Post Tagged ‘Nul’

Klaar met ZERO? Nee. Nu nog iets meer over Nul, de Nederlandse tak van ZERO. Het werk van Armando, Henk Peeters, Jan Henderikse, Jan Schoonhoven en Herman de Vries (herman de vries) blijft boeien. En: kunsttijdschriften als kunstwerken. En: wat maakten ze na nul?

nieuw begin

Eigenlijk waren al die internationale ZERO-gelieerde kunstenaars in de jaren vijftig zo’n beetje tegelijkertijd bezig met het overboord gooien van de gevestigde moderne kunstrichtingen, met hun abstract-expressionistische stijlen en handschriften, met hun naoorlogse pathetiek. Dat was gedaan, vonden ze. Van wilde pathetische gebaren zoals bij Pollock of de Cobra-schilders moesten ze niets meer hebben. Voor een deel waren die expressionistische uitingen als reactie op de Tweede Wereldoorlog te beschouwen, een weerslag van het Lijden. De ZERO-kunstenaars wilden, net als de dadaïsten rond 1920, opnieuw beginnen, maar dan wel met een optimistische blik op de toekomst. Alles lag open, qua beeld, methoden, technieken, mentaliteit.

Eind jaren vijftig had je de Duitsers Mack, Piene en Uecker; de Fransen Yves Klein en Arman en de in Parijs wonende Venezolaan Jesus Rafael Soto; de Zwitsers Tinguely, Spoerri en Megert; de Italianen Fontana, Castellani en Manzoni; de Japanse Gutai-groep en vooral Yayoi Kusama; de Belg Pol Bury en de Nederlanders Armando, Peeters, en Schoonhoven, en vele anderen. Al werden de internationale contacten snel gelegd, ze begonnen vaak los van elkaar met dezelfde ideeën.

Nederlandse Informele Groep

De Nederlandse ‘nul’-groep ontstaat uit de ‘Nederlandse Informele Groep’ (N.I.G.), die in februari 1959 in de Düsseldorfse Galerie Gunar exposeert (Armando, Peeters, Schoonhoven, Henderikse en Kees van Bohemen. Van Bohemen, die uiteindelijk niet mee zal gaan in de kunstopvattingen van zijn groepsgenoten, keert al snel terug naar de figuratie). Op de opening maken ze kennis met Otto Piene, die een krap jaar eerder met Heinz Mack de naam ‘ZERO’ gemunt heeft voor hun nieuwe kunstopvattingen. De N.I.G.-groep blijkt er dezelfde overtuigingen en manieren van werken op na te houden: grotendeels monochroom, veel wit, patronen, ritme, gebruik van non-artistiek, gevonden materiaal zoals bouten, prikkeldraad, veertjes, kurken, lucifers en luciferdoosjes, stukken hout en karton, vuur.

NIG Galerie Schmela 1959

Armando, Henk Peeters, Kees van Bohemen en Jan Henderikse voor Galerie Schmela in Düsseldorf, 1959

Er moet een geheel nieuwe kunst komen en alles wijst erop, dat ze komt. Niet ‘mooi en lelijk’ meer, niet ‘goed en kwaad’ meer (ze bestaan nog steeds), maar een kunst die geen kunst meer is, maar een gegeven feit (als onze schilderijen). De weg hierheen moet zijn: meedogenloos en onherroepelijk. Zoals de zon praat.
(…)

Armando, uit ‘Credo 1’, 1958, opgenomen in de catalogus bij de tentoonstelling Holländische Informelle Gruppe in Galerie Gunar, Düsseldorf, februari 1959

De kunst lijkt nergens meer over te gaan, zogenaamd. Zo wordt er in april 1961 een Internationale tentoonstelling van NIETS gehouden in de Amsterdamse Galerie 207 (‘representatief voor avantgardisme, konventionalisme, modernisme, kommunisme, kapitalisme, pattriotisme, internationalisme, monochromie, monotonie, beweging, zen, surrealisme, dadaisme, lettrisme, situationisme, informele kunst, konstruktivisme, tachisme’). Behalve de N.I.G.-/nul-kunstenaars doen o.a. Piero Manzoni en Christian Megert mee. Bij de tentoonstelling wordt ook een manifest uitgegeven: ‘Manifest tegen niets’:

Een schilderij is net zoveel waard als geen schilderij.
Een plastiek is net zo goed als geen plastiek.
Een machine is net zo mooi als geen machine.
Muziek is net zo aangenaam als geen muziek.
Geen kunsthandel is nog wel zo doelmatig als kunsthandel.
Iets is haast niets (niet iets).

