Post Tagged ‘Nelly van Doesburg’

Nu een stukje over de ‘Dada-veldtocht’ door Holland, een tournee die Theo van Doesburg begin 1923 organiseerde, samen met zijn vrouw Nelly, Kurt Schwitters en Vilmos Huszár. Maar eerst: hoe kwam het tot die veldtocht?

dada-tournee

Zo’n dada-tournee was niet nieuw. Drie van de Berlijnse dadaïsten – Raoul Hausmann, Richard Huelsenbeck en Johannes Baader – hadden na succesvolle soirees en matinees in Berlijn, soms met veel deelnemers op het podium, besloten een tournee door Duitsland en Tsjechië te houden. De optredens verliepen telkens tumultueus, niet in de laatste plaats omdat het publiek verwachtingsvol naar een hoop heibel uitkeek, en daar ook vol overgave aan meewerkte. Op het programma stonden onderdelen als simultaangedichten (waarin de deelnemers tegelijkertijd verschillende teksten voordragen), een absurdistisch simultaangesprek, dada-dansjes, dadaïstische gedichten, voordrachten van semi-politieke, absurde en satirische teksten, en een ‘bruïtistisch’ spektakelstuk, begeleid door allerlei geluiden en lawaai. Mét publieksbeledigingen.

Anti-Dada-Merz

Raoul Hausmann en de Hannoverse ‘merz-dadaïst’ Kurt Schwitters ontmoetten elkaar eind 1918 of begin 1919 in een Berlijns café. Schwitters werd niet toegelaten tot de Berlijnse ‘Club Dada’, omdat hij als te burgerlijk, te commercieel (hij was verbonden aan de vermaledijde expressionistengalerie Der Sturm) en te weinig dadaïstisch-spontaan beschouwd werd; hij doopte al zijn uitingen – schilderijen, tekeningen, collages, assemblages, gedichten, tijdschrift – vervolgens ‘merz’. In het najaar van 1921 besloten zij samen te werken – met Hausmanns vriendin Hannah Höch en Schwitters’ vrouw Helma – aan een ‘Anti-Dada-Merz’-tournee naar Praag, die uiteindelijk in één soiree resulteerde. Het programma leek nog steeds dadaïstisch: Schwitters liet onder andere gedichten horen die op letters, cijfers en ‘oerklanken’ gebaseerd waren, plus een hilarisch verhaal over een man die een volksopstand veroorzaakt door alleen maar ergens te staan. Maar tegelijkertijd rekende dit gezelschap juist af met de destructieve kanten van dada, het wilde bijdragen aan constructievere kunstvormen. Het publiek, dat op dadaïstisch tumult was afgekomen, haakte teleurgesteld af.

Weimar

Theo van Doesburg leerde Schwitters in de zomer van 1921 kennen. Van Doesburg was in Weimar gaan wonen, in de hoop iets voor het Bauhaus te kunnen betekenen. Dat was ijdele hoop. Van Doesburg bleek er – naast een behoorlijk koppig karakter – voor het Bauhaus te radicale kunstopvattingen op na te houden; hijzelf vond dat het kunstonderwijs aan deze instelling nog teveel van een ‘romantische naoorlogse mentaliteit’ getuigde, waarna hij een Stijl-cursus opzette in het atelier van een Bauhaus-student, bijgewoond door studenten en zelfs docenten. Dit zette bij het Bauhaus weer zoveel kwaad bloed dat hij zelfs bedreigd werd. Van Doesburg vervolgde zijn Stijl-campagne in andere plaatsen in Duitsland en België en deed mee aan optredens met Hausmann, Höch en Schwitters.

dada-constructivistisch congres

Eind mei 1922 vond in Düsseldorf een ‘Internationaal congres van progressieve kunstenaars’ plaats – Van Doesburg verveelde zich er stierlijk. Hij vond het een idiote en reactionaire aangelegenheid. Daardoor nam hij – in samenspraak met de constructivisten László Moholy-Nagy en El Lissitzky – het initiatief tot een tweede congres, een ‘Internationaal Constructivistisch congres’ in september 1922 in Weimar. 

Deelnemers aan het dada-constructivistische congres in Weimar, onder wie: Theo van Doesburg (midden, met nummer De Stijl op zijn hoofd), Nelly van Doesburg (links van Theo vD), Tristan Tzara (rechts van Theo vD, geeft kushand aan Nelly vD), Hans en Sophie Arp-Taeuber (rechtsvoor), Hans Richter (op de grond liggend), El Lissitzky (bovenaan met pet en pijp), László Moholy-Nagy (bovenste rij rechts)

