Post Tagged ‘The Blind Man’

De beroemde en beruchte foto van Marcel Duchamp’s urinoir (Fountain) is niet gemaakt door Alfred Stieglitz. En de signatuur ‘R. MUTT 1917’ heeft nooit op het urinoir gestaan.

Alfred Stieglitz (American, 1864–1946). Fountain (photograph of assisted readymade by Marcel Duchamp). 1917. Gelatin silver print, 9 1/4 x 7″ (23.5 x 17.8 cm). Collection Jacqueline Matisse Monnier. Source: MoMA, New York. © public domain.

Wat? Ja, je leest het goed. De beroemde fotograaf Alfred Stieglitz staat officieel bekend als de maker van deze foto – en opeens klopt dat niet meer? Misschien een beetje flauw, want Stieglitz heeft inderdaad wel de foto gemaakt die als basis diende voor de foto die we nu kennen, maar de bekende Fountain-foto is niet een afdruk van Stieglitz. Wat die wel is: een foto van een bewerkte foto van Stieglitz.

Boeit dat? Ja. Allereerst gaat het om een foto die de loop van de moderne kunst drastisch heeft beïnvloed. Bovendien maakte deze foto voor Duchamp deel uit van een strategisch plan om de kunstwereld een hak te zetten – de foto was pas geslaagd met de zichtbaarheid van een pseudoniem, ‘R. Mutt’. Over Fountain is al heel veel geschreven, ook over de foto zelf, maar ik kom met nog een paar nieuwe inzichten.

Over de toedracht rond de inzending van dit object voor de tentoonstelling van de Society of Independent Artists in New York in april 1917: zie mijn stukjes Barones Elsa & Fountain en Duchamp’s Fountain.

Stieglitz zelf zal zijn foto van het urinoir niet belangrijk genoeg gevonden hebben, en ook niet passend bij de rest van zijn werk, want hij heeft geen enkele afdruk ervan bewaard in zijn zorgvuldig gearchiveerde collectie The Key Set (een negatief is er overigens ook niet meer van, maar verreweg de meeste van zijn negatieven zijn na zijn dood verloren gegaan). Hij heeft wel gezegd dat hij er lol in had om dat urinoir te fotograferen, inclusief de hele setting van het gekantelde object op een houten sokkel tegen de achtergrond van een schilderij:

[…] But I’ve had some fun in photographing. Perhaps you’ll see it. There was a row at the Independent – a young woman (probably at Duchamp’s instigation) sent a large porcelain urinal on a pedestal to the Independent. Duchamp, Marin, Covert, Arensberg wanted to show it. The rest of the Committee wouldn’t. So there is a row – a jury after all.
They asked me if I’d photograph it. Its lines are very fine. I have made a photograph – suggesting a Buddha form – & there is a large Hartley as a background.
[…]
Alfred Stieglitz, passage uit zijn brief van 23 april 1917 aan Georgia O’Keeffe. Deze passage is geschreven op 19 april.

Overigens is de foto zelf pas veel later bekend geworden, vermoedelijk na Duchamps dood in 1968. Wat we daarvóór sinds 1917 kenden was alleen een reproductie van die foto – van onderen ingekort – in het door Duchamp, Beatrice Wood en Henri-Pierre Roché uitgegeven blaadje The Blind Man, nr. 2 (mei 1917).

Wat er waarschijnlijk gebeurd is: Stieglitz heeft op verzoek van Duchamp en/of medestanders het urinoir – na de weigering ervan voor de Independents-tentoonstelling – in zijn galerie 291 gefotografeerd en de afdruk(ken), mogelijk via via, aan Duchamp bezorgd, die er verder mee aan de slag gegaan is. Hoe en wat – daar wordt wild over gespeculeerd, want ik ben lang niet de eerste en zal ook niet de laatste zijn die probeert duidelijk te maken dat die foto op een of andere manier gemanipuleerd is.

fotomontage

Meerdere onderzoekers zijn ervan overtuigd dat de foto bewerkt is, dat die niet een afdruk van één negatief zou zijn, maar een samenstelling van fragmenten uit verschillende foto’s, een fotomontage dus. Want kijk maar: het bovenste deel van het urinoir op de foto lijkt recht van voren gefotografeerd, terwijl het onderste deel (met het inlaatgat) iets naar links gedraaid is. Hé, dat klopt niet, denk je dan. Van deze en andere ogenschijnlijk niet-kloppende elementen brengt Rhonda Roland Shearer in het online-platform voor Duchamp-studies tout-fait gedetailleerde analyses, waarin ze meerdere fotomanipulaties aannemelijk probeert te maken. Op een prijzenswaardige manier legt ze aan de hand van fotofragmenten, animaties en fotografische technieken uit hoe de manipulaties gemaakt konden zijn.

Maar waarom zo moeilijk doen? Het bovenste deel is helemaal niet onder een andere hoek gefotografeerd dan het onderste, het hele urinoir is iets naar links gedraaid. Als je een as trekt vanuit het midden bovenin naar het midden van het gaatjesdriehoekje, dan is er links van de as veel meer ruimte aan de binnenkant van het urinoir dan rechts, dus door die draaiing zie je iets meer van de binnenkant links, en iets meer van de buitenkant rechts, bijvoorbeeld rond de muursteun. Ik heb foto’s gemaakt van de Fountain-replica in het Centre Pompidou in Parijs, onder dezelfde hoek (zij het iets meer van boven, maar dat maakt voor de links-rechtsverhouding niet uit), en dat levert hetzelfde beeld op. Gezichtsbedrog dus. Ten overvloede: het replica-urinoir is symmetrisch.

atelierfoto’s

 

Shearer kijkt kritisch naar meerdere atelierfoto’s waar Duchamps readymades op voorkomen, en telkens meent zij manipulaties te zien, zoals in een foto met het op de vloer vastgemaakte kapstokje met vier haken (Trap, 1917), en in de foto met – naast het urinoir – de hangende ronde kapstok met de drie dubbele haken (Hat Rack, 1917) en de hangende sneeuwschep (In Advance of the Broken Arm, 1915).

Van deze foto beweert Shearer (onder meer) dat die sneeuwschep niet met steel onder het plafond kan passen, dus dat die óf zonder steel hangt, óf in de foto gemonteerd is. Ik kan Shearer een illusie armer maken, want de sneeuwschep kan wel degelijk mét steel onder het plafond hangen. Je ziet hem vrij vooraan op de foto, op ruime afstand van het urinoir dat in de deuropening is opgehangen. Met de perspectieflijnen die je van de randen van het plafond en van de vloer kunt trekken, kun je de horizon bepalen. Vanaf de horizon kun je lijnen trekken die urinoir en sneeuwschep verbinden. Deze objecten hebben ongeveer een gelijke breedte (ca. 35 cm). Qua grootte vallen ze dan ongeveer samen, en met een steel van een meter komt de hele schep onder het plafond terecht. Zie ook de andere atelierfoto met dezelfde objecten, waar je meer recht van voren tegen de deuropening aankijkt.