De eerste grote groepstentoonstelling met alle internationale ZERO-kunstenaars vindt plaats in het Städtisches Museum in Trier, september 1961, onder de naam Avantgarde 61. De nul-groep is nu volledig geïntegreerd in de ZERO-beweging.

kunsttijdschriten

Kunsttijdschriften uit de ZERO-kringen zijn geen magazines meer over kunst, kunstenaars en kunstwerken, maar in veel gevallen nadrukkelijk als kunstmanifestaties op zichzelf te beschouwen. En dan kon een tentoonstellingscatalogus ook weer op zo’n kunsttijdschrift lijken. Veel pagina’s kunnen als kunstwerken gezien worden, en de teksten over kunst zijn nu vooral van de hand van de kunstenaars zelf, niet meer van kunstcritici. ZERO 3 luciferAan ZERO 3 (juli 1961) was op de laatste pagina door Daniel Spoerri een lucifer toegevoegd, met de aanbeveling het boekwerk na lezing te verbranden. Op diezelfde bladzijde was vlak boven de lucifer een zonnebloempit bevestigd (door Tinguely), om die ‘in goede grond te planten, alvorens de volgende aanwijzing te volgen’. Een vergelijkbaar kunsttijdschrift was Azimuth (Milaan, twee nummers: september 1959, februari 1960), opgericht door Enrico Castellani en Piero Manzoni, als pendant van hun galerie Azimut.

 

nul = 0

In navolging van ZERO verschijnt in november dat jaar het eerste nummer van nul = 0, ‘tijdschrift voor de nieuwe konseptie in de beeldende kunst’, uitgegeven door Armando, Henk Peeters en herman de vries, die zich ook bij de nul-groep heeft gevoegd. Internationale tekstuele en visuele bijdragen van o.a. Armando, Peeters, Henderikse, Schoonhoven, de vries, Mack, Piene, Uecker, Arman, Yves Klein, Megert, Hans Haacke. De teksten zijn in het Duits en Frans, en alles consequent zonder hoofdletters. In dit nummer verwoordt herman de vries de uitgangspunten van de nul-kunstenaars in een programmatische tekst, waarvan hier enkele fragmenten:

(…) de verbindende factoren van hen die deze nieuwe conceptie vormgeven zijn: het objectieve: het zoveel mogelijk uitschakelen van de persoonlijke reactie; het normloze: het niet te normeren van de resultaten; het stupide: de kunst is op een punt aangeland waarin techniek en intellect niet meer hoeven mee te praten omdat ze nu in wezen door iedereen gemaakt zou kunnen worden. wat mij betreft houdt de kunst hier op kunst te zijn. expressie is niet zichtbaar meer, naar binnen gekeerd en hermetisch afgesloten. de expressie blijft dus buiten beschouwing. (…)
samenvatting: het beelden in deze nieuwe conceptie is geen beelden, het is een collectief stupide maar objectieve en volledig normloze aan zichzelf overgelaten en overlatende expressieloze inhumane absolute bezigheid.

herman de vries, uit ‘nul = 0’, nul = 0 (1961), z.p. (oorspronkelijk in het Duits met een samenvatting in het Frans; Nederlandse vertaling in cat.tent. ZERO, Stedelijk Museum 2015, p. 509; zie onderaan)

nul=0 omslag

nul=0 p0-1

 

 

 

 

 

 

 

Het eerste nummer van nul = 0 heeft een zilverpapieren omslag met rechtsboven een rond gat waardoor de O van de eerste bladzij gloort. Lichtblauwe bladzijden met tekst, witte met foto’s. Foto’s van kunstwerken, van kunstenaars, van kunstsituaties. De pagina’s met foto’s zien er spannend uit – de foto’s lijken elkaar om aandacht te verdringen. Tekstuele en visuele bijdragen van o.a. Otto Piene, Heinz Mack, Günther Uecker, Armando, Henk Peeters, herman de vries, Jan Schoonhoven, Arman, Yves Klein.

nul=0 p4-5

nul=0 p10-11

Kort na het verschijnen van nul = 0 vindt de tentoonstelling Expositie Demonstratie ZERO plaats (Arnhem, Internationale Galerie A, zie mijn vorige stukje ZERO), waar van de nul-groep alleen werk van Peeters en Schoonhoven te zien is. Het tijdschrift ZERO 3 wordt hierbij als een soort catalogus verkocht – de meeste kunstenaars die aan dit boekwerk bijdroegen zijn immers ook exposanten van deze tentoonstelling.

Tentoonstellingen van ZERO-kunstenaars volgen elkaar snel op. In Den Haag organiseert Galerie Orez in januari 1962 een grote tentoonstelling Nieuwe Tendenzen, waar alle usual zero-suspects en veel internationale nieuwelingen vertegenwoordigd zijn. Anderhalve maand later opent de eerste grote ZERO/nul-tentoonstelling in het Amsterdamse Stedelijk Museum (nul62). Het affiche laat een evenwichtig gecomponeerde collage zien van teksten en koppen over ZERO en nul, met enkele namen van deelnemende kunstenaars. De omslag van de catalogus is net zo’n uitgebalanceerd overzicht van foto’s van kunstwerken. De catalogus is eigenlijk ook in de vorm van een (vouwbare) poster: op de ene kant kunstwerken, op de andere teksten, manifesten en citaten van de kunstenaars.

nul catalogus en affiche SM 62

catalogus en affiche voor de tentoonstelling Nul62 in het Stedelijk Museum Amsterdam, maart 1962

nul catalogus SM 62

nul affiche SM 62

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

catalogus bij Nul62                                                                          affiche voor Nul62

Het tweede nummer van nul = 0 verschijnt in april 1963, en is opgedragen aan Yves Klein en Piero Manzoni, twee toonaangevende ZERO-kunstenaars die kort daarvoor plotseling zijn overleden. Op de cover zijn uitvergrote vingerafdrukken van Manzoni’s rechterhand te zien. Rechts bovenin de hoek een rode O. Binnenin weer foto’s van kunstwerken: geometrische patronen, ruimtelijk werk, lichtwerk.

nul = 0 2 omslag

nul = 0 2 pagina

 

 

 

 

 

 

 

omslag van nul = 0, nr.2                                                                            pagina uit nul = 0, nr.2

nul affiche SM 65In 1964-65 meerdere tentoonstellingen in het buitenland, en in Nederland de exposities ZERO-0-nul in Den Haag en nul 1965, de tweede grote nul-tentoonstelling in het Stedelijk (zie mijn vorige stukje ZERO).