Buiten medeweten van de overige betrokkenen om had Van Doesburg voor dit congres de dadaïsten Tristan Tzara, Hans Arp, Raoul Hausmann en Hans Richter uitgenodigd, én Kurt Schwitters. Volgens Moholy-Nagy ontstond bij de verrassende ontdekking daarvan een rebellie tegen Van Doesburg. Het dadaïsme stond immers voor destructieve krachten die ingingen tegen de nieuwe constructivistische tendenzen. Van Doesburg kalmeerde de gemoederen waarna de dadaïsten geaccepteerd werden, zeer tot ongenoegen van de jonge puristen die zich geleidelijk aan terugtrokken, waardoor het congres een vooral dadaïstisch evenement werd. Het vond plaats op 25 en 26 september 1922. Van Doesburg was bekend als voorman van De Stijl, maar dat hij ook een dadaïstische kant had, gerepresenteerd onder zijn pseudoniem I.K. Bonset (zie mijn vorige stukje I.K. Bonset) wist toen nog bijna niemand. Tzara maakte overigens meteen van de gelegenheid gebruik dada als beweging op te heffen – dada was immers ‘nutteloos, zoals alles in dit leven’.

soirees in Weimar, Jena en Hannover

Op de eerste avond van dit dada-constructivistische congres in Weimar, 25 september, organiseerde Van Doesburg er een succesvolle dada-soiree in Hotel Fürstenhof met medewerking van Nelly, Arp, Tzara en mogelijk Hausmann. Of Schwitters op die avond ook van de partij was is niet bekend. Schwitters deed in elk geval twee dagen later wel mee op een soiree in Jena. Het programma werd op 29 september herhaald in Hannover voor een klein publiek van vrienden, collega-kunstenaars (onder wie Lissitzky en Moholy-Nagy) en enkele Bauhaus-studenten.

Over de avond in Jena is een verslag van Bauhaus-student Werner Graeff bewaard gebleven. Hij verhaalt van de voorbereidingen in het atelier van Van Doesburg: Nelly was stukken van Rieti aan het instuderen, ‘Does’ was lichtbeelden aan het ordenen, Arp en Schwitters bogen zich over hun eigen en elkaars gedichten. De avond zelf werd geopend door Van Doesburg met uitgebreide uiteenzettingen over het dadaïsme, bijgestaan door Schwitters die het onrustige publiek tot de orde riep. Nelly speelde de Treurmars voor een vogeltje van de jonge Italiaanse avant-gardistische componist Vittorio Rieti, waarbij het publiek zich niet kon inhouden en begon te sissen en te fluiten. Zij speelde onverstoord en licht geamuseerd verder. Schwitters kreeg de zaal weer rustig, maar bij Arp brak de hel los. Het publiek voelde zich bespot. Opgewonden discussiërend verlieten de toeschouwers de zaal.

de veldtocht

Tijdens een bezoek van Vilmos Huszár, de in Nederland wonende Hongaarse Stijl-medewerker, aan Van Doesburg in Weimar in de zomer van 1922, ontstond het idee ook het Nederlandse publiek met dada te laten kennismaken. Van Doesburg benaderde Schwitters, die enthousiast antwoordde. Hausmann, Arp en Tzara werden gevraagd, en via Tzara ook Georges Ribemont-Dessaignes in Parijs. Alleen Schwitters zegde toe, hij zou toch al naar Nederland komen vanwege een tentoonstelling. Door visum- en/of geldproblemen meldden de anderen zich af.

De eerste avond zou aan Schwitters gewijd zijn op 27 december 1922. Schwitters kon er vanwege paspoort- of visumproblemen niet op tijd bij zijn, waardoor Van Doesburg inviel met de voordracht van gedichten van I.K. Bonset. Op 10 januari 1923 kon de tournee in Den Haag alsnog van start gaan, in de Haagsche Kunstkring. Die avond kan aan de hand van krantenverslagen worden gereconstrueerd. De volgende avond in Haarlem, twee dagen later, is echter nog beter en aansprekender gedocumenteerd. Hetzelfde programma, in een andere volgorde en met enkele variaties.

Haarlem

De soiree vond een dag na die in Den Haag plaats in Zaal Rosehaghe (tegenwoordig Het Zaeltje van dezelfde woningbouwvereniging Rosehaghe) aan de Hoofmanstraat. Met de architect van het sociale woningbouwproject van deze buurt, J.B. van Loghem, was Van Doesburg al jaren eerder in prettig contact gekomen. Van Doesburg benaderde Van Loghem eind december 1922 voor de organisatie van de tournee en voor het vinden van een geschikte locatie in Haarlem. De bouw van dit nieuwe wijkje was eerder dat jaar voltooid. Van Loghem wilde graag meewerken aan de voorbereidingen van deze dada-soiree en benaderde de woningbouwvereniging om gebruik te mogen maken van de gemeenschapsruimte, waar op dat moment nauwelijks iets mee gebeurde. De zaal was geschikt voor een zittend publiek van honderd, hooguit honderdvijfentwintig man. Door veel publiciteit en verslagen van de eerste avond in Den Haag stroomde de zaal al snel vol. Ongeveer tweehonderd nieuwsgierige bezoekers probeerden een plek te bemachtigen. De politie verscheen – overleg, uitstel, overleg – en besloot dat de avond door mocht gaan, mits het staande publiek de zaal verliet, wat onder luid protest gebeurde. Sommige bezoekers hadden feesttoeters en fluitjes bij zich, een tafelbel. Van Loghem zelf verscheen met een hoge hoed waarop hij een miniatuur-stoommachientje van zijn zoontje gemonteerd had.