Zo kunnen ook andere bevindingen van Shearer betwijfeld worden, ondanks haar zeer uitgebreide analyses. Die vier kapstokhaken liggen niet helemaal parallel aan elkaar op het plankje, dus moet Duchamp uit meerdere foto’s geknipt en geplakt hebben. Waarom? Om een zekere speelsheid te bereiken of de blik van de kijker te manipuleren, kun je denken. Maar die haken konden ook wel echt niet helemaal recht op het plankje gelegen hebben, en voor een deel verbogen zijn – Duchamp was er zo vaak over gestruikeld dat hij besloot het dan maar aan de vloer vast te spijkeren. Of hij kon de ‘misvormde’ haken zelf op het plankje bevestigd hebben, niet helemaal recht. Dus zulke details kunnen toch werkelijk deel uitmaken van een in één keer genomen foto. Duchamp is wel met beeldmanipulaties in die foto’s bezig geweest (accentuering en retoucheerwerk), maar pas vanaf midden jaren dertig toen hij enkele van die foto’s opnam in zijn Boîte-en-valise-koffertje met miniaturen en reproducties van zijn werk. Maar rond 1917-1918? Dat vraag ik me af.

De zogenaamd niet-kloppende details in de Fountain-foto zijn dan te verklaren uit perspectiefwerking, reflecties en mogelijke misvormingen in het urinoir zelf. Het enige wat volgens mij zonder twijfel juist is, is de constatering dat de signatuur op het urinoir ontbroken moet hebben – dan had je er namelijk ook iets van moeten zien op het in de deurpost hangende urinoir op de atelierfoto’s, zoals Shearer analyseert (tenminste, in het geval dat die foto’s ná de weigering op de Independents-tentoonstelling genomen zijn, wat helemaal niet zeker is).

Het is verleidelijk om aan Duchamp dergelijke fotomanipulaties toe te schrijven, om de waarneming van de kijker op de proef te stellen. Duchamp hield van beeldgrapjes en was ook absoluut bezig met de perceptie van de beschouwer, dus het is niet onmogelijk. Maar het hoeft dus niet. Bovendien staat als maker van deze foto’s niet Duchamp maar Henri-Pierre Roché bekend, zijn vriend en medeplichtige in de geschiedenis van de mysterieuze Fountain-inzending en collega-uitgever van The Blind Man.

Tim Nowakowski analyseert de foto ook op meerdere aspecten. Hij volgt Shearer in de vermeende onwaarschijnlijkheid van een in één keer genomen foto, maar komt met nog veel meer punten om zijn conclusie van een fotomontage te staven. Hij gaat allereerst uit van een samenwerking tussen Duchamp en Stieglitz in het manipuleren van de foto. Maar Stieglitz was in 1917 helemaal niet met fotobewerking bezig, hij stond juist een straight photography voor, een zoveel mogelijk pure fotografie, zonder bewerkingen, mede onder invloed van zijn collega Paul Strand. Aan fotomontage heeft Stieglitz nooit gedaan (die verzekering kreeg ik van een Stieglitz-expert van de National Gallery of Art in Washington). Uit de brieven van Stieglitz aan Georgia O’Keeffe en anderen valt ook op te maken dat Stieglitz niet in het Duchamp-complot zat. Dan had Duchamp dus een andere fotograaf moeten inschakelen. Wie? Man Ray niet, die ging zich pas een paar jaar later op fotografie toeleggen, ook veel in samenwerking met Duchamp. Stieglitz moet de foto zelfstandig gemaakt hebben, de setting is door hem bedacht – hij portretteerde in die periode ook vaker mensen met een schilderij op de achtergrond.

Ik ga door met nog een paar van Nowakowski’s punten. In het algemeen moet de foto op meerdere plaatsen geretoucheerd zijn, stelt hij: lichtreflecties zijn toegevoegd of verwijderd. Dat is mogelijk, maar niet noodzakelijk het geval. De highlights op de gladde randen van het urinoir zien er natuurlijk uit: Stieglitz gebruikte een sterke lamp, gezien onder andere de slagschaduw op de sokkel. Het lichtpuntje bovenin is moeilijker te verklaren, waar komt dat vandaan? Hierover verderop meer.

vertekening

Linksonder valt een deel van het schilderij in de schaduw van het urinoir. Het licht dat het tafereel beschijnt komt van rechtsboven. Nowakowski meent dat het deel van het schilderij rechtsboven daarom lichter had moeten zijn. Dit raakt aan een volgend probleem dat hij aankaart: de figuren van het schilderij in de rechterbovenhoek van de foto staan naar verhouding iets te dicht bij het urinoir, terwijl de figuren links van het urinoir op de goede plek staan. Dat is vreemd. Nowakowski ziet hierin een van de argumenten dat meerdere foto’s, vanuit verschillende hoeken genomen, zijn samengevoegd tot één foto.

Ik kwam tot een ander inzicht: het schilderij – The Warriors van Marsden Hartley, 1913 – staat schuin naar rechtsachter ten opzichte van de camera. Daardoor worden de figuren op het schilderij rechts perspectivisch kleiner. Hierbij een afbeelding van het schilderij met de contouren van de foto. Dat verklaart dus die vertekening, maar mogelijk ook de aanname dat het schilderij rechtsboven minder licht vangt dan je zou kunnen verwachten.

Het schilderij zal tegen een muur hangen of staan, op een verhoging (want als het op de vloer zou staan zou het camerastandpunt wel heel erg laag zijn en de sokkel klein), en de sokkel, waarvan je iets van de linkerzijkant ziet, zou evenwijdig aan het doek kunnen staan; op de sokkel ligt nog een plateau waarop het urinoir rust.

afstanden

Het urinoir moet vrij dicht op het schilderij staan, gezien de schaduw ervan op het doek linksonder, en bovendien zou de afstand van de camera tot het object anders behoorlijk groot zijn. Het urinoir neemt op het doek een breedte van ca. 45 cm in. Het doek zelf meet ca. 120 x 120 cm. Het urinoir moet, exclusief de muursteunen, ca. 29 cm breed geweest zijn (verderop meer hierover). Stel – ik doe maar een gok – dat het urinoir met zijn achterste deel (met de uitlaat) op 20 cm afstand van het schilderij stond, dan moet de camera op ca. 60 cm afstand van het urinoir hebben gestaan – zie de tekening. Maar als de lens in zekere mate een telelens was, dan is die afstand groter geweest.

