Post Tagged ‘middaguur’

Over de ‘filmische’ fotomontages van de Berlijnse dadaïsten.

Projectielen. Zo moest je volgens Walter Benjamin (Duits filosoof en criticus, 1892-1940) de dadaïstische werken zien. Projectielen die de beschouwer met een soort fysieke kracht aanvielen. Daarmee wakkerden ze volgens hem de vraag naar film aan, waarvan het verstrooiende element ook een fysieke werking heeft, gebaseerd op de snelle wisseling van standpunten en instellingen, die schoksgewijs op de toeschouwer indringen.

dynamiek

De dadaïsten hielden van beweging. De dynamiek van de grote stad, de levendigheid, de snelheid van het gemotoriseerde verkeer, de drukte van geluid en beeld. Ze hielden van film, van het bewegende beeld, de snelle opeenvolging van beelden, situaties, scènes. Ze maakten zelf (nog) geen films, maar probeerden soms wel een filmische dynamiek in hun voorstellingen te brengen.

Overigens zou je de zinnen hierboven ook op het Italiaanse futurisme kunnen plakken – zij het dat de futuristen puur de dynamiek en hectiek van de grote stad verheerlijkten, sterker nog: alle technologische verworvenheden, inclusief de oorlogsmachinerie van de Eerste Wereldoorlog. In die verheerlijking van het moderne leven lagen hun kunstambities. De dadaïsten hadden echter een totaal andere maatschappijvisie, mede ingegeven door de afschuwelijke gevolgen van die oorlog.

Maar om toch nog even op de futuristen door te gaan: ook zij waren bezig met het vastleggen van beweging in hun kunstwerken. De dynamiek in dit schilderij van Giacomo Balla is groot, zowel in de tekkel als in de voeten van de dame die hem uitlaat, maar ook heel sterk in de verbinding tussen hond en hoedster: de riem. De tekkel beweegt, kwispelend, op een komische manier, alsof zijn kleine pootjes razendsnel over glad ijs gaan. Als in een comic

Balla - Dynamism of a Dog on a Leash - 1912Giacomo Balla, Dynamiek van een hond aan een riem, 1912

duchamp - nude descending a staircase

In hetzelfde jaar maakte Marcel Duchamp zijn geruchtmakende schilderij Naakt een trap afdalend (1912), ogenschijnlijk een gewiekste combinatie van kubistische en futuristische stijlen, die hij daardoor beide lijkt te persifleren. Maar: Duchamp was op dat moment nog niet bekend met de ‘bewegingsschilderijen’ van Balla en kompanen. Wel met de fotosequenties van Eadweard Muybridge en Etiennne-Jules Marey, eind 19e eeuw, waarin de bewegingen van mensen en dieren op een onderzoekende, wetenschappelijke manier waren vastgelegd. Muybridge ontwikkelde vervolgens een apparaat om de gefotografeerde bewegingen vloeiend in elkaar over te laten lopen, de ‘Zoopraxiscope’, waarmee je galopperende paarden in beweging kon zien. Dit apparaat is mede bepalend geweest voor de ontwikkeling van de filmcamera.

 

 

 

Marcel Duchamp, Vrouw een trap afdalend, 1912

 

muybridge_descending_stairs

Eadweard Muybridge, Vrouw een trap afdalend, fotosequentie, jaren 1880

Muybridge, Vrouw een trap afdalend filmisch

shock

Nu naar de fotomontage. In het verlengde van Walter Benjamin schreef de Duitse literatuur- en kunstcriticus Peter Bürger in 1974 over de dadaïstische fotomontages, dat ze op de beschouwer een shockwerking uitoefenden. Daarbij maakte hij een onderscheid tussen ‘organische’ en ‘niet-organische’ kunstwerken. De organische werken kunnen als een eenheid gezien worden: de onderdelen leiden tot een herkenbare voorstelling, of een in één oogopslag te bevatten compositie. Een niet-organisch kunstwerk laat een fragmentarisch geheel zien, een beeld waarvan de onderdelen niet tot een overzichtelijke eenheid leiden. Die onderdelen hebben hun autonomie behouden, en kunnen inhoudelijk wel naar elkaar verwijzen, maar visueel staan ze meestal los van elkaar. De beschouwer mist richting in het totaalbeeld, zijn blik wordt alle kanten op gestuurd. Dit ervaart hij als verwarrend, als shock.

Sommige fotomontages van de dadaïsten zijn wel als eenheid te zien, zoals enkele van Raoul Hausmann en George Grosz, waarin een driedimensionale ruimte gesuggereerd wordt met figuren erin. Dat er met die figuren zelf iets aan de hand is – er steken machineonderdelen uit het hoofd, of een mensfiguur is als robot uitgebeeld – kan ook ontregelend werken, maar in het totaalbeeld kun je een herkenbare voorstelling zien. Raoul Hausmann - Tatlin zu Hause__

Raoul Hausmann, Tatlin lebt zu Hause, 1920

Maar de montages waar het hier om gaat, in ‘filmverband’, laten die eenheid niet zien, zijn dus ‘niet-organisch’.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Leben und Treiben in Universal City, 12 Uhr 5 Mittags

Zo’n werk is Leben und Treiben in Universal City, 12 Uhr 5 Mittags van Grosz en Heartfield. De (verdwenen) collage is opgebouwd rond een tekening van Grosz. Daarin zie je vooral een stel karikaturale, venijnige koppen, strakke diagonale lijnen en op de achtergrond een enkel flatgebouw. Eromheen buitelen allerlei uit tijdschriften geknipte foto- en tekstfragmenten over elkaar. Op het eerste gezicht een chaotische wirwar van elementen die je blik alle kanten op sturen. Vervolgens weet je ook nog eens niet of je eerst teksten moet lezen of plaatjes bekijken.