Op het podium zat, naast een tafeltje met een schemerlamp en een glaasje water, Theo van Doesburg, in een zwart pak met een zwart overhemd en een witte stropdas, witte sokken, lakschoenen, en een monocle voor een oog. Hij begon zijn manifest Wat is dada? voor te lezen, een klein boekje dat voor deze tournee als speciale uitgave van De Stijl ook te koop was. Het begint zo:

Het zal u waarschijnlijk verwonderen, van iemand die aan het dadaisme onschuldig is, van een niet-dadaist een en ander over dada te vernemen.
Dada: de schrik van den clubfauteuil-bourgeois, van den kunstcritikus, van den artist, van den konijnenfokker, van den hottentot, – van wien al niet.
[…]

En zo gaat Van Doesburg nog een tijd door met zijn quasi-verhelderende inzichten in het fenomeen Dada, uiteraard niet gespeend van ironie en tegenspraak. En: ‘dada is géén kunstbeweging.’ Het publiek was zich al gaan roeren met lachsalvo’s, gefluit, geblaf en gemiauw. Daarbij vond Schwitters het nodig Van Doesburg herhaaldelijk te onderbreken door luidruchtig zijn neus te snuiten en door merg en been dringende kreten te slaken, zoals hij op de eerste avond in Den Haag de lezing met krachtig geblaf had verstoord. Ten slotte richtte Van Doesburg zich tot het publiek met de vraag:

Weet U nu wat “dada” is?

Wat door het publiek brullend, proestend en gierend van het lachen met ‘Ja!’ werd beantwoord.

Hierna kwam Nelly op (voortaan vooral als ‘Pétro’ aangeduid) die met haar elegante verschijning de zaal een moment stil kreeg, waarna zij de Bruiloftsmars voor een krokodil van Rieti speelde. Haar optreden werd met luid applaus en bravogeroep begroet. Tijdens de laatste maten was Schwitters, in tegenstelling tot Van Doesburg in ‘gewone’, alledaagse kledij, uit het publiek opgestaan, snoot nog eens toeterend zijn neus en begaf zich naar het podium, waar hij razendsnel een van zijn cijfergedichten voordroeg. Na enig tumult ging hij verder met zijn stuk ‘Ursachen und Begin der grossen glorreichen Revolution in Revon’ (‘Oorzaken en begin van de grote glorieuze revolutie in Revon’). ‘Revon’ was Schwitters’ strijdvaardige benaming voor Hannover: de laatste vijf letters achterstevoren. Het is een lang verhaal, dat gaat over een volksopstand vanwege een man die onbewogen ergens staat. Het begint als volgt.

Das Kind spielte. Und sah einen Mann stehen. ‘Mama’, sagte das Kind; die Mutter: ‘Ja’ – ‘Mama’ – ‘Ja’ – ‘Mama’ – ‘Ja’ – ‘Mama, da steht ein Mann!’ – ‘Ja’ – ‘Mama, da steht ein Mann!’ – ‘Ja’ – ‘Mama, da steht ein Mann!’ – ‘Wo?’ – ‘Mama, da steht ein Mann!’ – ‘Wo?’ – ‘Mama, da steht ein Mann!’ – ‘Wo steht ein Mann?’ – ‘Mama, da steht ein Mann!’ – ‘Ach was!’ – ‘Mama, da steht ein Mann!’ – ‘Lass doch den Mann stehen.’ – ‘Mama, da steht ein Mann!’ Die Mutter kommt. Tatsächlich steht da ein Mann. Merkwürdig, was mag der da wohl zu stehen haben? Man sollte doch lieber den Vater mal rufen. Die Mutter: ‘Vater!’ – ‘Jawohl’ – ‘Vater, da steht ein Mann!’ – ‘Jawohl’ – ‘Vater, da steht ein Mann!’ – ‘Lass ihn stehen.’ – ‘Vater, da steht ein Mann!’ – ‘Was will denn der Mann?’ – ‘Das weiss ich nicht, frag ihn doch mal!’ – ‘Lass doch den Mann stehen!’ […]

En zo gaat het verhaal over de man die maar staat te staan eindeloos door. Aansluitend op dit verhaal van een half uur bracht hij nog een tekst, een dialoog over een kachel, die nog succesvoller bleek dan zijn vorige.