Geleidelijk aan vallen de groepen uit elkaar: de ZERO-kunstenaars Mack, Piene en Uecker concentreren zich op hun individuele projecten, de groep nul wordt ook steeds minder hecht. Henderikse is na 1963 nauwelijks meer van de partij (hij beschouwde zichzelf steeds minder ‘nul’), en ook Armando is halverwege 1965 wel klaar met nul. ZERO en nul waren gelijkgestemde bewegingen geweest, met duidelijke kunstopvattingen. Het optreden als groep had ook hun persoonlijke kunst sterk gemaakt, zowel in vorm als in overtuigingskracht.

 

 

voorbij nul

Hoe gingen de Nederlandse nul-kunstenaars verder met hun eigen werk?
Jan Schoonhoven en herman de vries blijven vrij consequent hun nul-kunstopvattingen uitdragen. Schoonhoven met zijn witte reliëfs in patronen en vakjes, maar ook zijn ‘hokjes’-tekeningen die wat wildere ordeningen laten zien. De rasterpatronen laat hij op een gegeven moment los, met name in de jaren tachtig, ten gunste van een grotere variatie van meer ongebonden, abstracte vormen.

Schoonhoven zt 1965

Schoonhoven zt 1987

Jan Schoonhoven, z.t., 1965                                               Jan Schoonhoven, z.t., 1987

herman de vries produceert in zijn nul-tijd witte geometrische reliëfs en sculpturen, veel samengesteld uit balkjes en plankjes. Hij maakt gebruik van toeval én ordening. Toevallig geplaatste stippen en streepjes, binnen een strak patroon. Vanaf eind jaren zeventig gebruikt de vries voor die toevallige ordening materiaal uit de natuur: plant- en boomblaadjes, takken, zaden en zaadhulzen, bloemen. Dit jaar richtte hij het Nederlandse paviljoen op de biënnale van Venetië in.

herman de vries sculpturen 1960-66

herman de vries - from the forest floor 1997

 

herman de vries, sculpturen 1960-66                         herman de vries, from the forest floor, 1997

Henk Peeters, Jan Henderikse en Armando treden steeds meer buiten de nul-perken. Peeters is vanaf eind jaren vijftig bezig met patronen en rasters – sterk nul. Stippen van roet, watjes, veertjes. Veel wit. Maar vanaf 1964 ook conceptueler werk, met of zonder patroon. Een wand met strakgeordende, met water gevulde plastic zakjes, een werk dat hij Akwarel noemt. Een roze, vierkante vorm uit schuimplastic met de abstracte verbeelding van een vrouwelijk kruis: Lolita (1965). Koeienhuiden, felgekleurde vachtjes. Overigens dateert zijn werk met de vrieskist met ijsblokken en daarboven een als trofee getoond wit bontje (IJs, ijsbeer, ijskast), een komisch conceptueel werk, al van 1961.

Peeters Zero 1960Peeters Installatie in AP 2000

Henk Peeters, Pyrografie 60-11, 1960                   Henk Peeters, installatie in AP, 2000

Jan Henderikse was binnen de nul-groep al vroeg wat speelser, wat meer dada/fluxus/popart door het gebruik van gevonden materiaal, dat hij dan wel weer nul-matig in grote hoeveelheden en geordend bij elkaar bracht, zoals in een cirkel van kurken (Kurkenreliëf, 1962), of een wand van bierkratjes (Zonder titel (Kratjeswand), 1962), en zijn assemblages van luciferdoosjes en nummerplaten. Na nul houdt hij zijn ritmische patronen van gelijksoortige voorwerpen voor gezien, en maakt hij collages van munten en banale gevonden voorwerpen, of van sportplaatjes of popsterren.

Henderikse Kurkenrelief 1962

Henderikse Assemblage 2010

Jan Henderikse, Kurkenreliëf, 1962                                                   Jan Henderikse, Assemblage, 2010

Armando

Armando wand ZERO SM

Hoewel Armando in zijn nul-tijd overtuigd is van een nieuwe, slechts naar zichzelf verwijzende kunst (zie het citaat uit Credo 1 in het begin van dit stukje), blijft hij gefascineerd door de thematiek van menselijk geweld, van goed en kwaad, daders en slachtoffers. Daarbij doorbreekt hij taboes door ook de schoonheid van het kwaad naar boven te halen, of door een uitgesproken fascinatie voor de dader. Zijn waarnemingen van diverse facetten van de oorlog, als opgroeiende jongen, vooral die bij ‘het kamp’ van Amersfoort, blijven leidend voor zijn uitingen in beeld en geschrift. ‘Schuldig landschap’: bos en heide hadden zich niets aangetrokken van de oorlogshandelingen. Ze waren getuigen geweest, maar niet onschuldig, hadden geweigerd zich uit te spreken. Bomen die schaamteloos doorgroeien – ‘schoonheid is niet pluis.’