De camera die Stieglitz hoogstwaarschijnlijk voor deze foto gebruikte, is een 8×10 inch Eastman View camera die hij in 1915 had aangeschaft, met kwalitatief hoogwaardige lenzen. Bij deze camera – met ver uitschuifbare balg met lens – gebruikte hij een statief. Vanaf 1910 maakte hij in de regel contactafdrukken in plaats van vergrotingen. Het formaat van de Fountain-foto komt overeen met dat van een contactafdruk van 8×10 inch. De foto heeft een tele-effect, dat kun je zien doordat de achterkant van het urinoir dichterbij lijkt dan in werkelijkheid. En een tele-effect houdt ook een relatief korte scherptediepte in.

scherpte

Daarmee komen we op een volgend niet-kloppend punt in de ogen van Nowakowski: de onscherpe voorkant. Onnodig onscherp, stelt hij, want met die camera kon je een groot bereik scherpstellen. Dat kan zijn, maar Stieglitz maakte juist in die tijd veel foto’s met een korte scherptediepte, met name portretten van Georgia O’Keeffe, waarbij alleen een gedeelte van het gezicht scherp is, en bijvoorbeeld de handen voor het lichaam niet. Een bewuste keuze dus.

vorm

Nog iets wat Nowakowski opviel: de rand van het urinoir is rechtsboven smaller dan linksboven. Ook dat zou wijzen op het gebruik van een fragment uit een andere foto. Ik stel voor nu nog een keer naar de foto te kijken. De buitenste smalle rand van het urinoir (vooral aan de linkerkant) lijkt op het eerste gezicht misschien naar buiten uit te steken – een opstaande rand. Zo zijn ook de replica’s gemaakt, die in 1964 volgens aanwijzingen van Duchamp – gebaseerd op de foto – onder auspiciën van Arturo Schwarz in Milaan zijn vervaardigd en door Duchamp geautoriseerd. Maar dat klopt niet: de rand van het urinoir is bol, dus die steekt juist in het midden naar buiten. Dat komt ook overeen met de lichtval, gezien de lichtstreepjes op de rand. Het mini-urinoir in de Boîte-en-valise heeft trouwens wel weer de juiste vorm van de rand. Ik moet toegeven: ik zag het zelf eerst ook verkeerd, ondanks de duidelijkheid die de licht- en schaduwpartijen geven. Ik zag ‘het licht’ pas in een foto van eenzelfde Bedfordshire model urinoir van de firma Trenton Potteries, dat opzienbarend genoeg in 2016 nog steeds in gebruik bleek te zijn in een gerestaureerd herenhuis in St. Louis in de staat Missouri (The Magic Chef Mansion, sinds 1908). De foto is geplaatst bij een artikel van Glyn Thompson, die zijn leven lijkt te wijden aan het voortdurend ‘ontmaskeren’ van Duchamp als grootste bedrieger in de kunstwereld van de twintigste eeuw. Hij blijft ook hardnekkig volhouden dat Elsa von Freytag-Loringhoven de werkelijke inzender van Fountain moet zijn geweest. Maar dit terzijde.

misvormingen

Is die rand aan de rechterbovenkant van het urinoir werkelijk smaller dan aan de linkerkant, of hebben we te maken met een mogelijke perspectivische vertekening? Hij zal echt smaller zijn. Dit kan betekenen dat Duchamp een enigszins misvormd, afgekeurd exemplaar heeft kunnen bemachtigen. De productie van urinoirs was semi-handwerk, en mislukte exemplaren kwamen veel voor; die werden afgedankt. Ook zou het kunnen dat het inlaatgat niet precies in het midden zit (Rhonda Shearer maakt in haar tout-fait studie dezelfde bevinding).

Ik kwam nog een artikeltje van Glyn Thompson tegen waarin hij onder meer stelt dat het in de deurpost hangende urinoir op een foto van Duchamps atelier een mislukt exemplaar moet zijn geweest, omdat de rand tussen de ventilatie- en de spoelgaatjes niet goed zou zijn, althans door de ogen van een deskundige loodgieter. Een afgekeurd exemplaar zou kunnen verklaren waarom Duchamp of een handlanger het urinoir zo had kunnen meekrijgen, terwijl normaal gesproken in die tijd (in verband met de hygiënische omstandigheden in bepaalde wijken van New York) uitsluitend erkende loodgieters daarvoor in aanmerking kwamen. En die namen niet alleen een urinoir mee, maar ook het benodigde toebehoren (pijpen, montagemateriaal).

kleiner

Er is nog meer aan de hand met de vorm van het urinoir. Het moet veel kleiner zijn geweest dan steeds wordt aangenomen. Het type waar het om gaat, het ‘Flatback Bedfordshire model’ van Trenton Potteries in New Jersey, was er in die tijd in drie formaten: (1) 18 inch (breedte incl. steunen) x 21 inch (hoogte) (46 x 53 cm), diepte 14 ½ inch (37 cm); (2) 16 ¼ x 19 inch (41 x 48 cm), diepte 12 ½ inch (32 cm); (3) 14 ¾ x 18 inch (37,5 x 46 cm), diepte 11 ½ inch (29 cm).

Exclusief de muursteunen zal de breedte bij het grootste model ca. 36 cm bedragen; bij het kleinste ca. 29 cm. Nu kun je aan de hand van de atelierfoto’s de hoogte van de deurposten berekenen, doordat op enkele van de foto’s het onderste paneel van Duchamps Grote Glas te zien is. De deurposten moeten ca. 220 cm hoog zijn – een gangbare hoogte. De breedte van de bovendorpel is ongeveer twee meter. Dan kun je vervolgens berekenen hoe groot het urinoir geweest moet zijn, en dat blijkt overeen te komen met het kleinste model. De replica’s (bv. van Centre Pompidou of Tate Gallery) zijn veel te groot, zelfs groter dan het grootste Bedfordshire model: 48 x 61 cm. Ik ga er hierbij van uit dat het urinoir echt in Duchamps atelier hing en niet in de foto’s gemonteerd is, omdat de positie ervan (en van de andere objecten) in beide atelierfoto’s overeenkomt.

Overigens komen de berekende maten ook overeen met de grootte van het zittende spook, al zou ik niet precies weten hoe de vaagheid van die figuur ontstaan is. Erin gemonteerd vanuit een ander negatief? Onwaarschijnlijk, want je ziet de achtergrond door het bovenlijf heen. Een dubbelopname, per ongeluk of expres? Zou kunnen, omdat er meer vage lijnen en figuren in de foto te zien zijn. Of was het bovenlijf en rechterbeen van Roché – want hij is het – in beweging? Maakte hij een zelfportret met een lange sluitertijd? Waar was Duchamp dan? Dat Roché echt op die kist zit, lijkt waarschijnlijk, zijn linkervoet rust overtuigend op de vloer. En omdat we Roché zien, niet Duchamp, kun je ook twijfelen aan het auteurschap van deze atelierfoto’s die toegeschreven worden aan Roché – misschien zijn sommige door Roché en andere door Duchamp gemaakt.