pauze

Het publiek oefende in alle mogelijke geluiden, de performers sleten hun koopwaar: tijdschriften, boekjes, kaarten. Na de pauze speelde Nelly weer een stuk van Rieti, de Treurmars voor een vogeltje, dat bijna naadloos overging in een stuk van Chopin. Schwitters, die al een tijdje naast de piano stond, droeg hierbij een Duits gedicht voor. Het verwonderde publiek barstte na afloop weer in daverend gelach uit, dat niet ophield toen Schwitters ironisch opmerkte dat zelfs een gedicht van de klassieke Heinrich Heine grote hilariteit opwekte. Schwitters ging, begeleid door Nelly op de piano, door met een karakteristiek Schwittersgedicht, met als eerste regels: 

Was kräuselst du dein Hä-är-chen,
Eins zwei drei ja Hä-är-chen,
Wenn du einen an-dern liebst?
[…]

Daarbij begeleidde hij zich op een ‘kinderharp’, volgens de beschrijving een als een ratel ronddraaiende koker met van binnen metalen ‘tongen’ die een rondzingend geluid voortbrachten. Na enkele abstracte klankgedichten vertolkte hij ‘An Anna Blume’. Het publiek joelde vrolijk voort.

mechanische pop

 

 

 

 

 

 

 

 

Schwitters vervolgde met zijn gedicht ‘Wand’, dat bestaat uit de herhaling van het Duitse woord ‘Wand’ in enkel- en meervoud (Wände). Hierbij werden de zaallichten uitgedaan. Het publiek werd opnieuw verrast: op een groot wit doek kreeg het de projectie van een mechanische pop te zien, met rode en groene kleurvlakken. Een geometrisch geabstraheerde mensfiguur die als een robot zijn armen en benen boog en strekte. Ook de ogen, één rood en één groen, konden open en dicht. De strakke bewegingen werden van onderen bediend met een toetsenbord. De maker: Vilmos Huszár, titel: ‘Simultaneïstisch-méchanische dans’. Tussendoor vervolgde Schwitters zijn programma met zijn ‘Urlauten’, uit klinkers bestaande kreten, waarbij hij met trommelstokken op de klep van de vleugel roffelde, Nelly met castagnetten klepperde en Theo van Doesburg een grote handclaxon liet toeteren. Een complete heksenketel, met het gebrul en gejoel van het publiek erbij. Na afloop van deze voorstelling oogstte Huszár groot applaus.

De avond eindigde met Nelly op de piano, die een derde stuk van Rieti speelde, Militaire mars voor de mieren, en de Ragtime Parade van Erik Satie, voor de gelegenheid omgedoopt tot Dada Ragtime.

overige plaatsen

Na Haarlem werd de Veldtocht verder voortgezet langs meerdere plaatsen in Nederland, onder meer in Amsterdam, Den Haag, Utrecht, Rotterdam en Leiden. Soms was Huszár er niet bij, soms speelden Van Doesburg en Schwitters samen, of Nelly met Schwitters. Enkele keren verzorgden ze de avonden ook solo. Het laatste optreden van de tournee werd door Schwitters solo verzorgd in Drachten (13 april, Hotel De Phoenix). Inmiddels waren Theo en Nelly van Doesburg alweer uit Nederland vertrokken. Dit laatste Schwitters-optreden in Drachten wordt wel eens als laatste dada-actie in het algemeen bestempeld.

Het programma van de gezamenlijke optredens was in hoofdlijnen gelijk, maar de volgorde kon per plaats verschillen. De samenstelling overigens ook, want zowel Nelly als Schwitters had een uitgebreid repertoire op zak. Ook Van Doesburg kon per avond verschillende gedichten (al of niet van I.K. Bonset) voordragen. Nelly speelde ook werk van onder meer de moderne componisten Honegger, Milhaud en Poulenc. De mechanische pop van Huszár werd soms alleen door Nelly van Doesburg op de piano begeleid. Zij begeleidde ook wel eens Theo van Doesburg’s inleiding door in onbeweeglijke pose, als een tableau vivant, een rood lampje in haar hand aan en uit te doen.

publiek

Over het publiek wordt in de kranten gemeld dat het over het algemeen rumoerig en vrolijk was met flauwe opmerkingen, maar ook dat het nogal kritiekloos was, al kon er ook ruzie ontstaan tussen bezoekers die het gebeuren vol nieuwsgierige belangstelling volgden en anderen die zich volledig bekocht voelden – de entreeprijzen waren immers aan de hoge kant. Soms speelde het publiek een hoofdrol, niet alleen door die met gelach, gebulder, gesis, geklap, gestamp, geblaf en gemiauw, met fluitjes en bellen op te eisen, maar ook kwam het voor dat een paar toeschouwers op het toneel verschenen om er een ‘dadaïstische’ act op te voeren. Over het Utrechtse optreden schreef Schwitters in het eerste – ‘Holland Dada’ – nummer van Merz, dat het op een gegeven moment ophield publiek te zijn: een man in smoking betrad het podium en las een manifest, er werd een reusachtige laurierkrans, afkomstig van een begraafplaats, op het podium geplaatst om dada te gedenken. ‘We konden een sigaret aansteken en toekijken, hoe het publiek in plaats van ons aan het werk was. Het was een verheven moment. Ons bewijs [dat het publiek dada was] was compleet.’ Die soiree was voor Schwitters dan ook ‘de mooiste belevenis van de tournee’, en ‘een ongekende dadaïstische triomf.’

