Post Tagged ‘psychedelisch’

Een eigenzinnige Amerikaanse rockband, die telkens op verrassende wijze prettig gestoorde geluiden en heftig ontsporende stemmen koppelt aan folky structuren en vocale harmonieën. Op 13 juni trad de band in halve bezetting op in een uitverkocht Paradiso Noord (Tolhuistuin) met een uitvoering van hun ‘sleutelalbum’ Sung Tongs uit 2004. Over dit optreden zal ik aan het eind wat vertellen.

De muziek van Animal Collective heeft zich ontwikkeld van avant-gardistisch experimenteel met ontoegankelijke, abstracte geluiden, freaky stemmen, akoestische gitaren en totaal ondansbaar (bv. in Here Comes the Indian, 2003) tot commercieel succesvol met subtiele meerlagige, psychedelische geluidstapijten, pakkende ritmes, meer conventionele songstructuren en Beach-Boysachtige vocale harmonieën (Merriweather Post Pavillion, 2009). Althans, een ontwikkeling in grote lijnen, niet helemaal lineair, want elk album is weer anders qua sfeer en muzikale opbouw.

bandleden

De bandleden noemen zich Avey Tare (David Portner), Panda Bear (Noah Lennox), Geologist (Brian Weitz) en Deakin (Josh Dibb). Ze ontmoetten elkaar op dezelfde – progressieve – scholen in Baltimore, Maryland. Deze scholen boden veel ruimte voor verbeeldingskracht en vrije expressie, wat van invloed was op hun vrije muziekbenadering. Ze treden niet altijd met z’n vieren op; zo is Deakin vanaf 2007 enkele jaren afwezig geweest, niet alleen bij live-optredens maar ook bij de opnamen voor meerdere platen, waaronder Merriweather Post Pavillion. Ook de eerste albums (2000-2003), gemaakt zonder Geologist en/of Deakin en nog niet onder de naam Animal Collective, worden achteraf wel tot de Animal Collective-discografie gerekend.

Here Comes the Indian

Mijn eerste kennismaking met het werk van Animal Collective was hun eerste studioalbum in complete bezetting, Here Comes the Indian. Ik voelde me meteen overrompeld. Niet eens aangenaam overrompeld, maar wel overrompeld. Wat ís dit voor weirde shit. Duister, sfeervol, en op het eerste gehoor behoorlijk ontoegankelijk. Nu eens zachte soundscapes, dan weer een heftige uitbarsting. Uniek, want zulke popmuziek had ik in de verste verte nog niet eerder gehoord. Noise, ook, maar dan wel heel gevarieerd, zowel thematisch als qua volume. Onaantrekkelijk voor het gemiddelde popmuziekoor, maar intrigerend, en toch al snel: goed! Het had er de schijn van dat ze zomaar wat aan het pielen waren, geluidje zus, stemmetje zo, en af en toe meppen op een trommel. Maar het beklijfde. De geluiden, stemmen en trommelklappen zijn niet willekeurig, ze horen bij elkaar. De muziek – jawel, muziek zonder aanhalingstekens – vormt een eenheid.

De geluiden kunnen sinister zijn, horrorachtig, met daartussendoor machineachtige, ratelende en pruttelende elektronica. Je hoort stemmen die zo sterk vervormd zijn dat ze van geestverschijningen uit een andere wereld afkomstig lijken. Soms is er oergekrijs, dan weer landerig gejengel. De meeste geluiden lijken van ver te komen en blijven lang op de achtergrond, totdat ze dreigend en vechtlustig naar voren dringen, begeleid door getrommel, om zich daarna weer terug te trekken. De spookachtige stemmen geven een onbegrijpelijk commentaar op de muziek. Anarchisme viert hoogtij, lijkt het. Toch heeft elk nummer een opbouw, een plan.

Campfire Songs

Het album vóór Here Comes the Indian heet Campfire Songs, en bestaat uit vijf nummers die achter elkaar in één take direct op minidisc zijn opgenomen, buiten op de veranda van een ouderlijk huis, zonder Geologist. De band noemde zich ook Campfire Songs. De gitaar speelt hier een hoofdrol, vandaar het ironische kampvuur in de titel (nou ja, niet alleen maar ironisch: ze wilden ook echt een wat intiemer album maken). Het gitaarspel is rudimentair, met aanslagen of getokkel in één of twee akkoorden, gecompleteerd met karige, maar meestal melodieuze zanglijnen en harmonieuze samenzang, en met toevoeging van omgevingsgeluiden.

inspiratie

Inspiratie kregen ze van nachtelijke (piraten-) radiouitzendingen, van bands als Pavement en Can, van een arty folkband als Incredible String Band, Beach Boys, Grateful Dead, Pink Floyd en andere psychedelische en experimentele muziek, van filmmuziek van horrorfilms (The Texas Chain Saw Massacre), van minimal music, en ook van avant-gardecomponisten als Ligeti en Penderecki. En door het nuttigen van psychedelica. Ze maken vaak muziek in wisselende groepjes van twee, en komen dan bij elkaar om die uit te werken.

Sung Tongs

Na Here Comes the Indian wilden Avey Tare en Panda Bear een album maken zonder die abstracte, dichte soundscapes, weer meer in de stijl van Campfire Songs. Gitaren, stemmen, aangevuld met effecten en electronica. Dat werd Sung Tongs (2004). Het is gevarieerder en wat weirder dan Campfire Songs, qua zang, vervormende effecten, instrumentgebruik en productie. De combinatie van rudimentair spel op akoestische gitaren, harmonieuze zang, spaarzame maar rake percussie en de toegevoegde elektronische effecten maken dat deze plaat tot ‘sleutelalbum’ wordt gerekend, al is het door maar twee van de vier bandleden geschreven en opgenomen.

De eerste jaren traden ze op met maskers of geschminkt, voor meer zelfvertrouwen en om het publiek mee te trekken in de door de band gewenste sfeer, maar ze stopten daarmee vanaf 2006: het moest geen blijvende gimmick worden en ook niet te veel van de muziek afleiden.

Merriweather Post Pavillion

Na Sung Tongs wordt de muziek van Animal Collective toegankelijker, wat minder idiosyncratisch, of minder autistisch voor mijn part. De albums Feels (2005) en Strawberry Jam (2007) en de EP’s People (2006) en Water Curses (2008) zijn duidelijker gestructureerd, veellagig gearrangeerd, met heldere ritmepatronen. Steeds meer gebruik van synthesizers, minder gitaren. IJselijk geschreeuw en kinderlijk gejengel hebben plaats gemaakt voor melodieuze zangpartijen, niet meer sterk vervormd, zodat je nu ook de teksten kunt horen. Merriweather Post Pavillion (2009) is zeer gelaagd met gevarieerde elektronische partijen en beats – gewone trommels spelen een ondergeschikte rol. En dan de zang: de vocale harmonieën spelen een prominente rol, zijn geraffineerd uitgewerkt, indrukwekkend – echt, daar kunnen de Beach Boys nog een puntje aan zuigen. Een briljante plaat.

De albums na Merriweather Post Pavillion hebben het abstracte pad vrijwel geheel verlaten. Ook de gelaagde elektronische geluidsweefsels maken grotendeels plaats voor songs in een duidelijker popidioom, discoachtig soms, of met stuwende dancebeats. Nog altijd goed.

Maar, zoals te verwachten, ook weer niet consequent: de laatste plaat, de EP Meeting Of The Waters (2017), bevat weer rudimentair gitaarspel zoals op Sung Tongs, met mysterieuze, filmische, maar sfeervolle geluiden op de achtergrond, en op de voorgrond, met vervormde stemmen. Gelukkig maar, denk ik dan, want wat mij betreft toch weer spannender.

lyrics

De songteksten zijn meestal niet zomaar te bevatten. Soms wel, na een paar keer luisteren of lezen, dan valt er een bepaalde bespiegeling te ontdekken, maar vaak lijken ze opgebouwd uit associatief gevonden regels die geen onderling verband suggereren, maar wel een poëtische inslag geven. Surrealistisch. Dadaïstisch soms ook. Dat ze een nummer van het laatste album (Painting With, 2016) ‘FloriDada’ hebben genoemd is geen toeval.

Vaak wijzen ze op persoonlijke gedachten, stemmingen en verlangens of bedenken ze hoe je prettiger in het leven kunt staan. In elk geval intrigerend, met genoeg ruimte voor eigen associaties en interpretaties.

Kortom: de muziek van Animal Collective is bij vlagen hypnotiserend door de gelaagde en vaak repeterende geluidspatronen en varieert prettig van onderaards gegrom tot hemels getinkel.

het concert

De avond werd afgetrapt met een elektronische set van Eric Copeland van het geestverwante Black Dice. Copeland knalde zijn dreunende drones er oorverdovend hard in. De ononderbroken sequentie van nummers ontwikkelde zich tot een ritmisch geheel, waarbij Copeland zijn teksten – zonder contact met het publiek te maken – sterk vervormd in zijn microfoon knauwde, onverstaanbaar, zodat je er net zo goed ‘drone my balls marimba’ als ‘gadji beri bimba’ bij kon bedenken. Wel spannende muziek én dansbaar.

Dan Animal Collective zelf. Twee stoelen, twee sets microfoons, ertussenin een trommel (een floor tom). Panda Bear links voor de kijker, Avey Tare rechts. Allebei een gitaar op schoot. Sung Tongs is door dit duo gemaakt, en wordt nu na veertien jaar opnieuw door hen live uitgevoerd. Niet voor niets is dit album gekozen voor een live reprise: hoe sterk het is, maken deze heren duidelijk door zich in de uitvoering te beperken tot het gebruik van gitaren, een trom, en wat echo- en andere effecten op de stem. De samples en elektronica op de plaat worden waar nodig door de stemmen ingevuld, voor de rest blijken ze bij deze live-uitvoering niet gemist te worden, zo krachtig en overtuigend is hun performance.

Voordat ze aan de integrale uitvoering van Sung Tongs beginnen, komen ze met een nauwelijks bekend nummer, dat niet op een van de studioplaten voorkomt, maar daardoor wel meteen het muisstille publiek inpakt, ook omdat het in de stijl van Sung Tongs past. Onverwacht, en daardoor des te spannender. Een traag dreinend gitaarnummer rond één akkoord en door beiden unisono gezongen, het heet ‘Tuvin’. Als daarna ‘Leaf House’, het eerste nummer van Sung Tongs, wordt ingezet, barst het publiek los. Vanwege de herkenning van het begin van het album en een van de mooiste songs ooit. Vervolgens wordt de rest van Sung Tongs integraal gespeeld. Opmerkelijk is dat bij het bizarre, nog geen minuut durende ‘College’ – een prachtig ‘zeurende’, ‘anti-Beach Boys’ samenzang, gevolgd door de landerig gezongen regel ‘you don’t have to go to college’ – een Afrikaanse ‘zaadratel’ (een trosje van grote zaaddozen) wordt gebruikt voor een kabbelend geluid (na het handmatige begin elektronisch voortgezet) – het enige extra muziekinstrument gedurende het optreden.

Verder worden vooral publiekslievelingen als ‘Who Could Win a Rabbit’ en ‘We Tigers’ met enthousiast gejoel ontvangen. In laatstgenoemd nummer leidt het hoog gezongen deel van het refrein, een climax waar langzaam naartoe wordt gewerkt, haast tot extase bij het publiek. Na de laatste reguliere song van Sung Tongs besluit de groep tot drie extra nummers, waarvan een weer onbekend, en twee van de EP Prospect Hummer (2005, opvolger van Sung Tongs) die destijds samen met zangeres Vashti Bunyan werd opgenomen.

Al met al een sterk en overtuigend uitgevoerd concert – een haast continue adembenemende belevenis.

Hierbij een video van de eerste show van deze tour op 2 december 2017. In mijn beleving zijn beide performers nu nog beter op elkaar ingespeeld.

Voor de liefhebber: hun film ODDSAC (2010), regie Danny Perez

 

Advertenties

Pas op! Heftige zaken. Niet geschikt voor tere zieltjes en gevoelige oortjes. U bent gewaarschuwd. Over een invloedrijke Engelse pre- en postpunkband, ontstaan midden jaren zeventig.

Extreem. Dit is wat me te binnen schiet bij de band Throbbing Gristle. Voortkomend uit extreme performancekunst, extreem in zijn (anti-)muziekopvattingen. Anti-muziek? Zoals anti-kunst? Iets met dada? Jazeker.

De hoes van hun derde studio-album 20 Jazz Funk Greats (1979) laat de vier bandleden glimlachend in een bloemenrijk veld zien. Achter hen zie je ook de zee. Welnu, ik zal het maar meteen verklappen: ze staan op Beachy Head, een klif aan de oostelijke zuidkust van Engeland, een van de favoriete zelfmoordplekken ter wereld. Het idyllische plaatje heeft daarmee een wrange ondertoon gekregen. Throbbing Gristle (TG) bezong ook niet het optimistische leven, juist niet. De muziek heeft trouwens ook niets met jazz en funk te maken. Het album bestaat uit elf nummers met vaak kille, elektronische geluiden en ritmes, vervormde stemmen en gitaren. Het eerste nummer is dan weer wel de title track, ‘20 Jazz Funk Greats’, waarop disco-elementen en gemangelde trompetklanken (toch jazz?) te horen zijn. Het tweede nummer heet ‘Beachy Head’, dat bestaat uit spannende, sinistere soundscapes.

throbbing gristle - 20 jazz funk greats cover

Op dit album zijn in elk geval ritmepatronen, concrete klanken en duidelijk herkenbare teksten te horen – het eerdere werk is nog veel abstracter en grimmiger, daarin zijn ook de met sterk vervormde stem gesproken/geschreeuwde/gezongen teksten grover en duisterder. Veel van die teksten zijn tamelijk aanstootgevend, en getuigen van een somber, cynisch en schijnbaar nihilistisch wereldbeeld, dat is terug te voeren op de performancekunst van COUM Transmissions waaruit TG ontstaan is. Eerst iets over de leidende figuur van Throbbing Gristle.

Genesis P-Orridge

Als je zo extreem bent in je kunstopvattingen, dan is er een geschiedenis. Neil Megson (1950), zoals Genesis P-Orridge oorspronkelijk heette, verdiepte zich tijdens zijn middelbare schooltijd met een paar gelijkgestemde vrienden in kunst, literatuur en muziek. Hij raakte gefascineerd door de Amerikaanse Beat Generation (Burroughs, Kerouac, Ginsberg) en door de muziek van onder andere Zappa en de Velvet Underground. Met zijn schoolvrienden begon hij een band. Vijftien was hij toen. Een jaar later organiseerde hij, onder het mom van een schoolfeest, een kunstperformance of happening.

commune

p-orridge 1975Na een afgebroken studiejaar aan de universiteit van Hull (sociale studies en filosofie), waarin hij ook actief deelnam aan radicale studentenprotesten (1968), trok hij in Londen in bij een kunstenaarscommune,‘Transmedia Explorations’, gericht op een ‘totale’ kunst waarbij het scheppen van ‘ervaringen’ de barrières tussen kunst en leven zouden slechten. In deze commune moest een strikte deconditionering van routines nageleefd worden: je mocht geen opeenvolgende nacht op dezelfde plek slapen, er moest op ongebruikelijke tijden gegeten worden, je kleren waren van de commune. Na drie maanden hield P-Orridge het er voor gezien, maar ook deze relatief korte periode was bepalend voor zijn artistieke ontwikkeling.

Op een gegeven moment zag hij, als in een visioen, de woorden ‘COUM Transmissions’ voor zich. ‘COUM’: betekenisloos, net als het woordje ‘dada’ – dada en fluxus waren belangrijke inspiratiebronnen voor P-Orridge.

COUM Transmissions

Terug in Hull richtte Genesis P-Orridge met een vriend COUM Transmissions op als avant-gardistische muzikale performancegroep. De optredens werden geïmproviseerd met gebroken violen, geprepareerde piano’s, gitaren en Afrikaanse drums, soms ook aangevuld met drumstel en elektrische bas. Instrumentbeheersing was niet aan de orde – P-Orridge was ervan overtuigd dat de toekomst van de muziek bij non-muzikanten lag. Met zijn vriend trok hij in een verlaten pakhuis in Hull, dat hij het ‘Ho-Ho Funhouse’ doopte en dat een toevluchtsoord werd voor allerlei figuren uit undergroundscenes. Daar meldde zich ook een van huis weggelopen 18-jarig meisje, Christine Newby. Kerstmis 1969. Zij droeg aanvankelijk aan de activiteiten van COUM Transmissions bij door rekwisieten en kostuums te maken en nam een nieuwe naam aan: Cosey Fanni Tutti. COUM’s optredens als band werden steeds theatraler en intenser. Een enkele keer lieten ze bewust hun muziekinstrumenten thuis, wat hun performance extra kluchtig maakte.

COUM kreeg meer en meer aandacht in de pers, waardoor ze ook weer meer konden optreden. De optredens laveerden tussen muziek en performancekunst. Wat daarbij meespeelde was dat ze als kunstgroep subsidie konden krijgen, als rockband niet. Maar de aanstootgevende performances leidden wel regelmatig tot politie-invallen, waardoor het gezelschap bij de meeste clubs in Hull niet meer welkom was. Tussendoor bracht COUM ook boeken uit: over COUM zelf, maar ook over P-Orridge’s fascinatie voor het copyright-systeem en het copyright-symbool: Copyright Breeches (1973).

Fluxus en Wiener Aktion

Doordat de groep in Hull voortdurend door de politie in de gaten werd gehouden, besloten Genesis P-Orridge en Cosey Fanni Tutti naar Londen te trekken, in een kraakpand met een kelderstudio in de wijk Hackney. In 1973 deed de groep mee met een tentoonstelling van Fluxus-kunstenaars. Later in het jaar exposeerden ze op het Edinburgh Festival samen met kunstenaars uit de ‘Wiener Aktion’, een groep (maar geen samenwerkingsverband) performancekunstenaars met bloederige en obscene acties, waarover zo nog wat meer. Fluxus en deze Weense Aktionisten gaven COUM sterke impulsen voor hun eigen, ook steeds heftiger en aanstootgevender wordende performances.

pornografisch

Begin 1974 sluit Peter Christopherson, een jonge fotograaf en grafisch ontwerper (bij Hipgnosis), zich bij de groep aan. Door zijn speciale belangstelling voor de seksuele aspecten van de shows krijgt hij de bijnaam ‘Sleazy’ (smerig, vuig). COUM ontvangt van een landelijk kunstfonds opnieuw subsidie. Voorwaarde is wel dat de optredens alleen op ‘goedgekeurde’ locaties mogen plaatsvinden – een te strak keurslijf voor COUM. Een ongeautoriseerde performance wordt door de politie op grond van obsceniteit beëindigd. De subsidie stopt. De performances waren intussen steeds seksueel explicieter, of pornografischer, geworden: seks op het podium, dubbele dildo’s, zweepslagen, quasi-kruisigingen, kippenkoppen, injectiespuiten en klisma’s met bloed, urine, enzovoorts. Zulke acties waren sterk beïnvloed door het werk van de eerder genoemde Weense Aktionisten, zij het dat deze laatsten, in het kader van het provoceren van de goede smaak in het kleinburgerlijke Oostenrijk, daarin nog veel verder gingen (expliciete seksuele handelingen met bloed en ingewanden en uitwerpselen en het slachten van dieren… nu hou ik op).

COUM collage

COUM, Throbbing Gristle en de Prostitution Show

Zomer 1975 maakte COUM kennis met Chris Carter, een whizzkid die graag experimenteerde met licht en geluid. Met z’n vieren (P-Orridge, Tutti, Christopherson, Carter) besloten ze een rockband te beginnen, gericht op een groter, minder kunstgeoriënteerd publiek dan dat van COUM. Voor de band bedachten ze de naam Throbbing Gristle (Yorkshire slang voor stijve leuter). Geïnspireerd door de Duitse krautrockband Tangerine Dream specialiseerde Carter zich in synthesizers en effectmachines. Hij bouwde speakers en synthesizermodules en joeg alle geluiden van instrumenten en stemmen door machines om veelgelaagde effecten en vervormingen te bereiken. Frequenties, volumes en snelheden werden sterk gevarieerd. Gruizige noise-effecten en ‘industriële’ ritmes waren het resultaat – in zekere zin hun interpretatie van de wereld om hen heen – vergelijkbaar met de werkwijzen van de band Cabaret Voltaire in zijn eerste jaren. Carter bouwde ook een soort oer-sampler, de ‘Gristle-izer’, bestaande uit een batterij geschakelde cassetterecorders, waarmee film- en tv-dialogen en conversaties uit de directe omgeving werden opgenomen en die met een klein keyboard bespeeld kon worden – een taak voor ‘Sleazy’ Christopherson. Sleazy had bovendien een fascinatie voor de cut-up-tapes van William Burroughs, die hij ook in de cassettebatterij doorvoerde.

De nummers kwamen spelenderwijs tot stand en werden direct opgenomen, zonder kop en staart, zonder opbouw, zonder refreinen etc. De opzet van de band was ook om zo weinig mogelijk te lijken op een ‘gewone’ rockband. Dus geen drummer, geen instrumentbeheersing, geen stijl, afwijkende thema’s voor de teksten, en de muziek moest met zijn volume, wisselende frequenties en distorties ook fysieke effecten sorteren, zowel op TG als band, als op het publiek. Je moest de muziek lichamelijk ondergaan, en als je in het publiek stond, dan zou je het weten ook – van misselijkheid tot epileptische aanvallen.

wreckers of civilisation

coum transmissions prostitution poster

Throbbing Gristle’s debuut viel samen met COUM’s ‘zwanenzang’ in oktober 1976: hun optreden op de scandaleuze ‘Prostitution’ show, in het Institute of Contemporary Arts (ICA), hartje Londen. Centraal stond hierin een expositie van expliciete foto’s van Cosey Fanni Tutti als model voor een groot aantal pornobladen, samen met een expositie van gebruikte tampons. Schande! Van ons belastinggeld! Een conservatief parlementslid wond zich er zo over op, dat hij de show een ‘ziekmakende belediging’ noemde, die ‘de goede zeden van onze samenleving vernietigt’, kortom: ‘deze mensen zijn de slopers van onze beschaving’ (‘wreckers of civilisation’) – de opwinding kreeg volop aandacht in de Britse media. Voor de tabloids waren ze ‘public enemy no. 1’, een symbool voor afglijdende normen en waarden; de show was zelfs onderwerp van vragen in het parlement.

coum wreckers of civilisation

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

muziek

Het Prostitution-schandaal ging anderhalve maand vooraf aan het vloekschandaal van de Sex Pistols in de Today tv-show van Bill Grundy, ook breed uitgemeten in de media. Punkmuziek was in opkomst, maar TG wilde er weinig van weten. P-Orridge vond de punkbenadering van muziek te traditioneel, te muzikaal zelfs. Het adagium ‘hier heb je drie akkoorden, begin een band’ vond hij maar niks. Begin een band met géén akkoorden, doe wat je wil. Throbbing Gristle was anti-muziek. Tijdens een optreden van TG, begin 1977, snauwde P-Orridge de joelende punks in het publiek toe: ‘Je kunt geen anarchie hebben én muziek!’, waarna een kakofonisch optreden volgde waarin Cosey haar borsten ontblootte en P-Orridge een emmer nepbloed over zich heen stortte. Vervolgens nodigde hij een handvol kids op het podium uit en overhandigde ze muziekinstrumenten.

improvisatie

TG vond dat je je instrument onbevooroordeeld en intuïtief moest bespelen, zoals een kind zou doen. P-Orridge kon het minst met de bas overweg – hij koos de bas. Tutti had niks met gitaren – voor haar de gitaar. Carter verzaagde hem tot een smalle plank, waarmee zij uit de voeten kon om met slide, gebeuk op de snaren en veel effecten een hoop noise te produceren. Carter legde met zijn synthesizer-apparaten voor elk nummer een klank- en/of ritmebasis, de rest werd op het podium geïmproviseerd. Ook zijn teksten bedacht P-Orridge grotendeels live, na een van de bandleden om een thema gevraagd te hebben. Door de improvisatie-ervaringen groeide de muziek vaak uit tot intense en intrigerende soundscapes, maar het gebrek aan muzikale skills had ook zijn beperkingen, waardoor voorspelbaarheid op de loer lag. Hier een live-versie van het nummer ‘Discipline’ (Manchester, 1980) waarvan de woorden ook (eerder, in Berlijn) op het podium ontstonden. Een schreeuw om ‘discipline’.

Toch is de muziek van TG (ja, ik vind het muziek) niet structuur- en stuurloos, ook de vroege experimenten niet. Er zijn bijna altijd wel klank- en ritmepatronen te horen, en die worden later steeds concreter door de vertrouwdheid die ze – denk ik, of ze nu willen of niet – met hun instrumenten krijgen. Hun eerste studiowerk uit 1975 werd pas in 1987 als The First Annual Report uitgebracht (terwijl hun eerste officiële studioalbum uit 1977 The Second Annual Report heet). Op het eerste nummer ‘Very Friendly’ is een ritme van twee zwaar vervormde bastonen te horen, versterkt door ritmisch en rauw gitaarwerk en een hoop synthesizernoise, waardoorheen P-Orridge zijn onderkoelde, gruwelijke verhaal over een moordpartij door de Moors murderers (Ian Brady & Myra Hindley) uitspuwt. Carters rauwe en vervormde elektronica vormen een grimmige achtergrond voor deze psychopathische geschiedenis.

onheilspellende soundscapes

Op The Second Annual Report (1977), het eerste officiële album dus, staan meerdere live-versies van ‘Slug Bait’, een nummer dat nog meer horror weergeeft dan ‘Very Friendly’. Het gaat over… nee, te horror. De eerste versie van het nummer – met tekst – werd gespeeld tijdens COUM Transmission’s Prostitution Show. De muziek ondersteunt het verhaal met kille, industriële klanken – grotendeels prachtige soundscapes, wat mij betreft.

Throbbing Gristle - DOA Third Annual Report cover

Na dit lo-fi opgenomen eerste album brengt TG de single ‘United’ uit, een toegankelijk nummer met disco-elementen over verbondenheid in liefde. Atypisch voor TG zou je zeggen, zowel inhoudelijk als muzikaal. Het nummer komt op het volgende studioalbum terecht, maar dan van vier minuten samengeperst tot 16 seconden, 15 x versneld dus, totaal onherkenbaar, gekkigheid. TG vond dat het verwachtingspatroon van het publiek doorbroken moest worden, waardoor op dit tweede album, D.o.A. The Third And Final Report (1978; ‘D.o.A.’: ‘Dead on Arrival’), óók meer – in klank en ritme – uitgewerkte, en professioneel geproduceerde nummers moesten komen. Van elk bandlid staat er een solonummer op. Zo heeft Carter een aangenaam in het gehoor liggend, Kraftwerk-achtig disconummer geleverd (‘AB/7A’), en P-Orridge het depressieve ‘Weeping’, over zijn zelfmoordpoging nadat Cosey hem voor Chris Carter had verlaten. Maar ook op dit album zijn veel onheilspellende klanken te horen, zoals in ‘Hamburger Lady’, over een door brand verkoolde vrouw. De albumhoes laat een jong meisje in een jurk zien, gezeten op een stoel naast een kast met stereo-installatie. Kort na dit album verschijnt de single ‘We Hate You (Little Girls)’, waarin P-Orridge op hysterische toon zijn zogenaamde haat tegen kleine meisjes uitschreeuwt.

fascinatie voor het kwaad

Die haast morbide fascinatie voor het kwaad – in de traditie van De Sade en Bataille, en volgens P-Orridge ooindustrial music logok in de lijn van de taboedoorbrekende thema’s van de Velvet Underground (drugsgebruik, sm-praktijken) – wordt doorgevoerd in TG’s beeldtaal. Hun studio in de Londense wijk Hackney noemden ze Death Factory. Het logo van hun label Industrial Music laat op het eerste gezicht een fabrieksgebouw achter een groepje bomen zien. Het is gebaseerd op een foto die P-Orridge nam van concentratiekamp Auschwitz. industrial records logoTG zelf voerde enige tijd als logo een witte bliksemschicht op een zwart-rood gestreepte vlag, duidelijk verwijzend naar het logo van de British Union of Fascists. De B-kant van de single ‘United’ is ‘Zyklon B Zombie’, een gruizige, punkachtige song over een klein joods meisje dat in een concentratiekamp het gifgas Zyklon B toegediend krijgt, en volgens Simon Reynolds (zie onderaan) de imaginaire ultieme punkact om in plaats van lijm Zyklon B te snuiven. TG-leden droegen op een gegeven moment ook quasi-militaire camouflagekleding. Let wel, ze sympathiseerden in werkelijkheid absoluut niet met het fascisme, integendeel, en waren persoonlijk ook niet sadistisch en gewelddadig, eerder zachtaardig, maar wilden laten zien: zo is de mensheid ook, en het is een kleine stap van het één naar het ander. Dus in hun kunstopvattingen gingen ze ver, met het provoceren en shockeren van het publiek en hun aanval op de ‘goede smaak’ – net als de dadaïsten vroeger.

throbbing gristle camouflage outfit

De term ‘industrial music’, een categorie waaronder ook bands als Cabaret Voltaire, Clock DVA en SPK gerekend worden, en wat mij betreft ook Nederlandse Ultra -bands als de Young Lions en Tox Modell, werd schertsenderwijs bedacht door Monte Cazazza (‘industrial music for industrial people’), een performancekunstenaar uit San Francisco en ‘soulmate’ van P-Orridge. Cazazza had een grote invloed op de conceptuele en strategische ontwikkeling van TG.

Psychic TV, Coil, Chris & Cosey

Begin 1981 hield TG ermee op, de onderlinge spanningen waren onhoudbaar geworden, en conceptueel waren ze ook wel klaar. P-Orridge formeerde met Alex Fergusson (Alternative TV) en Peter Christopherson een nieuwe band, Psychic TV – vaak verraderlijk poppy met ‘klassieke’ instrumenten, dan weer duister en experimenteel elektronisch, psychedelisch, maar ook weer met intrigerende geluidsopnamen. Deze band beleefde vele incarnaties. Chris en Cosey gingen door als Chris & Cosey, en sinds het begin van dit millennium als Carter Tutti. Christopherson richtte in 1982 met John Balance de band Coil op. Throbbing Gristle kwam in 2004 toch weer bij elkaar voor een nieuw (goed) album (TG Now) en een tournee, maakte in 2007 weer een (goed) album (Part Two: The Endless Not) – Genesis P-Orridge had zich intussen tot vrouw laten ombouwen, maar dat is een ander verhaal – tot hij/zij (‘s/he’) er tijdens een tour in 2010 de brui aan gaf, en de rest van de band de reeks optredens voortzette als ‘X-TG’. Psychic TV tourt nog steeds (met P-Orridge), een maand of twee geleden gaf de band als PTV3 een goed en goedgeluimd concert in de Amsterdamse Q-Factory. Coil hield op te bestaan na de dood van John Balance in 2004. Peter Christopherson overleed onverwachts in 2010, wat ook het definitieve einde van Throbbing Gristle betekende.

Een aardige videoregistratie van een TG-concert uit 1980 – op een school, dus niet te extreem – na inleidende beelden van de school begint het concert op 3:50.

En een mooie versie van ‘Hamburger Lady’ door TG anno 2005:

Bronnen, o.a.:

Simon Reynolds, Rip It Up and Start Again. Postpunk 1978-1984. Londen (Faber & Faber) 2005, p.224-244
Wikipedia (eng.) entries Genesis P-Orridge en COUM Transmissions
Interview Genesis P-Orridge & Cosey Fanni Tutti, 1980: The Genesis Breyer P-Orridge online archive
Een veel geciteerde bron over Throbbing Gristle en COUM is:
Simon Ford, Wreckers of Civilisation: The Story of COUM Transmissions and Throbbing Gristle. (Black Dog Publishing), 1999
NB video’s Wiener Aktionisten: zie Ubuweb