Nowakowski beschouwt Duchamp als een totale regisseur die ver gaat in formele controle (de ‘samengestelde’ foto), maar ook in het leggen van allerlei inhoudelijke betekenissen in deze foto. Om één voorbeeld te geven: de figuren in Hartley’s schilderij zouden met schaamhaar geassocieerd worden rond het urinoir als vulva, met het glimlichtje bovenin als clitoris – overigens wel een interessante gedachte gezien Duchamps bijzondere interesse voor seks en erotiek. Zo komt Nowakowski met de meest wilde en interessante maar onwaarschijnlijke speculaties – alsof Duchamp niets anders deed dan overal verborgen boodschappen in stoppen, in deze Fountain-foto zelfs heel veel tegelijk.

Dat de foto een montage zou zijn, valt nagenoeg uit te sluiten. Nergens is een onderbreking van de vormen te zien, niet in het urinoir en niet in de achtergrond.

de signatuur

Als ‘R. MUTT 1917’ daadwerkelijk op het urinoir geschilderd was, dan had je lichtreflecties op die letters moeten zien, zeker bovenaan bij de rand van het urinoir. Ook hadden die letters en cijfers er vager uit moeten zien, gezien het onscherpe gebied rond de letters. Maar wat ook niet klopt: de letters volgen niet de richels in de zijkant van het urinoir. Er lijkt wel een poging gedaan om de pootjes van de M een lichte knik te geven om het volgen van de de richel te suggereren, maar als je die vergelijkt met de signatuur op de replica’s, dan is dat een wereld van verschil.

Is die signatuur dan op een afdruk van de foto van Stieglitz gezet? Ja, dat kan haast niet anders. Van de Fountain-foto zijn twee afdrukken bewaard gebleven: de bekende, ‘hele’ foto, die zich in de collectie van Jacqueline Matisse bevindt (dochter van Henri Matisse’s zoon Pierre en Alexina (‘Teeny’) Sattler, die later Duchamps vrouw werd); en een afdruk van de bovenste helft van de foto, die zich in de collectie van het Philadelphia Museum of Art (collectie Arensberg) bevindt. De Philadelphia foto laat – behalve het ontbreken van het onderste deel – geen verschillen zien met die van Jacqueline Matisse, afgezien van een mogelijk verschil in tint. Dit museum is ook in het bezit van een proefdruk van de Fountain-foto voor The Blind Man, dus de ‘ingekorte’ versie. Deze afdrukken waren alle drie in het bezit van Duchamp. Ik heb uitgebreid gecorrespondeerd met experts in verschillende musea en instellingen, over de foto, over Stieglitz en over de urinoirs uit die tijd. Het Philadelphia Museum of Art bevestigde me dat de foto in hun collectie (de ‘halve’ foto) zelf niet bewerkt is, niet geretoucheerd, maar dat er een vermoeden bestaat van bewerking via een tussenfoto. Van Jacqueline (‘Jackie’) Matisse (88) kreeg ik geen reactie, maar na lang aandringen wel van een conservator van het Centre Pompidou in Parijs. Zij verzekerde mij dat de signatuur niet op de foto (de bekende ‘hele’ foto dus) is aangebracht.

rel

Al met al heeft Duchamp waarschijnlijk doelbewust op een rel aangestuurd. De afwijzing van het urinoir als kunstwerk móest plaatsvinden, dus de stemming onder de aanwezige leden van het comité móest een negatief resultaat hebben. Want wat als niet een krappe meerderheid tegen, maar vóór gestemd had? Dus wat als het urinoir wel tentoongesteld zou zijn geweest? Geen rel, hooguit kritiek, verontwaardiging en cynisme in de pers, zoals met zijn schilderij Nude Descending a Staircase, nr.2 (1912) was gebeurd op de New Yorkse Armory Show in 1913. Dan hadden we niet de Fountain-foto in het tweede nummer van The Blind Man gehad (als dat al verschenen zou zijn), niet ‘The Richard Mutt Case’, en niet – volgens een peiling van de BBC in 2004 – het meest invloedrijke kunstwerk van de twintigste eeuw. De rel kwam er, de foto ook, en die moest zeggingskracht hebben. Die zou die minder hebben zonder de handtekening.

Dat de uitkomst van de stemming te voorspellen was, is niet zo moeilijk. Het comité wilde niet tijdens de tentoonstelling de hoon van een urinoir als kunstwerk over zich heen krijgen, en de voorstemmers waren vertrouwelingen van Duchamp. Hij moet de publicatie van The Blind Man nr.2 zorgvuldig vlak na het einde van de tentoonstelling (6 mei) gepland hebben, zoals Thierry de Duve in een goed artikel aanstipt. Voor de zekerheid werd het blaadje ook in een luxe-editie gedrukt, om de overleving van het blad met alle aandacht voor het geweigerde Fountain veilig te stellen.

reflectie

Nog één keer terug naar de foto. In het gebied linksonder is wel iets vreemds aan de hand: het zwart van de schaduwpartij naast de sokkel is niet helemaal zwart, er lijkt een lichtreflectie in te zitten. Ik heb een professioneel fotograaf gevraagd naar de foto te kijken. Hij suggereerde dat dat gebied een reflectie van het ietwat bobbelige zilvergelatine fotopapier kan weergeven. En dat moet het zijn. Een reflectie van het licht van de omgeving op de foto. Een foto, dus, van de foto van Stieglitz waarop ‘R. MUTT 1917’ geschilderd is. Het lichtpuntje bovenin het urinoir zou overigens een reflectie van de cameralens kunnen zijn.

Daarmee zou ook de kwestie van de van onderen bijgesneden foto in The Blind Man verklaard kunnen worden. Je zou kunnen denken dat lay-out-overwegingen daarvoor de reden waren. Maar Duchamp kon het onderste stuk ook weggesneden hebben om die verdachte reflectie buiten beeld te laten. Zijn missie moest slagen, en dat is gelukt.

De foto die we kennen is van Marcel Duchamp. En we zullen nooit weten hoe het origineel van Alfred Stieglitz er precies heeft uitgezien.