Armando’s zakelijke nul-werk wordt dus weer gevolgd door romantische verwijzingen naar de oorlog, naar daders en slachtoffers, naar schuldige objecten: bosranden, menselijke gestalten, machtige dieren, vlaggen, ladders, hekken, geweren. Veel dreiging, veel zwart, rood, later juist weer lichte tinten blauw, groen, bruin. Nul is voor Armando een serieuze richting geweest, maar de relatie tussen schoonheid en kwaad borrelt altijd aan de oppervlakte. Trouwens, ook zijn nul-werken zou je betrekkelijk heftig kunnen noemen: die dreigende wand van zwarte autobanden, de kille gladde houten en metalen panelen, wit, maar ook veel zwart en rood, grote bouten, prikkeldraad…

Armando Fahne 1980-81

Armando Der Vogel 2006

 

 

Armando, Der Vogel, 2006

 

 

Armando, Fahne, 1981

Ten slotte een citaat uit Armando’s De straat en het struikgewas, ik sla het zomaar open.

Ik bedoel dit: aan de bosrand werd een zootje mensen vermoord, er werd geslagen, gekermd, geschreeuwd en geschoten. Intussen zong een vogel het hoogste lied. Hij zat een beetje te schommelen op een tak.
Vermoedelijk dacht de vogel: je kunt me nog meer vertellen, het leven gaat door. Of misschien dacht die vogel iets heel, heel anders, of dacht ie helemaal niet. Het is niet meer te achterhalen. De vogel is, volgens zeggen, dood.

Armando, De straat en het struikgewas, Amsterdam (Rainbow Pockets), 1988. Uit het verhaal ‘De dieren en de bloemen’.

Van Jan Schoonhoven zijn er momenteel twee tentoonstellingen te zien: in Delft in het museum Prinsehof: Kijk, Jan Schoonhoven; en in het Schiedamse Stedelijk Museum: De werkelijkheid van Jan Schoonhoven, beide t/m 14 februari 2016.

Ik heb weer dankbaar gebruik gemaakt van de prachtige catalogus met uitstekende essays:
ZERO – LET US EXPLORE THE STARS (cat. tent. Stedelijk Museum Amsterdam, 4 juli – 8 november 2015, red. Margriet Schavemaker & Dirk Pörschmann). Stedelijk Museum, Amsterdam; ZERO Foundation, Düsseldorf; Verlag der Buchhandlung Walther König, Keulen, 2015.

verder o.a.:
Johan Pas, ‘The Magazine is the Message: het papieren netwerk van de Europese neo-avant-garde (1958-1963)’, TS Tijdschrift voor tijdschriftstudies, nr. 35, juli 2014, p.37-58. www.tijdschriftstudies.nl

Armando autobanden ZERO SM

Henderikse kratjeswand ZERO SM

 

ZERO is terug in het Amsterdamse Stedelijk Museum, na eerdere opzienbarende tentoonstellingen in 1962 en 1965. ZERO, een kunststroming die geen stroming wilde heten, maar die begin jaren zestig wel de wereld veroverde. Vanuit Düsseldorf werden geestverwanten uit Milaan, Parijs, Antwerpen, Arnhem en ook uit Japan ZERO ingezogen. Dit stukje gaat over de concepten, de tijdschriften, de performances, de producten, de media-aandacht van ZERO. Althans, in enkele hoofdlijnen, want ZERO is véél, zeker voor zo’n blogbestek. Keuzes maken, lastig. Ten slotte worden ook – uiteraard – verbanden met DADA gelegd.

ZERO SM witte wand

ZERO wit

ZERO SM kratten banden

Jan Henderikse en Armando

ZERO Peeters Akwarel 2

Henk Peeters, Akwarel

Het Stedelijk heeft een prachtige ZERO-show neergezet. Van een zaal vol witte werken – met rasters, vakjes, plooien, uitstulpingen, inkepingen, gaatjes, patronen van roet e.d. – tot aan zalen met filmregistraties van performances, zalen met bewegende lichtsculpturen, een wand met gestapelde houten bierkratjes, een wand met autobanden, een wand vol met water gevulde plastic zakjes. Structuur, patronen, gebruiksvoorwerpen, ruimtelijke ingrepen, licht, beweging, werken die met vuur gemaakt zijn. Alles non-figuratief, geen geschilderde voorstellingen – hoewel niet voorstellingloos, een autoband stelt immers een autoband voor. Trouwens niet alleen dat, ook een ‘O’, de nul van Nul/ZERO. En wat te denken van Yves Kleins schilderingen met vrouwelijke naakten, die, besmeerd met de bekende blauwe verf, hun lijven als stempels op doek laten afdrukken? Schilderijen zijn het, oké, maar zonder het handschrift van de kunstenaar.