De plaatjes laten mensen en dingen zien. Opvallend zijn linksboven een spreekhoorn van een telefoon, en rechtsonder een wiel. Schuin daaronder valt een horloge zonder wijzers half uit beeld. Daarnaast een filmstrook en, zo te zien, een filmactrice. Aan de linkerkant zijn nog twee filmstroken geplakt. Heartfields broer Wieland Herzfelde, die de teksten verzorgde voor het catalogusblad van de Berlijnse Dada-Messe (1920), schreef bij dit werk dat het ‘met de middelen van de film de handel en wandel in Universal City schetst’. Overigens: ‘Het betreft geen futuristisch werk, het is namelijk een dadaïstisch werk, en wel een uitstekend [dadaïstisch werk]’. Betekenisvol is ook dat deze fotomontage op het voorblad van de catalogus gereproduceerd was.

Dan de tekstfragmenten, die vormen een relatief groot aandeel in de montage. Ze zijn in het Engels en verwijzen naar foto, film en spel: ‘THE PLAY’, ‘PHOTOPLAYS’, ‘CHEER, BOYS CHEER!’, ‘SON OF A GUN’, ‘FOX’, The KADY’ en meer. Verder een paar keer ‘DADA’, telkens voorzien van het achtervoegsel ‘ing’. ‘DADAing’ dus, een activiteit met dada suggererend, ook weer in het Engels. Dadaënd, zou je kunnen zeggen. Deze hele montage ademt activiteit, dynamiek: de diagonale lijnen, het rennende stel benen (met PHOTOPLAYS) dat uit de spreekhoorn snelt, het wiel rechtsonder, dat de rest van de montage in beweging lijkt te zetten. Vanuit het centrum lijkt de boel zelfs uitelkaar te knallen. Bovendien is die dynamiek niet alleen visueel, hij lijkt ook auditief te werken. De tekstfragmenten lijken uitgeroepen te willen worden – ‘Cheer boys, cheer!’, versterkt door de toeter linksboven. Hier kun je dus de projectiel- en shockwerking van Benjamin en Bürger ervaren, zeker als beschouwer die gewend is kunstwerken in contemplatie te ondergaan en voor wie dada nog onbekend is. In een werk als dit wordt elke vorm van contemplatie gesaboteerd.

Grosz Heartfield Leben und Treiben 50%

Veel verwijzingen dus naar film én naar Amerika. De filmstroken, de foto van de actrice met revolver, de tekst rechtsboven over G.M. Anderson als Broncho Bill in de Western Son Of A Gun (1919 – knipsel linksonder), de uitsluitend Engelse stukjes tekst. En in de titel van de fotomontage: Universal City. Universal Studios is de oudste filmstudio in de VS (1912), en nog steeds een van de grootste. City heeft weer betrekking op de grote stad, Universal City kan dan ook verwijzen naar de universele grote stad. Film en Amerika, americana, het vrije Amerika waar alles kon, ook in films. Het land dat geen last had van de ideologieën die in Europa tot een grote oorlog hadden geleid. Het land waar de techniek ten dienste stond van de mens, niet van een oorlogsmachinerie. Het land waar Charlie Chaplin groot werd (zie het vorige stukje), het land waar cultuur ook vermaak mocht zijn.

middaguur

Het laatste deel van de titel: de handel en wandel in Universal City vindt plaats op een bepaald tijdstip, 12.05 uur ’s middags. Wat is er met dat tijdstip? Midden op de dag, grote drukte. De zon staat op zijn hoogste punt, de schaduwen zijn op hun kortst. Het is iets ná het middaguur, dus we zitten in een overgang naar de aflopende dag, de meer rust brengende middag en avond. Op dit tijdstip kunnen we de ochtend, het verleden, overdenken en ons een beeld gaan vormen van de toekomst. Voor Nietzsche – de dadaïsten waren bekend met zijn werk – staat dit tijdstip, ‘het Grote Middaguur’, symbool voor het moment van een grote cultuuromslag. Het moment waarop de ketenen van de traditionele, autoritaire godsdiensten afgeworpen moeten worden, om daarvoor een nieuwe, mensgerichte denkwereld in de plaats te zetten. De mens zal zich in moeten spannen om in alle vrijheid voor zichzelf rationeel de toekomst in te richten, met door hem zelf bepaalde nieuwe morele, ethische etc. inzichten. Tijd om volwassen te worden.

Op het middaguur zelf bevindt de mens zich aan het begin van die ontwikkeling, in een instinctieve, kinderlijke fase, zou je kunnen zeggen. Een fase waarin kinderlijke waarneming en spel overheersen. De tijd lijkt even opgeheven (zie ook de klok zonder wijzers rechts onderin), alles vindt simultaan plaats in een vlaag van creatieve drift. De fase van dada.