Dank:

Edland Man, fotograaf – veel dank voor de analytische blik
Pieter de Nijs, Bert Jansen – Duchamp-specialisten
Universiteit van Amsterdam: Clara von Waldthausen
Philadelphia Museum of Art, Philadelphia: Samuel Ewing
National Gallery of Art, Washington DC: Sarah Greenough
Georgia O’Keeffe Museum, Santa Fe, New Mexico: Tori Duggan
Museum of Modern Art, New York: Elisabeth Thomas
Centre Pompidou, Parijs: Aurélie Verdier, Damarice Amao, Florian Ebner
Henk Houben, voormalig medewerker Koninklijke Sphinx, Maastricht
Potteries of Trenton Society, Trenton, New Jersey: Patricia Madrigal

Gebruikte literatuur en websites, o.a.:

H.-P. Roché, B. Wood, M. Duchamp, The Blind Man, nr.2, New York, mei 1917
National Gallery of Art online Editions: Alfred Stieglitz Key Set
Alfred Sieglitz/Georgia O’Keeffe Archive
Sophie Howarth, ‘Marcel Duchamp, Fountain’, april 2000, Tate  (herzien 2015, Jennifer Mundy)
William A. Camfield, ‘Marcel Duchamp’s Fountain, Its History and Aesthetics in the Context of 1917’ (3 delen) (oorspr. in Dada/Surrealism 16 (1987), p.79-86)
Calvin Tomkins, Duchamp, A Biography. New York, 1996, 2014
Rhonda Roland Shearer e.a., ‘Why the Hatrack is and/or is not Readymade: with Interactive Software, Animation, and Videos for Readers to Explore’, tout-fait collections, The Marcel Duchamp Studies Online Journal, 2005
Tim Nowakowski, ‘Marcel Duchamp/Alfred Stieglitz (Mutt and Jeff) Photograph an Impossible Urinal, Fountain (in a slapstick kind of way),’ Academia (2017)
Tim Nowakowski, drie artikelen over Fountain
Glyn Thompson, ‘Sloppy Virtuosity at the Temple of Purity: No. 23 in an Occasional Series; Francis M. Naumann’s recurrent haunting ghosts’, Academia (2018)
Glyn Thompson, ‘The Urinal that Precipitated Modern Art, How a Misattributed Sanitary Fixture Kick-started an Artistic Movement’, PM Magazine, dec. 2018
Glyn Thompson, ‘The Richard Mutt Affair Meets the Louisiana Purchase Exposition’, St. Louis Magazine, feb. 2016
Glyn Thompson, ‘The Magic Chef Mansion Urinal and Marcel Duchamp, Part Two’, St. Louis Magazine, sept. 2016
Jan Bäcklund, ‘Readymade and Fake. The Richard Mutt Case Reitinerated’ Academia (2018)
Thierry de Duve, ‘The Story of Fountain: Hard Facts and Soft Speculation’, The Nordic Journal of Aesthetics, No. 57-58, (2019), pp.10-47
Rachel Danzing, ‘Alfred Stieglitz: Photographic Processes and Related Conservation Issue’, Topics in Photographic Preservation, Volume 4, p.57-79, 1991
Elena Filipovic, ‘A Museum That is Not’, e-flux, Journal #4, mrt. 2009

Advertenties

Fountain blijft van Duchamp. De betrokkenheid van Elsa von Freytag-Loringhoven bij het veelbesproken urinoir is uit te sluiten. In dit stukje wat argumenten en overwegingen (zie ook mijn eerdere stukje Duchamp’s Fountain).

See All This

In juni 2018 werd in Nederland met veel bombarie verkondigd – in kunstblad See All This en in dagblad NRC – dat niet Marcel Duchamp, maar Elsa von Freytag-Loringhoven de inzender geweest moet zijn van het beruchte urinoir, dat onder de naam Fountain de ontwikkeling van de moderne kunst definitief zou kantelen, vooral vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw. En dat gebeurde alleen op basis van een foto van dat urinoir in een kunstblaadje uit 1917, waarin de weigering van het werk voor een juryvrije tentoonstelling in New York werd besproken. Inzender van het object was een zekere Richard Mutt. Beweringen dat het werk aan barones Elsa is toe te schrijven, waren overigens buiten Nederland al veel eerder gedaan. En al verdient zij veel waardering op grond van haar eigenzinnige beeldende werk, haar bizarre dadaïstische performances en niet in de laatste plaats haar opzienbarende gedichten, de toeschrijving van Fountain aan ‘dadabarones’ Elsa klopt niet.

Het urinoir zelf moet al vrij snel verdwenen zijn. Het is niet voor het publiek te zien geweest, het is alleen bekend van die foto, genomen door de toen al beroemde fotograaf en moderne-kunstpromotor Alfred Stieglitz. Op de rand van het urinoir zie je staan: ‘R. Mutt 1917’. Verder zijn er twee foto’s bekend van Duchamps atelier, waarop je eenzelfde model urinoir in een deurpost ziet hangen, met twee van zijn andere readymades, ook hangend: de sneeuwschep en de kapstok.

het gebruikelijke verhaal

Over Fountain is veel geschreven, maar de raadselen rond dit iconische werk lijken alleen maar toe te nemen. Het gangbare verhaal, ingegeven door Duchamp zelf: Duchamp kocht, in gezelschap van een paar vertrouwelingen, een urinoir in sanitairzaak J.L. Mott Iron Works in New York, signeerde het met ‘R. Mutt’ en liet het onder de naam ‘Richard Mutt’ inzenden voor de grote tentoonstelling van de Society of Independent Artists in New York in april 1917. Daar werd het geweigerd als kunstwerk, ondanks het feit dat iedereen mocht inzenden wat hij of zij wilde, mits de inzender de vereiste zes dollar inschrijfgeld had voldaan.

De tentoonstelling werd ‘democratisch’ in alfabetische orde ingericht (een idee van Duchamp als voorzitter van de ophangcommissie); er verscheen een geïllustreerde catalogus bij van werken van de deelnemende kunstenaars. Geen vermelding daarin van Richard Mutt, want het urinoir werd pas na de sluitingsdatum van de catalogus (en van het later toegevoegde supplement) ingediend. Een dag voor de opening vond over de inzending van het urinoir een discussie plaats. Een krappe meerderheid van de op dat moment aanwezige leden (ongeveer tien) van het organisatiecomité vond dit werk ontoelaatbaar, omdat het aanstootgevend zou zijn en omdat een sanitair voorwerp niet als kunst beschouwd kon worden. Duchamp, medeoprichter van deze vereniging van onafhankelijke kunstenaars, stapte daarop uit de organisatie. Het urinoir werd vervolgens meegenomen naar het atelier van Stieglitz, die er de iconische foto van maakte. Enige tijd later moet de pisbak zijn verdwenen. Tot zover het gebruikelijke verhaal.