ZERO Klein blauwe vrouwen

Yves Klein, Anthropométries de l’époque bleue en Symphonie Monotone Silence, Parijs, 9 maart 1960

De mooiste ZERO-acties

De mooiste ZERO-acties vonden plaats ná de eigenlijke ZERO-periode (1957-1966), en dit geldt voor alledrie de hoofdrolspelers: Otto Piene, Heinz Mack en Günther Uecker. Misschien door een wat langere tijd van ZERO-rijping, en anders door verbeterde technische mogelijkheden.

Zo realiseerde Piene The Proliferation of the Sun (‘De zon komt dichterbij’), een installatie vol projecties van kleurig beschilderde dia’s, pas in 1967 in het Black Gate Theater in New York. De dia’s klikten snel achter elkaar door waarbij een robot-achtige stem de woorden ‘the sun, the sun, the sun…’ eindeloos herhaalde. Het publiek lag daarbij met hoofdkussens op de vloer. Piene was al vanaf eind jaren vijftig bezig met lichtprojecties. Deze performance werd overigens bij de opening van de huidige ZERO-tentoonstelling in het auditorium van het Stedelijk Museum heropgevoerd.

Mack werkte ook al vanaf 1959 aan zijn Saharaproject. In 1968 kon hij het daadwerkelijk uitvoeren samen met het Duitse tv-station WDR, resulterend in de tv-film Tele-Mack. In een zilveren astronautenpak bedient hij spiegelende zuilen en reliëfs in de woestijn van Tunesië om zo een bijzonder samenspel van licht, zand en lucht te laten ontstaan.

ZERO Mack Sahara

Tele-Mack

Uecker, de onbedwingbare spijkeraar, voerde in 1969 zijn Nagelfeldzug (‘Spijkerveldtocht’) uit, een landart-performance die ook op film is vastgelegd. Uecker begint met een reuzenspijker door een net geploegde akker te groeven. Hij vervolgt zijn weg naar de stad door kleinere spijkers in de aarde te slaan en onderweg allerhande objecten te bespijkeren, tot hij, op de plaats van bestemming, de punten van zijn schoenen vastspijkert waaruit hij even later verdwenen is. Lege schoenen, kunstenaar vertrokken, einde film.

ZERO Uecker Nagelfeldzug

Nagelfeldzug

Radicaal anders

Radicaal anders moest de kunst. De naoorlogse beeldende kunst werd gedomineerd door abstract-expressionistische tendenzen, zowel in de VS (o.a. Jackson Pollock, Willem de Kooning) als in Europa (o.a. Cobra en andere abstracte, ‘informele’, richtingen). Kunst moest niet meer over expressieve gevoelsuitingen gaan, niet meer naar binnen gekeerd zijn, maar je moest juist de blik naar buiten gericht houden, op de wereld, de ruimte – de huidige ZERO-tentoonstelling in het Stedelijk heeft niet zomaar als ondertitel Let us explore the stars. Niet in je eentje in afzondering, maar samenwerkend met anderen. Het was tijd voor een herdefinitie van de schilderkunst. Gebruikmakend van neutrale, voorhanden materialen, beschikbare moderne technieken, en, niet in de laatste plaats, de media.

In 1957 houden Otto Piene en Heinz Mack ‘avondtentoonstellingen’ in hun ateliers in Düsseldorf. Ze bedenken het woord ‘ZERO’ voor het radicaal nieuwe soort werk dat ze maken. Kunst moet tot essentiële waarden worden teruggebracht, in kleur, vorm, materiaal, werkwijzen. Een nieuw begin, tabula rasa, Year Zero. ZERO moet, aldus Piene, ‘een zone van stilte en van pure mogelijkheden voor een nieuw begin’ uitdrukken.

ZERO 1: rood

ZERO ts 1 2 3

Het Stedelijk gaat in zijn huidige tentoonstelling met ZERO van start in 1958, het jaar waarin het eerste nummer van het tijdschrift ZERO wordt uitgebracht, waarbij weer een grote ateliertentoonstelling wordt gehouden. Het is de zevende avondtentoonstelling, op 24 april georganiseerd door Mack en Piene. Tijdschriften waren belangrijk, net als bij de dadaïsten veertig jaar eerder, om ideeën en opvattingen over kunst te verspreiden, in woord en beeld. Tijdschrift en tentoonstelling hebben een thema: ‘Das Rote Bild’ (‘Het rode beeld’). 45 internationale kunstenaars doen eraan mee. Het tijdschrift bevat geen illustraties (geen geld voor), alleen teksten van kunstenaars en schrijvers over de vraag ‘Draagt de hedendaagse schilderkunst bij aan het scheppen van een betere wereld?’, en over het thema kleur in de actuele kunst. De Franse kunstenaar Yves Klein doet al mee (met een tekst in het tijdschrift en een geheel monochroom rood schilderij op de expositie – kleur biedt immers, in tegenstelling tot lijnen, totale vrijheid), evenals de Duitser Günther Uecker, die vanaf 1960 het derde vaste lid van ZERO zal zijn.