Ingekorte en bewerkte versie van het hoofdstuk ‘Holland’ uit mijn boek DADA manieren.

Literatuur, o.a.:

Ariel Alvarez, DADA manieren. Een overzicht. Overveen, 2016
K. Schippers, Holland Dada. Amsterdam, 1974, 2000
W. de Graaf, In Haarlem snoot ik mijn neus zei Schwitters me. Dada in de Spaarnestad. Een reconstructie. Haarlem, 1987
Theo van Doesburg/Kurt Schwitters (red. Hubert van den Berg), Holland’s bankroet door Dada. Documenten van een dadaïstische triomftocht door Nederland. Amsterdam, 1995
Hubert van den Berg, DADA. Een geschiedenis. Nijmegen, 2016
Marc Dachy, Dada & les dadaïsmes. Parijs, 1994, 2011
Digital Dada Library: Merz, nr. 1, jan. 1923

 

Advertenties

Holland Dada Drachten cat omslag GG Ghosts 1934 30%Honderd jaar DADA wordt groots geëerd in Drachten. In Drachten? In Drachten. Dr8888. De tentoonstelling Holland Dada & the International Context loopt.

De opening op 23 april werd in Museum Dr8888 zelf ingeluid met een voorstelling van Professor Russolo & His Noise Intoners. Een absurd visueel spektakel met vindingrijke kostuums, decorstukken en rekwisieten rond een schaakspel en een geroosterde dodo. Sterke dynamische lichteffecten en een prachtige muziekscore. Let op: de voorstellingen zijn elke laatste zaterdag van de maand gratis te beleven in het museum.
Aan het eind van het officiële openingsprogramma diezelfde middag, in cultureel centrum De Lawei, hield de wethouder van Cultuur een openingspraatje dat meteen gevolgd werd door een dadaïstische performance van ondergetekende met een zestal handlangers, inclusief de wethouder zelf. Klinkende klinkers, ratelende ratels en een chaotisch simultaangedicht. Leuk, maar dit terzijde.

Hoezo Drachten, trouwens, of all places? Wat heeft Drachten met dada, en wat heeft dada met Drachten?

Theo van Doesburg

VoorTheo van Doesburg maaier 1921 de Drachten-connectie zijn allereerst een paar ontmoetingen van De Stijl-voorman Theo van Doesburg van belang, ontmoetingen die uitmondden in langdurige vriendschappen. In zijn Tilburgse militaire diensttijd leerde hij, naast de Tilburgse protodadaïstische dichter Anthony Kok, ook de Drachtster schoenmaker en dichter Evert Rinsema kennen. Van Doesburg werd later door Rinsema in Drachten uitgenodigd waar hij kennismaakte met Everts broer Thijs, ook schoenmaker, en schilder. Daar ontmoette hij vervolgens de architect C.R. de Boer, met wie hij in 1920-21 samenwerkte om gevels en interieurs van woningen en een school in de kleuren en vormgeving volgens zijn Stijl-principes te ontwerpen. Te revolutionair voor Drachten, want de kleuren moesten er van de bewoners het jaar erop alweer af. ‘Papegaaienbuurt’, zo was het buurtje inmiddels gedoopt. In 1988 werden de Stijl-kleuren weer in ere hersteld. In elk geval was de relatie Van Doesburg-Drachten gevestigd.

Ook internationaal legde Van Doesburg veel contacten, onder meer met de dadaïsten Kurt Schwitters, Raoul Hausmann, Hannah Höch, Hans Arp en Tristan Tzara. In Weimar bracht Van Doesburg als Stijl-constructivist een samenwerking met het Bauhaus tot stand, wat op heftige conflicten uitliep. Zijn Stijl-ideeën bleken te vooruitstrevend voor het Bauhaus, en zijn persoonlijkheid te eigengereid. Hij ging met Stijl-lezingen op tournee door Duitsland, ontmoette daarbij de Hannoveriaan Schwitters in de zomer van 1921 en werkte mee aan soirees over De Stijl, dada en merz (het ‘dada’ van Schwitters) samen met zijn vrouw Nelly, Schwitters en zijn vrouw Helma, Hausmann en Höch.

Als Stijl-voorman werd Van Doesburg gevraagd om als gastheer mee te werken aan de organisatie van een constructivistencongres in Weimar, in oktober 1922, maar hij was intussen zo gegrepen door dada, dat hij daarvoor ook de dadaïsten Tzara, Arp, Hausmann en ‘merzdada’ Schwitters uitnodigde. Dat viel niet in goede aarde bij de initiatiefnemers van het congres (onder wie El Lissitzky en Laszlo Moholy-Nagy), omdat zij in dada weinig constructiefs zagen. Bonje, rebellie. Het congres werd vooral dadaïstisch. Tzara maakte meteen van de gelegenheid gebruik om dada op te heffen, maar evengoed vonden er nog twee dada-soirees in Hannover en Jena plaats. Intussen had Van Doesburg, die zijn Stijl-principes gepassioneerd bleef uitdragen, voor zijn dada-kant het pseudoniem I.K. Bonset bedacht, dat hij zelf overigens nooit publiekelijk als zijn alter ego heeft willen onthullen.

dada-veldtocht

Doesburg Schwitters Nelly Helma 1923

Zijn dada-enthousiasme leidde begin 1923 tot een Hollandse ‘dada-veldtocht’ door Den Haag, Haarlem, Amsterdam, Den Bosch, Tilburg, Utrecht, Rotterdam en Leiden met zijn vrouw Nelly, Kurt Schwitters en vaak ook met Stijl-kunstenaar Vilmos Huszár. De avonden begonnen met het manifest van Van Doesburg ‘Wat is Dada?’ dat door Schwitters vanuit het publiek telkens met geblaf werd onderbroken. Huszár bespeelde zijn ‘mechanische dansfiguur’, geprojecteerd op een scherm, en Nelly (of ‘Pétro’) speelde op de piano stukken van avant-gardecomponisten als Satie en Rieti. Schwitters droeg zijn eigen absurdistische teksten voor. Het publiek liet zich in de loop van de tournee steeds meer meeslepen door de provocaties en meligheden van Schwitters en Van Doesburg, maakte dierengeluiden, beklom het podium, gedroeg zich steeds agressiever. De laatste dada-avond vond plaats in Drachten, en werd uitgevoerd door Kurt Schwitters solo.

advertentie Groote dada avond Leiden 14 feb 1923affiche dada veldtocht haarlem 12 jan 1923

K. Schippers

Een laatste relevante Dada-Drachten-link kwam tot stand door het contact dat Paulo Martina, directeur van Museum Dr8888, een paar jaar geleden legde met de schrijver K. Schippers, die in 1974 het boek Holland Dada had uitgebracht en een groot dada-archief bleek te bezitten. Dat dada-archief schonk Schippers aan het museum.

de tentoonstelling

Dat een relatief klein museum in een noordelijke provincieplaats zo’n ambitieuze tentoonstelling met veel werk van oorspronkelijke dadaïsten weet te organiseren: hulde! Al is lang niet al het werk dadaïstisch te noemen (van een aantal kunstenaars en schrijvers die bij dada betrokken zijn geweest, is ook werk te zien uit ondadaïstische perioden), de expositie is goed opgebouwd, mooi en overzichtelijk ingericht per dada-plaats, met veel originele publicaties (boekjes, tijdschriften, affiches).

Holland

Otto van Rees stilleven met gitaar 1916

Het accent van de tentoonstelling ligt op de internationale Holland-dada-connecties. Zo is er van het Nederlandse echtpaar Otto en Adya van Rees vooral kubistisch werk te zien, schilderijen en collages. Zij hadden al in Parijs en Italië gewoond, trokken in 1915 naar het Zwitserse Ascona, waar ze Hans Arp ontmoetten, met wie ze regelmatig in Zürich verbleven. Daar exposeerden ze gezamenlijk kubistisch en abstract werk, waarmee ze de basis legden voor een nieuwe kunst die met het Zürichse dada geassocieerd zou worden. Van Otto en Adya van Rees was ook werk in Cabaret Voltaire te zien, maar of ze er deelgenomen hebben aan dadaïstische optredens is niet bekend.

Uiteraard is er in Drachten speciale aandacht voor het werk van Thijs Rinsema, van wie het museum veel in bezit heeft. De autodidact Rinsema had vanuit Drachten met De Stijl, dada en andere moderne kunst kennisgThijs Rinsema collagedoosje 1924-30emaakt, vooral door Van Doesburg en Schwitters, waarbij hij tot een levendige kunstproductie kwam. Hij maakte vanaf 1920 kubistische en geometrisch-abstracte tekeningen, schilderijen en collages. Eigenlijk meer een combinatie van kubisme, De Stijl en dada. Zijn speelse collagedoosjes met ingelegd fineer zijn prachtig.

Andere logische headliners in deze Holland-Dadacontext moeten Van Doesburg en Schwitters zijn. Probleem bij Van Doesburg is: onder zijn eigen naam was hij De Stijl, voor dada was hij I.K. Bonset. Hij organiseerde dada-optredens en gaf naast De Stijl een dadaïstisch tijdschrift uit, Mécano. Literair chef (‘gérant litéraire’) hiervan was I.K. Bonset, beeldmonteur (‘mécanicien plastique’) Theo van Doesburg – zo kwamen beide persoonlijkheden in dit medium samen. ‘Administratie en vertegenwoordiging voor Holland’ waren gevestigd bij De Stijl. Maar dadaïstisch werk – gedichten en beeldwerk – maakte hij uitsluitend als I.K. Bonset. Onder deze naam is in de tentoonstelling een sterke, dynamische collage van Van Doesburg te zien.