In het pro-Elsa artikel in See All This, uitgebreid onder de aandacht gebracht in NRC, worden verschillende argumenten naar voren gebracht die ‘indirect bewijs’ zouden leveren voor de betrokkenheid van barones Elsa. Die argumenten worden al genoemd in de boeiende biografie over haar van Irene Gammel, aangevuld door fanatieke medestanders als Glyn Thompson en Julian Spalding. Hun argumenten op een rijtje.

vriendin

De belangrijkste trigger voor de mogelijke betrokkenheid van (kortweg) Elsa leverde Duchamp zelf al in een brief die hij op 11 april 1917, een dag na de opening van de tentoonstelling en twee dagen na de weigering van het urinoir, schreef aan zijn zusje Suzanne in Frankrijk. Daarin staat onder meer:

[…] Vertel de volgende bijzonderheid aan de familie: […] Een van mijn vriendinnen heeft onder een mannelijk pseudoniem, Richard Mutt, een porseleinen urinoir als sculptuur ingezonden. Het was in het geheel niet onfatsoenlijk, geen enkele reden om het te weigeren. Het comité heeft besloten te weigeren dit ding te exposeren. Ik heb mijn lidmaatschap opgezegd en het zal een waardevol roddelpraatje in New York opleveren. […]

Als je ervan uitgaat dat ‘een van mijn vriendinnen’ letterlijk genomen moet worden, dus als een bevriende vrouw van vlees en bloed, kun je je meteen afvragen: kon die vriendin Elsa geweest zijn? Gammel en medestanders denken van wel, al is het de vraag of Duchamp en Elsa elkaar toen al kenden. Niet ondenkbaar, omdat ze gedurende een deel van 1916 beiden in hetzelfde gebouw, het Lincoln Arcade Building aan Broadway, woonden en werkten, maar zeker is het niet – er is niets bekend over onderling contact in die periode, laat staan een vriendschap.

Duchamp en Elsa moeten elkaar enkele jaren gekend hebben. Als Elsa als ‘een van mijn vriendinnen’ de inzender van het urinoir geweest is, wist Duchamp ervan, gezien bovenstaand brieffragment. Dat er een complot was rond de inzending van het urinoir, is zeker. Dat Duchamp daarin zat, ook. Dat Elsa daarin gezeten kon hebben, is vrijwel uitgesloten.

God

Genoemd wordt de verwantschap tussen het urinoir en Elsa’s werk God (ook uit 1917), een gietijzeren afvoer met zwanenhals, gemonteerd op een houten verstekbak. Beide werken verwijzen naar het lozen van menselijke afvalstoffen, in die zin zou Elsa op het idee van het urinoir gekomen kunnen zijn, Elsa was immers graag bezig met – naast seks – poep- en piesverwijzingen, ook in sommige van haar gedichten. Alleen: Elsa werkte met gevonden objecten, waarmee haar atelier bezaaid lag. Het urinoir was een nieuw exemplaar, wat juist kenmerkend is voor Duchamps readymades. Overigens was Duchamp ook niet vies van scatologische leut, gezien een foto van hem gezeten op een wc.

Elsa’s object God zou corresponderen met religieuze verwijzingen in Fountain. Aangewakkerd door haar gemengde emoties over de Eerste Wereldoorlog, als Duitse in Amerika, zouden conflicterende associaties uit haar jeugdherinneringen zijn opgekomen: haar ongelovige vader verstoorde telkens – sarrend – luid plassend het avondgebed dat zijn vrome vrouw met haar dochters hield – antireligieus tegenover religieus. De buitenvorm van het urinoir op de foto van Stieglitz zou overeenkomen met die van een zittende boeddha-figuur, die Stieglitz er al in zag bij het maken van de foto (getuige een passage in een brief die hij op 19 april aan zijn vriendin Georgia O’Keeffe schreef – zie verderop), maar ook met een madonna.

Boeddha van de badkamer

Duchamp en zijn vrienden Henri-Pierre Roché en Beatrice Wood gaven ter gelegenheid van de Independents-tentoonstelling een blaadje uit, The Blind Man. Het eerste nummer verscheen op de dag van de opening, 10 april 1917, en gaat over de zegeningen van zo’n tentoonstelling van onafhankelijke kunstenaars. Het tweede nummer (mei 1917) is voor een belangrijk deel aan de weigering van Fountain gewijd. Daarin heeft een stukje de titel ‘Buddha of the Bathroom’ als typering van de vorm van het urinoir gekregen. Als auteur van het stukje staat Louise Norton vermeld. De titel is ironisch. Die verwijst naar de schoonheid die mensen in de ‘zedige’ vorm van het urinoir zien (‘een heerlijke Boeddha’, ‘als de vrouwenbenen bij Cézanne’, waarbij de auteur zich omgekeerd afvraagt of die vrouwenbenen niet juist aan de ‘serene curven van porselein van een decadente loodgieter’ doen denken). In het stukje roept de afwijzing van Fountain semi-filosofische vragen op over wat kunst is, de kracht van de verbeelding en de intentie van de kunstenaar. Als mensen zich afvragen of de heer Mutt serieus is of een grappenmaker, stelt de auteur: ‘Misschien is hij het beide! Kan dat niet?’ Het urinoir heeft niets met een boeddha te maken, maar de auteur besluit toch maar een ongepaste titel boven haar stukje te plaatsen (‘a neutral title that will please none’) – wat typisch Duchamp is. Het hele stukje ademt de geest van Duchamp, en eigenlijk het hele nummer, al is van hem zelf geen tekstuele bijdrage opgenomen. De cover brengt pontificaal een schilderij uit 1914 van hem in beeld (Broyeuse de chocolat nr.2/Chocolate Grinder nr.2), en er staat een stukje in (door Mina Loy) over een favoriete Amerikaanse schilder van hem, Louis Eilshemius, die (ondanks kunstopleidingen) amateuristisch en ‘naïef’ ogend werk maakte en die door niemand anders dan Duchamp voor het voetlicht gebracht had kunnen worden.

Fountain heeft dus niets met een boeddha, madonna of andere religieuze beeltenissen te maken – behalve de esthetische vormassociatie die sommigen maken – maar Elsa’s God ook niet – nog afgezien van de vraag hoe zinnig zo’n vergelijking is, want die religieuze vormassociaties werden pas gemaakt ná het inzenden (door wie dan ook) van het urinoir. God is een sterk werk, waarin Elsa het begrip God provocerend met de riolering verbindt.

mannelijk-vrouwelijk

Dan het mannelijke tegenover het vrouwelijke. De mannelijke functie van het urinoir zou bij Elsa passen, omdat zij met de man/vrouw-identiteit speelde door soms – androgyn – in mannenkleding te lopen, of door op een mannelijk-dominante manier mannen seksueel te benaderen. Ook liep zij wel eens rond met een gipsen afgietsel van een penis. Dat spelen met de geslachtelijke identiteit was er ook bij Duchamp: enkele jaren later verzon hij een vrouwelijk alter ego met de naam Rrose Sélavy, maar waar het in Fountain ook om gaat: het urinoir is ook te zien als vulva. Duchamp was veel bezig met het representeren van een problematische seksualiteit, vooral de voor mannen frustrerende seksuele onbereikbaarheid van de vrouw – zie zijn hoofdwerk het ‘Grote Glas’, The Bride Stripped Bare by her Bachelors, Even (1915-1923). Een cryptische aantekening van Duchamp uit 1914 laat zien: ‘pour la femelle on n’a qu’une pissotière et on en vit’ (‘voor de vrouw is er alleen een pisbak en daar leef je naar’); ‘en vit’ klinkt als ‘envie’: lust, er zin in hebben dus. Een typisch Duchamp-taalspelletje.

Philadelphia

Richard Mutt zou uit Philadelphia komen (volgens krantenberichten uit die tijd, voornamelijk gebaseerd op geruchten), en Elsa verbleef destijds in Philadelphia. Het is echter zeer de vraag of het urinoir uit Philadelphia is verstuurd, bovendien zou een opzettelijk foutieve woonplaats juist bij de misleidingstactiek van Duchamp passen – een dwaalspoor, één van de vele. En hoe moet je je een verzending van zo’n urinoir door de tengere Elsa voorstellen? Dan had zij voor het transport waarschijnlijk hulp van iemand gevraagd, ook voor een verzending vanuit een postkantoor of een treinstation (als ze daar al geld voor had gehad), want het ding moet zo’n twintig kilo hebben gewogen, exclusief een bekisting.

complot

Wie kan die hulp hebben geboden? Gammel suggereert dat Elsa de kunstenaar Charles Demuth, die ook in Philadelphia woonde, kon hebben ingeschakeld – hij had het als homo, cruisend door openbare toiletruimtes, vermoedelijk ook leuk gevonden, en hij pendelde regelmatig tussen Philadelphia en New York – maar die zat juist in het complot van Duchamp! (hierover verderop meer). Want dat Duchamp een complot georganiseerd had is vrijwel zeker: Stieglitz vermeldt in de eerdergenoemde brief aan O’Keeffe dat ‘een jonge vrouw (waarschijnlijk op voorspraak van Duchamp) een groot porseleinen urinoir op een sokkel naar de Independent heeft gestuurd. Duchamp, Marin, Covert, Arensberg wilden het exposeren. De rest van het Comité niet. Nu is er ophef over – dus toch nog een jury. Ze vroegen me of ik het wilde fotograferen. Ik heb een foto gemaakt – die een Boeddha-vorm suggereert – […]. De “Blind Man” wil het onderwerp voor een nummer gebruiken – een discussie over “Kunst”.’

jonge vrouw

Had Elsa zelf in het complot van Duchamp kunnen zitten? Nee, want in de correspondentie en dagboekaantekeningen van mensen uit de kringen rond Duchamp wordt Elsa nooit genoemd in verband met de tentoonstelling of het urinoir. Zij was ook niet betrokken bij The Blind Man, Duchamps vriendinnen Beatrice Wood en Louise Norton wel. Bovendien heeft Stieglitz het in zijn brief over een jonge vrouw – Elsa was op dat moment 42 jaar oud, dat is moeilijk nog jong te noemen. Louise Norton was 28, Beatrice Wood 24.

handschrift

De signatuur ‘R. Mutt’ zou in het handschrift van Elsa zijn. Klopt niet, kijk maar naar haar R’s: het rechter pootje van de R is bij haar steevast sterk naar rechts gericht, horizontaal. Op het urinoir is dat naar beneden gericht. Haar M’s hebben ronde bogen, de M van Mutt is hoekig. Het handschrift komt daarentegen wel vrij aardig overeen met dat van Duchamp (zie het uitstekende, onderaan vermelde artikel van Jesse Prinz).

Armut

Uit bovenstaande overwegingen en feiten wordt al duidelijk dat Elsa’s betrokkenheid bij Fountain haast onmogelijk is. Maar Gammel komt met meer associaties in haar poging om Fountain aan Elsa toe te schrijven. Zo zou ‘R. Mutt’ verwijzen naar het Duitse woord ‘Armut’, armoede, of naar ‘Mutter’, moeder. Elsa leefde vaak in armoede, en voor haar ongelukkige moeder had ze veel genegenheid gevoeld. ‘Shitmutt’ schijnt een geliefd vloekwoordje van haar geweest te zijn. ‘Mutt’ is ook een Engels woord voor bastaardhond. Elsa had regelmatig een rits scharminkelige hondjes bij zich. De voornaam Richard had zij van een oom kunnen afleiden. Van Elsa is echter niet bekend dat zij met zulke woordafleidingen bezig was (R. Mutt = Armutt/Mutter) zoals dat juist wel typerend voor Duchamp was, al was Elsa wel creatief met samengestelde woorden (zie mijn stukjes over haar gedichten), maar dat is heel wat anders. Duchamp zelf leverde (zij het pas veel later) de connectie met Mott van J.L. Mott Iron Works, waar hij het urinoir betrokken zou hebben, in combinatie met de populaire cartoonfiguren ‘Mutt and Jeff’. ‘Richard’ is een verwijzing naar het Franse (denigrerende) woord ‘richard’ voor rijkaard, een ironisch contrast met de lege vorm van het urinoir. In die context wordt ook gesuggereerd dat Duchamp zelf de associatie met ‘Armut’ gemaakt kon hebben.

erkenning

Elsa voelde zich artistiek verwant met Duchamp, maar terwijl hij zich volgens haar voornamelijk amuseerde en toch al met een zekere faam Amerika binnen was gekomen, had zij het gevoel dat ze er hard voor moest vechten om zijn niveau van erkenning en bekendheid te bereiken. Zo had zij met de inzending van het urinoir een Duchamp-achtige daad kunnen verrichten en zichzelf op de kaart kunnen zetten. Had ze dan niet beter gewoon haar eigen naam kunnen gebruiken? Voor zover ik weet liep zij met de indiening van een urinoir en het eventuele schandaal dat dat kon veroorzaken onder haar eigen naam geen enkel risico. Sterker nog, ze was niet vies van een schandaal, en viel juist op door haar directe en provocerende gedrag. Dat indirecte, een mysterieuze inzending onder een (eenmalig) pseudoniem, was niets voor haar, ook al had zij het jaar erop voor haar eerste gedichten in The Little Review een pseudoniem bedacht (Tara Osrik, dat overigens niet in gebruik genomen is – bij haar publicaties heeft altijd haar eigen naam gestaan), maar dat is een andere situatie. Bovendien had zij vanwege de afwijzing een schadevergoeding kunnen eisen – aan geld had zij immers altijd gebrek, en ze probeerde regelmatig mensen geld af te troggelen. Maar misschien het belangrijkste: Elsa, niet bescheiden en wel uit op erkenning, heeft zelf nooit gezinspeeld op het idee dat zij de inzender/bedenker van Fountain geweest was.

slordig

Irene Gammel heeft haar best gedaan om de toeschrijving van Fountain aan Elsa aannemelijk te maken, zij het vergeefs (al geeft ze toe dat er geen bewijs voor te vinden is), en ook niet op alle fronten zorgvuldig. Zij schrijft dat het urinoir tentoongesteld is geweest – klopt niet, het was immers geweigerd en niet voor het publiek te zien. Gammel meent ook dat het door Stieglitz op de tentoonstelling gefotografeerd is – klopt ook niet, dat gebeurde in Stieglitz’ studio. In de brief aan zijn zusje schreef Duchamp dat ‘een van mijn vriendinnen […] een porseleinen urinoir als sculptuur heeft ingezonden’; Gammel maakt ervan ‘[…] sent me a porcelain urinal’, ‘aan mij’ dus – ook fout. Slordig. De verbanden die Gammel legt zijn onwaarschijnlijk en heel indirect. Direct bewijs is dus niet te leveren (ook niet voor Duchamp als inzender), maar indirect bewijs levert zij ook bij lange na niet. De toeschrijving aan Duchamp is daarentegen een stuk aannemelijker, zoals dit stukje duidelijk probeert te maken.

