makers van de muziek, maar uitgaat naar het ironische spel met de muziek zelf, bv. hoe een bekende popsong verbasterd wordt, in combinatie met een show van bizarre kostuums, bewegingen, decors en films.

Toen in Californië een groep artistieke alternatievelingen rond 1970 besloot muziek te maken – overigens niet gehinderd door beheersing van muziekinstrumenten – stelde die een tape samen met muziekprobeersels, en stuurde die anoniem naar een platenmaatschappij. Die stuurde hun een beleefd briefje terug, gericht aan het vermelde adres met als naam ‘The Residents’ (‘de bewoners’). Zo hadden ze meteen een bandnaam. De band besloot in de anonimiteit te blijven, vanwege het standpunt van de onbelangrijke status van de auteur of muzikant. De Residents treden nog altijd in vermomming op en hun echte namen zijn onbekend. Althans, officieel. De band bestaat zogenaamd uit vier leden, maar dat kunnen er in werkelijkheid meer of minder zijn. Geruchten gaan dat de vormgever van de platenhoezen en de ´sound engineer´ vanaf het begin de kern van de band uitmaken. Al met al heeft hun verborgen identiteit – voor hun producties kozen ze de treffende naam ‘Cryptic Corporation’ – samen met hun soms ongrijpbare, weirde muziek- en videoproducties ze een stevige cultstatus opgeleverd.

Residents eskimo

Van bekende popsongs als ‘Satisfaction’ van de Rolling Stones, of ‘Hello Dolly’ (bekend in de versie van Louis Armstrong), James Brown’s ‘It’s a Man’s Man’s Man’s World’ of Michael Jackson’s ‘Billy Jean’ maakten ze bizarre covers. Ook wijdden ze een album aan Elvis Presley, genaamd The King and Eye. Een fictieve Elvis-biografie, en zijn muziek is tot op het bot gefileerd.

Man’s World

In een clip van het live gespeelde nummer ‘It’s A Man’s Man’s Man’s World’ wordt het theatrale spel van de Residents aangevuld met filmische effecten, conform hun multimediale werkwijzen. Van James Brown’s rauwe, soulvolle zangpartij wordt door de Residents een koddig-theatraal aftreksel gemaakt. Brown’s dampende soulorkest is vervangen door keyboards en synthesizers, met quasi-vioolpartijen en een gitaartje. De klassieker van James Brown is uitgekleed en in een toneeljasje gehesen. Nep. Nep? Je kunt denken aan trucjes, maar de vraag is ook wat er echt is aan James Brown’s performance. Natuurlijk, het blijft bruisende, meeslepende soulmuziek, maar het is óók een bedachte performance. Perfect uitgevoerd, dat wel. En de cover van de Residents, die is ook niet alleen maar een bedacht concept, de uitvoering is amusant met die bizarre uitdossingen en overdreven pathetiek, en zelfs nog meeslepend, met gitaarrifjes die op het eind ook nog ergens op beginnen te lijken. Kortom, dadaïstisch verwarrend.

 

En vooruit, de oude meester zelf ook aan het woord: