Post Tagged ‘revolutie’

Ik wil het kort na Bevrijdingsdag over ‘Duitse vrijheid’ hebben. Duitse vrijheid na een door Duitsland verloren oorlog, in dit verband de Eerste Wereldoorlog. Hoe reageerden de Berlijnse dadaïsten op deze ‘vrede’?

Raoul Hausmann verbeeldde deze vrijheid in 1920 als een machine in de vorm van een gedecoreerde legerofficier, een robot, die met geheven zwaard het vuurbevel geeft, steunend op ‘Met God voor Koning & Vaderland’.

Raoul Hausmann Deutsche Freiheit 3
George Grosz en John Heartfield schreven een fel stuk tegen de vermeende waarde van hoogstaande cultuur voor het proletariaat.

Duitsland, begin 1920. De oorlog is sinds november 1918 beëindigd, Keizer Wilhelm II is afgetreden. Het land moet boeten voor zijn oorlogsdriften: het Verdrag van Versailles (juni 1919) legt Duitsland een pakket vredeseisen op – onder andere: vergoeding van oorlogskosten, inlevering van grondgebied, verkleining van de legermacht. Vrede?

Duitsland heeft intussen een democratische regering, die het communisme koste wat kost buiten de deur wil houden en alle vormen van linksradicaal verzet in de kiem probeert te smoren. Opstanden van revolutionaire rebellen worden bloedig neergeslagen. Twee leiders van de linksradicale Spartacusbond en de pas opgerichte Communistische Partij van Duitsland (KPD), Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht, worden in januari 1919 vermoord.

oorlog en kunst

Half maart 1920 vinden gevechten plaats tussen antirevolutionaire legereenheden en bewapende, stakende arbeiders. In Dresden vallen daarbij tientallen doden. In het Zwinger-museum wordt een schilderij van Rubens (“Bathseba am Springbrunnen”, 1635) Rubens Bathseba am Brunnendoor een kogel beschadigd. Dit is voor de expressionistische schilder en kunstdocent Oskar Kokoschka aanleiding om een pamflet te schrijven tegen oorlogshandelingen rond cultuurbolwerken als het Zwinger; die gevechten kunnen maar beter ergens op de hei plaatsvinden, vindt hij, ‘waar geen menselijke cultuur in gevaar komt’. Culturele meesterwerken kunnen zichzelf namelijk niet verdedigen, en uiteindelijk zal het volk meer geluk en zingeving vinden in deze meesterwerken dan in de eigentijdse politieke opvattingen. Kokoschka’s pamflet verschijnt in meer dan veertig Duitse kranten.

kunsthufter

De Berlijnse dadaïsten John Heartfield en George Grosz, beiden lid van de KPD, reageren met een fel stuk, “Der Kunstlump” (“De kunsthufter”), gepubliceerd in het linkse tijdschrift Der Gegner.  Niet uit naam van dada, maar vanuit hun maatschappelijke engagement. In scherpzinnige en soms hilarische bewoordingen vragen zij zich af wat de arbeider met kunst en cultuur aanmoet, als die arbeider, onderdrukt door de bezittende klasse, voor zijn meest primaire levensbehoeften moet vechten. De gegoede burgerman – en met hem de kleinburger – verdedigt de Kunst met een grote K als zeer waardevol voor het proletariaat, terwijl voor diezelfde burgerman vooral de economische waarde van de kunstwerken telt. En het is juist de moderne beschaving, met zijn hoogstaande cultuur in paleizen en musea, die tot onderdrukking van het proletariaat heeft geleid, en vervolgens tot het neerslaan van de arbeidersopstanden. Wat moet de arbeider met zonsondergangen, vogelgekwetter, pathetisch geneuzel en christelijke symboliek als de wereld in brand staat? Door de arbeider schoonheid, verheffing en christelijke idealen voor te spiegelen, proberen de onderdrukkers die arbeider juist ongevaarlijk en onschadelijk te maken. Zwendel en bedrog!, aldus Heartfield en Grosz. En juist in deze dagen van strijd tussen reactionaire legereenheden en revolutionairen waagt zo’n ‘kunstjochie’ als Kokoschka het om zich niet alleen ver van het strijdgewoel te houden, maar ook op grote schaal binnen en buiten Dresden zijn pamflet tegen gevechten rond cultuurbolwerken te verspreiden.

Vervolgens nemen Heartfield en Grosz de tekst van Kokoschka’s pamflet integraal in hun aanklacht op, waarna ze fel tegen hem van leer trekken. Iedereen wordt opgeroepen

daadkrachtig stelling te nemen tegen die snobistische uiting van deze kunsthufter; […]  iedereen voor wie het bijzaak is dat kogels meesterwerken beschadigen, aangezien die kogels vooral mensen aan flarden schieten die hun leven wagen om zichzelf en hun medemensen uit de klauwen van de uitzuigers te bevrijden.

Het zou beter zijn die meesterwerken voor voedingsmiddelen te verkopen. Want wat is nou helemaal de betekenis van kunst? De begrippen ‘kunst’ en ‘kunstenaar’ zijn uitgevonden door de burgerman die de heersende klasse vertegenwoordigt. Heartfield en Grosz zeggen: kunst haalt de menselijke gelijkwaardigheid onderuit, waardoor de kunstenaar een goddelijke status krijgt. Volgens Kokoschka moeten kunstwerken worden beschermd, ‘zodat geen Rubens en geen Rembrandt zich in zijn graf hoeft om te draaien.’ Vervolgens richten Heartfield en Grosz zich tot Kokoschka zelf:

Meneer de professor, weet u geen middel om Rubens en Rembrandt, die trouwens niet eens kunnen telefoneren, die ons in driemasters, tootschoenen, kanten kragen en met cavaleriezwaarden even eerwaardig voorkwamen als uw schilderijen, uit hun graven op te laten staan? Ze zouden ongetwijfeld geroepen zijn de verscheurde ziel van het Duitse volk te helen en zo weer rust en orde aan het zwaarbeproefde vaderland te brengen en het naar een betere toekomst te leiden. […] Arbeiders, richt je blik op Dresden! Daar zien jullie de wieg van jullie gelukkige kinderen en het bankdepot van O. Kokoschka.

Heartfield en Grosz wijzen ons er nu op dat Kokoschka eigenlijk slechts aanleiding voor hen is om de kunstwereld te ontmaskeren. Kokoschka’s kunstopvattingen zijn typerend ‘voor de hele schaamteloze kunst- en cultuurzwendel van onze tijd,’ en daarmee ook van het hele burgerdom, dat zijn kunst en cultuur hoger acht dan het leven van de arbeidersklasse. Een verzoening tussen bourgeoisie en proletariaat is dan ook uitgesloten. Daarom:

Wij begroeten met vreugde, dat de kogels in musea en paleizen, in de meesterwerken van Rubens suizen, in plaats van in de huizen van de armelui in de arbeiderswijken!

Nee, Duitse vrijheid was er nog lang niet in 1920, althans zeker niet in de ogen van de Berlijnse dadaïsten. En om het onvrije proletariaat dan met hoogstaande kunst en cultuur te willen verheffen – koren op de molen van de geëngageerde, ‘anti-kunst’ dadaïsten.

grosz heartfield tatlin

Grosz en Heartfield op de Berlijnse Dada-Messe (1920)

Advertenties