IK Bonset Gewapen 1915-25

Van Kurt Schwitters is een serie van zes litho’s uit 1923 tentoongesteld, die vooral strakke geometrische vlakken laten zien, waarin dus de constructivistische elementen (zoals van De Stijl) de overhand hebben. Die rechthoekjes en balkjes zijn dan wel weer op een speelse manier over het vlak verdeeld. Over speelse vlakken gesproken: de Groninger drukker Hendrik Nicolaas Werkman maakte beeldend werk door materiaal uit zijn drukkerij (bijvoorbeeld de achter- en zijkanten van letterblokken) op papier af te drukken. ‘Druksels’ noemde hij dit werk. Werkmans inventieve gebruik van drukmateriaal, zijn composities én zijn typografie zou je dadaïstisch kunnen noemen. Van Werkman zijn een paar mooie druksels uit de museumcollectie te zien.

hn werkman affiche expositie 1931

Paul Citroen was in Berlijn opgegroeid, als zoon van een Nederlandse vader en een Duitse moeder. Hij is onder meer bekend van zijn fotomontages, met name Metropolis uit 1923. Alleen: vanaf 1917 woonde hij meestal in Nederland. Hij had wel in kringen (lees: cafés) rond Berlijnse dadaïsten verkeerd, maar nam niet deel aan dadaïstische activiteiten. Waarom is Citroen dan op zo’n dada-tentoonstelling vertegenwoordigd? Misschien vanwege die fotomontages, die wel volgens dadaïstische principes gemaakt waren, maar van opzet en karakter weer niet dadaïstisch zijn, daarvoor zijn ze te harmonieus, en missen ze een zekere stekeligheid. Opmerkelijk is wel de deelname van zijn acht jaar jongere broer, de toen veertienjarige Hans Citroen, aan de Berlijnse Dada-Messe in 1920. Van Hans (‘Jugendgruppe Dada’) waren daar vier collages te zien, waar hij mogelijk wel samen met zijn broer Paul aan gewerkt heeft.

Paul Citroen metropolis 1923 litho 1972

erwin blumenfeld bloomfield president-dada-chaplinist 1921

 

 

 

Tussen haakjes: een sterkere Holland-Dada-connectie zou Erwin Blumenfeld zijn. Met hem leidde Paul Citroen zogenaamd de Hollandse Dada-Centrale. Dat was meer een grap, want ze waren niet werkelijk met dada-activiteiten bezig. Blumenfeld, een Berlijnse jeugdvriend van Citroen die in 1918 naar Nederland kwam, was meer dada-georiënteerd dan Citroen. Hij maakte een tijdlang dadaïstisch ogende fotomontages, waarop hij zichzelf een enkele keer omschreef als ‘Dada-Chaplinist’. Van Blumenfeld alias Bloomfield was een gedicht in het derde nummer van Der Dada (het Berlijnse dada-tijdschrift) opgenomen; in hetzelfde nummer staat hij ook als medeondertekenaar vermeld van een protest tegen het verbod van de Duitse autoriteiten op de films van Charlie Chaplin. Blumenfeld was dus wel tot op zekere hoogte met dada bezig, maar vooral op afstand. Hij correspondeerde vanuit Nederland met Tzara en Huelsenbeck, maar had dan weer geen contact met Van Doesburg of Schwitters, en het is ook niet bekend of hij iets van de Hollandse Dada-veldtocht heeft meegemaakt.

internationale dada-centra

Voor de internationale context heeft het museum uitgepakt met enkele grote namen, die, naast de secties Nederland en Drachten, de belangrijkste dada-centra vertegenwoordigen: Zürich, Berlijn, Parijs, New York, Hannover en Keulen, en zelfs Antwerpen (Paul Joostens). Het lastige bij zo’n indeling is juist die internationale context van dada. Want de dadaïsten waren veel op reis, onder meer om de oorlog te ontlopen, en werkten dus ook op verschillende plekken. Dan moet je je bij de keuze voor een plaats baseren op de datering van de werken: wanneer maakten ze dit en dat? Lastig: soms is de datering niet precies bekend, soms de verblijfplaats niet.