ZERO 2: vibratie

ZERO 2 titelpag 2

Het tweede nummer van ZERO verschijnt een half jaar later, met als titel: ‘VIBRATION’. Dit woord vult de titelpagina in een eindeloze herhaling, in een strak patroon van subtiele verspringingen, om een suggestie van beweging op te roepen. Nu zijn er maar vijf deelnemende kunstenaars van wie werk te zien is in de achtste avondtentoonstelling in de ateliers van Mack en Piene (2 oktober). Veel wit, fijne rasterpatronen, al of niet in reliëf.

internationale geestverwanten

Het derde nummer van ZERO komt twee jaar later uit, maar intussen speelt zich internationaal veel af in tentoonstellingen en tijdschriften van kunstenaars die – overigens al vóór ZERO – met dezelfde concepten bezig zijn. Yves Klein, Lucio Fontana, Piero Manzoni, Enrico Castellani, Jean Tinguely, Daniel Spoerri en ook een groep Nederlandse kunstenaars, de ‘Nederlandse Informele Groep’ (N.I.G.). Armando, Henk Peeters, Jan Henderikse en Jan Schoonhoven maken deel uit van deze groep, en zullen later onder de naam ‘Nul’ de Nederlandse tak van ZERO vertegenwoordigen. Begin 1959 exposeren de N.I.G.-kunstenaars in Düsseldorf, in Galerie Gunar, en maken er kennis met Otto Piene. Peeters wordt de internationale netwerker van de N.I.G. en Nul.

Manzoni Achrome 1959

Piero Manzoni, Achrome, 1959

beweging: Vision in Motion – Motion in Vision

In Antwerpen vindt bijna tegelijkertijd een tentoonstelling plaats die belangrijk geweest is voor de internationale ontwikkeling van ZERO: Vision in Motion – Motion in Vision. De Belgen Pol Bury en Paul Van Hoeydonk organiseren samen met de Zwitser Tinguely een tentoonstelling met als thema ‘beweging’, en stellen de werken los in de ruimte op, zodat de bezoekers eromheen kunnen lopen. Het ZERO-drietal Piene, Mack en Uecker doet mee, Yves Klein, en Tinguely’s landgenoot Daniel Spoerri. Kleins bijdrage bestaat uit immaterieel werk, een performance zou je kunnen zeggen: een praatje dat hij op de openingsavond rokend ten gehore brengt. Rook beweegt ook, immers.

ZERO Pol Bury Erection molle 1961

Pol Bury, Erection molle, 1961

Beweging zit als mechaniek in het werk zelf – van subtiel bij Bury tot luidruchtig bij Tinguely – of ontstaat door erlangs te lopen. In die zin zou je kunnen stellen dat een (ZERO-) kunstwerk, bijvoorbeeld met een reliëf in een patroon, pas compleet is bij de bewegingen van de bezoeker.

In de loop van 1960 vinden internationaal veel tentoonstellingen plaats van ZERO- en verwante avant-gardekunstenaars, waarbij vaak óók werk getoond wordt van inspirerende dada-oudgedienden als Marcel Duchamp en Man Ray.

ZERO ZERO 3 Mack raket3: EDITION – EXPOSITION – DEMONSTRATION

EDITION: een dik boek is het geworden, het derde nummer van het tijdschrift ZERO. Bijdragen van meer dan dertig kunstenaars – teksten en veel plaatjes. Alle internationale usual ZERO suspects leveren hun bijdragen, aangevuld met werk van o.a. de Fransman Arman, de Oostenrijker Arnulf Rainer en de Duitser Gerhard von Graevenitz.

EXPOSITION: de tentoonstelling wordt gehouden in Galerie Schmela in Düsseldorf. Deze eerste grote ZERO-expositie krijgt een speelse aankleding: slingers van ZERO 3-covers, wanden beplakt met bladzijden uit ZERO 3, een jukebox met harde muziek. En natuurlijk ZERO-werk, nu uitsluitend van de drie protagonisten. Met veel lichtwerken van Piene en Mack en spijkerwerk van Uecker.

ZERO Piene Lichtraum

Otto Piene, Lichtraum

ZERO SM Uecker tv foto Françoise Ledeboer

Günther Uecker, TV, 1963

DEMONSTRATION: de opening (5 juli 1961) is een happening met veel media-aandacht. Aan de gevel van de galerie hangen zwarte ‘ZERO’-banieren en een gigantische witte pijl die naar het woord ‘ZERO’ wijst, of zelfs, bij nadere beschouwing, naar een kijkgat in het houten schot dat tegen het raam van de galerie is gespijkerd. Bezoekers zijn in zwarte kartonnen kostuums gehesen waarop met witte verf ‘ZERO’ geschilderd is, en blazen zeepbellen. Een man op stelten in een ‘ZERO’-cape schildert ‘ZERO’ in grote witte letters op de gevel van de galerie. Een doorzichtige, raketvormige ballon wordt gevuld met hete lucht en opgelaten. Günther Uecker schildert met een bezem met witte verf een grote ‘O’ op de straat. Pers, fotografen en televisie zijn erbij om het gebeuren te documenteren. Het spektakel, bedoeld om aandacht van het publiek voor het tijdschrift te trekken, wordt zo een mediagebeuren: uitzending op tv in een actualiteitenrubriek, plus veel krantenberichten. De titels ‘Edition’, ‘Exposition’ en ‘Demonstration’ staan voor de onderlinge verbondenheid van tijdschrift, tentoonstelling en (openings-) performance.

ZERO 3 Demonstration

ZERO 3 Demonstration, Galerie Schmela, Düsseldorf, 1961

tv

De ZERO-kunstenaars buiten hun mediabewustheid een half jaar later speciaal uit voor een tv-documentaire. Een ‘Demonstration’, nu los van ‘Edition’ en ‘Exposition’. Opnieuw een ‘demonstratie’, nu niet bij een kunstruimte, maar aan de oever van de Rijn bij Düsseldorf. Een groep mannen zwaait met zwarte vlaggen waarop ‘ZERO’ staat. Uecker trekt weer met een bezem een witte cirkel over de grond. Opnieuw bellenblazend publiek in hoekige zwarte gewaden waarop zowel voor als achter een grote witte ‘O’ geschilderd is. Hetzelfde ‘O’-publiek (overwegend jonge vrouwen) houdt trossen heliumballonnen vast, die, wit uitgelicht, in de nachtelijke hemel worden losgelaten. Typerend: aan de belichting wordt veel aandacht besteed.

ZERO Rheinwiesen tv-doc

ZERO Demonstration Rheinwiesen, 1962

ZERO in Nederland

Henk Peeters wil het succes van ZERO 3 naar Arnhem halen, met het complete pakket: een tijdschrift, een tentoonstelling en een openings-’demonstratie’.

nul = 0 heet het tijdschrift dat Armando, Henk Peeters en Herman de Vries (die zijn naam voortaan consequent, zoals dit hele tijdschrift, hoofdletterloos zal blijven schrijven) eind 1961 samenstellen. Alle teksten zijn in het Duits en Frans, om een internationaal publiek te kunnen bereiken. Tekstuele en visuele bijdragen van o.a. Piene, Mack, Uecker, Armando, Peeters, herman de vries, Jan Schoonhoven, Arman, Yves Klein. Omdat niet het tijdschrift nul = 0 zelf als catalogus bij de tentoonstelling gebruikt wordt, maar ZERO 3, heet de manifestatie ‘Expositie Demonstratie ZERO’, dus zonder ‘Editie’.

Voor de tentoonstelling in de tijdelijke Galerie A heeft Peeters de kunstenaars uitgenodigd die aan het tijdschrift ZERO 3 hebben meegewerkt. Er is een ‘openingsaanbieding’ van zeefdrukken van Fontana, en op de expositie kun je tekeningen laten maken door Tinguely’s Metamatic-tekenmachine.

Tinguely Meta-Matic 10 1959

Jean Tinguely, Méta-Matic No. 10, 1959

ZERO Gal. A demonstratie

Ook de opening is min of meer van de ZERO 3-demonstratie gekopieerd. De bedoeling is dat hiermee publiciteit wordt gewekt voor de grote ZERO-tentoonstelling in het Stedelijk Museum, een paar maanden later. Al verloopt de opening zelf succesvol (weer met bellenblazende ZERO-meisjes, een heteluchtballon en harde muziek – in aanwezigheid van Mack, Piene en Uecker), de ontvangst in de media valt tegen: kranten schrijven weinig welwillend en televisieverslaggevers laten verstek gaan.

 

Nul in het Stedelijk

Willem Sandberg, directeur van het Amsterdamse Stedelijk Museum, biedt Henk Peeters de gelegenheid om in maart 1962 een grote internationale ZERO-tentoonstelling Nul62 te organiseren, op voorwaarde dat Peeters de financiering grotendeels zelf voor zijn rekening neemt. Die verantwoordelijkheid biedt meteen nieuwe kansen – door het aantrekken van sponsoren kunnen grote installaties worden gerealiseerd: de wand van bierkratjes van Henderikse (bierbrouwer), de autobanden van Armando (bandenfabrikant), een vrieskist voor Peeters (levensmiddelenconcern) en een grote rol papier voor de uitvoering van het werk Linie van Manzoni (krantenuitgeverij). Sponsoring was destijds niet aan de orde bij een instituut als het Stedelijk, maar Sandberg gaat – tot op zekere hoogte – akkoord. Nieuwe deelnemers zijn de Japanse Yayoi Kusama, de Italiaanse Dadamaino en de Duitser Hans Haacke.

Het affiche is goed ZERO: een strak vormgegeven collage van kleinletterige ZERO-teksten met grote, typografisch opvallende ZERO/NUL-koppen en ‘O’s. De catalogus is ook een collage, maar dan van foto’s van werken op de ene kant, en van kunstenaarsteksten op de andere. Het is als vouwblad vormgegeven.

Yayoi Kusama Aggregation Boat Show 1963

Yayoi Kusama, Aggregation Boat Show, 1963

Drie jaar later, in april 1965, wordt een tweede grote Nul-tentoonstelling in het Stedelijk gehouden (nul negentienhonderd vijf en zestig [nul 1965]), inmiddels met Edy de Wilde als directeur, en nu georganiseerd door Peeters samen met het Stedelijk zelf. Mack, Piene en Uecker zijn er uiteraard weer uitgebreid vertegenwoordigd, maar ook de Japanse Yayoi Kusama met haar ´fallusboot´ Aggregation Boat Show. Een aardig idee is ook de geplande uitgave van een handboek met instructies voor ZERO-zelfbouwpakketten, een Edition ZERO: maak je eigen ZERO-kunstwerk. Geweldig idee eigenlijk: ZERO-werken zijn op een zakelijke, werktuiglijke manier vervaardigd, onpersoonlijk, dus waarom niet? Helaas is dit project, afgezien van ontwerpschetsen en enkele door Peeters zelf geproduceerde werken, niet gerealiseerd.

ZERO-0-Nul in Den Haag

Een jaar eerder (voorjaar 1964) zijn ZERO en Nul in het Haagse Gemeentemuseum een confrontatie met elkaar aangegaan in de tentoonstelling ZERO-0-Nul, een soort ZERO-Nul-battle: Piene, Mack en Uecker maken voor het eerst een gemeenschappelijk lichtkunstwerk, Silberne Lichtmühle, (een echt draaiende lichtmolen), terwijl Armando, Peeters en Schoonhoven met materiaal werken dat een verffabriek hen ter beschikking heeft gesteld: een muur van lege verfblikken (Peeters), een stapeling van lege dozen (Schoonhoven), en een groepering van grote lege verfvaten (Armando).

ZERO Mack Piene Uecker Silberne Lichtmühle 1964

Schoonhoven R62-16, 1962

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Mack, Piene, Uecker, Silberne Lichtmühle, 1964                            Jan Schoonhoven, R62-16, 1962

ZERO op zee 

Een gigantisch ZERO-project op de Scheveningse Pier moest een internationaal hoogtepunt van ZERO worden, met grote objecten op en rond de Pier, ZERO op zee. Rond de vijftig kunstenaars zouden eraan deelnemen, de voorbereidingen waren vergevorderd. Maar financiële overwegingen en de weersomstandigheden leidden eerst tot uitstel (van september 1965 tot voorjaar 1966) en uiteindelijk tot afstel van het project.

ZERO op zee 2 montage Henk Peeters

Henk Peeters, ZERO op zee, fotomontage, 1965

ZERO eindigt met een knal

Eind 1966 is er een laatste tentoonstelling van de ZERO-initiators Mack, Piene en Uecker in Bonn. De nadruk ligt nu op het individuele werk van de deelnemers. In een gemeenschappelijke ruimte tonen ze hun werk in eigen hoekjes, daarnaast realiseren ze hun eigen, ruimtevullende installaties. Een aparte zaal is ingericht voor ZERO-documentatiemateriaal. Een duidelijk afscheid van de groep, zoals het ZERO überhaupt nooit aan duidelijkheid heeft ontbroken.

De opening van de expositie (25 november 1966) wordt afgesloten met een groot feest in een stationsgebouw, een Mitternachtsball. Rond de tweeduizend bezoekers zijn erbij, en een live-band. En media: drie fotografen leggen het gebeuren vast. Een knallend einde van een radicale kunstenaarsgroep.

ZERO Mitternachtsball 2

DADA-ZERO

Wat is er nu DADA aan ZERO? Veel. De ZERO’s waren bekend met DADA, en in sommige krantenberichten over ZERO werd ook naar DADA verwezen. Maar er zijn ook wezenlijke verschillen.

Wat overeenstemt: de kritiek op de expressionistische schilderkunst, op de naar binnen gerichtheid, de pathetiek. De behoefte om opnieuw te beginnen (tabula rasa), nieuwe werkwijzen te hanteren. Het uitbannen van het op emoties gebaseerde kunstenaarshandschrift, kunst moest op een onpersoonlijke, zakelijke manier tot stand komen. Samenwerking, als groep naar buiten treden in tijdschriften, tentoonstellingen en optredens. Gebruik van de media: de dadaïsten gebruikten de media veelvuldig om bekendheid aan hun acties te geven, in krantenberichten, advertenties, of via affiches. En ze genereerden met hun provocerende optredens regelmatig aandacht van de pers. Ook ZERO zorgde met zijn demonstraties bewust voor aandacht van alle mogelijke media.

Wat niet overeenstemt: het cynisme, het nihilisme (in uiterste gevallen) van DADA tegenover het optimisme van ZERO. De dadaïsten waren cynisch geworden door de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog en uitten hun kritiek op politiek en bourgeoisie met ironie, sarcasme en publieksprovocaties.

De ZERO-kunstenaars wilden na de Tweede Wereldoorlog met een open blik naar de toekomst kijken, nieuwe mogelijkheden onderzoeken binnen de kunst. Ook met humor, al is het niet de bijtende spot van de dadaïsten, maar wel de glimlach die hun eigenzinnige materiaalgebruik oproept, en de ludieke vrolijkheid van hun ‘demonstraties’.

Deze week nog in het Stedelijk Museum te beleven.

Ik heb dankbaar gebruik gemaakt van de prachtige catalogus met uitstekende essays:

ZERO – LET US EXPLORE THE STARS (cat. tent. Stedelijk Museum Amsterdam, 4 juli – 8 november 2015, red. Margriet Schavemaker & Dirk Pörschmann). Stedelijk Museum, Amsterdam; ZERO Foundation, Düsseldorf; Verlag der Buchhandlung Walther König, Keulen, 2015.

ZERO ist die Stille 2