Zo zijn Otto en Adya van Rees zowel bij Zürich als bij Nederland ingedeeld. Hun werk zal in Zürich zeker invloed gehad hebben op kunstenaars als Arp en Janco, in die zin horen ze heel logisch op deze tentoonstelling thuis. Al is er van hen ook werk van na de dada-periode te zien – overigens goed en speels werk – het laat zien hoe het experimentele en nonconformistische dada bij deze kunstenaars van blijvende invloed geweest moet zijn. Ook voor Kurt Schwitters geldt, dat die voor zijn ‘merz-dadaïstische’ werk bij zijn oorspronkelijke woonplaats Hannover is ingedeeld, en voor twee curieuze naturalistische potloodtekeningen (een landschap en een portret, beide uit 1935) bij Nederland. Mooie tekeningetjes, dat wel, maar geen merz of dada. Maar dus wel Schwitters. Paul Citroen: zelfde verhaal. Bij Berlijn ingedeeld vanwege zijn fotomontages, bij Nederland met een grappige tekening van een wc-pot. Zelfs ook bij Drachten, vanwege zijn prachtige fotoportret van Thijs Rinsema.

man ray it's springtime 1961Van de grote dada-namen Marcel Duchamp, Man Ray en Francis Picabia is verrassend genoeg veel werk te zien, verdeeld over de secties Parijs en New York. Van Duchamp en Man Ray zelfs meerdere objecten, waaronder een replica van Ray’s strijkijzer-met-spijkers Cadeau (het origineel was op dag 1 van zijn eerste solotentoonstelling in Parijs, in december 1921, al verdwenen). Maar ook weer veel werk, zelfs uit hun latere levensfasen, omdát het van hen is (van Picabia een tekeningetje van een naaktmodel…) – evengoed leuk om te zien. En ook hier weer de indelingsproblemen: wat hoort bij New York, wat bij Parijs? Moeilijk om daarbij volledig zorgvuldig te blijven.

 

george grosz fräulein und liebhaber kl gr mappe 1917

Berlijn is vooral vertegenwoordigd door George Grosz met zijn vlijmscherpe satirische tekeningen en een schilderij uit 1934. Zo is zijn Kleine Grosz Mappe met twintig litho’s uit 1917 er in zijn geheel uitgestald. Geen werk uit de Berlijnse dada-periode (1918-1920), maar het is wel Grosz. Otto Dix was ook zo’n zwartgallige tekenaar en schilder. Van hem was werk te zien op de Berlijnse Dada-Messe van 1920, verder heeft hij weinig met dada of Berlijn te maken. Dix doet mee in Drachten met tekeningen over de oorlog en een lustmoord. Van Hans Richter zijn een aantal sterke abstracte tekeningen te zien. Hij deed mee met de dadaïsten in Zürich vanaf 1917, maar daarna niet met die in Berlijn. Ten slotte zijn van Max Ernst (Keulen) enkele drukwerkcollages van zijn bundel La femme 100 têtes (1929, Parijs) te zien.

max ernst la femme 100 têtes 1929 l'immaculée conception

de catalogus

De catalogus is prachtig vormgegeven en bevat interessante artikelen. Van K. Schippers is de inleiding, een leuk stuk dat al eerder (in 1982) gepubliceerd was. Een goed overzicht van de internationale context van dada wordt gegeven door Paulo Martina. Na artikelen over ‘Holland Dada’ (Annemieke Keizer-Sloff) en ‘Dada in Drachten’ (Remco Heite) volgen interessante stukken over dada-typografie (Hester Jenkins), over Holland-dada-connecties Paul en Hans Citroen en Erwin Blumenfeld (Dick Adelaar) en over ‘Dada en muziek’ (Emanuel Overbeeke); ten slotte een boeiend verhaal van Niels Bokhove over de relatie tussen Schwitters’ Merzbau en de toenmalige mode om lunchrooms als grotten in te richten.

Hoe dada was Holland? Behalve Theo en Nelly van Doesburg vond geen van de Nederlandse kunstenaars zichzelf dadaïst. Ze waren voor hun beeldende werk, en trouwens ook voor hun dichtwerk, in zekere mate geïnspireerd door dadaïstische werkwijzen, maar dadaïst? Nee. Dada was leuk en inspirerend, maar uiteindelijk ging het hen om serieuze moderne kunst. Kurt Schwitters noemde Holland wel dada. Het eerste nummer van zijn tijdschrift Merz (januari 1923) is gewijd aan Holland Dada.

merz 1 cover

merz 1 p3

Al met al is de tentoonstelling absoluut de moeite van een bezoek aan Drachten waard. Uiteraard vanwege de prestatie een grote hoeveelheid dada- (of verwante) werken in dit relatief kleine museum bijeen te brengen, maar ook doordat er een logisch accent op Drachten gelegd is, waardoor ook lokale kunstenaars in een internationale dada-context geplaatst konden worden.

De tentoonstelling is nog te zien t/m 18 september. Tip: combineer het op een laatste zaterdag van de maand met de voorstelling van Prof. Russolo.

website Museum Drachten

literatuur, o.a.:

Tentoonstellingscatalogus Holland Dada en de internationale context. Drachten (Museum Drachten), Gorredijk (Bornmeer), 2016
K. Schippers, Holland Dada. Amsterdam (Querido), 1974 (herziene uitgave: 2000)
Helen Adkins, Erwin Blumenfeld, Dada Montagen 1916-1923. Berlijn (Hatje Cantz), 2008