adres en telefoonnummer

Nog wat aanwijzingen uit het Duchamp-complot: op de foto van Stieglitz hangt een kaartje aan het urinoir, aan de muursteun links – de inschrijvingskaart. Daarop is tweemaal de naam ‘Richard Mutt’ geschreven, en ook een adres. Op dat adres woonde Louise Norton. Kunstenaar Charles Demuth gaf extra ruchtbaarheid aan de affaire door Henry McBride, kunstcriticus van The Sun, aan te schrijven met de informatie dat ‘een van onze vrienden’ het werk had ingediend en of McBride erover wilde publiceren. In een PS vermeldde Demuth dat voor meer informatie Marcel Duchamp gebeld kon worden (met Duchamps telefoonnummer), of ‘Richard Mutte’, waarbij het telefoonnummer van Louise Norton vermeld stond. Louise Norton zat dus duidelijk in het complot.

showroom

Er zijn wel wat problematische zaken in Duchamps verhaal over de gang van zaken rond Fountain. Meerdere onderzoekers wijzen erop dat de betreffende vestiging van J.L. Mott Iron Works op 5th Avenue in New York geen winkel, maar alleen een showroom was. In principe werden daar geen artikelen verkocht. Maar wie zegt dat Duchamp & Co het niet toch voor elkaar kregen er een urinoir mee te nemen? Ook zou het betreffende ‘Bedfordshire’ model niet bij de firma Mott te krijgen zijn. De firma Mott produceerde inderdaad niet dat model. Maar Mott had wel urinoirs van andere fabrikanten in het assortiment. Het Bedfordshire model werd geleverd door Trenton Potteries in Trenton, New Jersey. Dat werd wel door Mott verkocht.

hygiëne

Een bijkomstig probleem is, merkt Tim Nowakowski op, dat sanitair-artikelen in die tijd in principe alleen aan erkende loodgieters werden verkocht in verband met de hygiënische omstandigheden, die onder het armere deel van de bevolking (met name onder immigranten) risico’s voor de volksgezondheid inhielden. Duchamp & Co waren geen loodgieters en zouden volgens deze richtlijn nooit een urinoir hebben meegekregen. Maar het zou me niet verbazen als zij bij hun verzoek de nadruk op een grap hadden gelegd, of dat ze (al of niet bij Mott) een afgekeurd exemplaar mee konden krijgen (over de mogelijke asymmetrie in het urinoir meer in een volgend stukje).

fountain

Het urinoir werd ingediend zonder titel. Het woord ‘fountain’ voor het geweigerde urinoir is voor het eerst opgetekend in een recensie van 10 april (de dag van de opening) voor de krant New York Herald. Niet als titel, maar vermoedelijk als een zedelijker aanduiding van het urinoir. Sommigen (bijvoorbeeld Glyn Thompson) tillen hier nogal zwaar aan, omdat Duchamp later niet alleen het urinoir als eigen werk zou claimen, maar ook de titel. Die titel zou Duchamp dus niet zelf bedacht hebben, maar ‘gestolen’ van de kunstcriticus van dienst. Maar, nogmaals, die had ‘fountain’ dus niet als titel bedoeld, alleen als beschrijving van het urinoir. Fountain als titel past wel weer – op z’n Duchamps – erg goed bij het gekantelde urinoir, dat door die kanteling in samenhang met de titel meteen van functie veranderde, namelijk in een fontein: van een ontvanger naar een gever van vloeistoffen. De titel Fountain kan dus heel goed door Duchamp zelf bedacht zijn, zoals hij bijvoorbeeld een jaar eerder ook een flexibele hoes van een Underwood-typemachine als readymade bestempelde en het de titel ‘Traveler’s Folding Item’ (‘vouwartikel voor op reis’) gaf.

In The Blind Man nr.2 (‘The Richard Mutt Case’) wordt ook gesproken van een ‘fountain’, niet van een ‘urinal’: ‘Mr. Richard Mutt sent in a fountain. Without discussion this article disappeared and never was exhibited.’ Bert Jansen wijst in dit verband ook op de vormverwantschap tussen een urinoir en een muurlavabo in Franse huizen aan het einde van de 19e eeuw. Zo’n lavabo of lave-mains fontaine of kortweg fontaine (fonteintje) bevond zich vaak achter de voordeur zodat bezoekers bij binnenkomst hun handen konden wassen.

dagboek

Interessant zijn, ten slotte, Beatrice Woods dagboekaantekeningen van de dagen vlak voor de opening van de tentoonstelling, waarin ook Richard Mutt ter sprake komt:

Friday [April 6] Work at Independents. Lunch Marcel Duchamp at Pollys. Home.

Sat. [April 7] Independent. Dine Roche at Chinese Restaurant. Discussion about “Richard Mutt’s” exhibition. Read Roche my articles [for Blindman]. We work at Marcels.

Sun. [April 8] All day at Independent. Lunch. Pach, Friedman, Duchamp, Arensberg […]

 

feiten

Je hebt feiten en je hebt overwegingen, die tot aannemelijke conclusies kunnen leiden. Feiten zijn: de brief die Stieglitz op 19 april aan O’Keeffe schreef, waarin hij een aantal betrokkenen noemde; de inschrijvingskaart aan het urinoir met het adres van Louise Norton; de brief van Charles Demuth aan kunstcriticus Henry McBride, met het telefoonnummer van Duchamp en dat van Louise Norton voor Richard Mutt; het ontbreken van Elsa in The Blind Man en in alle correspondentie en dagboekaantekeningen over Fountain; het ontbreken van enig bericht van Elsa zelf over het urinoir. Deze feiten op zich al maken een betrokkenheid van Elsa von Freytag-Loringhoven bij Fountain vrijwel onmogelijk.

geheimzinnigheid

En waarom die geheimzinnigheid van Duchamp in de brief aan zijn zusje Suzanne? Zijn eigen naam mocht natuurlijk niet bekend worden als schepper van Fountain, want: hij had al een zekere faam, en van hem kon zo’n provocerende grap verwacht worden, waarmee hij zijn collega’s van het organiserend comité in verlegenheid zou hebben gebracht. Zou dat zijn zusje wat uitgemaakt hebben? Op zich niet, maar hij vroeg er nadrukkelijk bij het voorval van de weigering aan de familie te vertellen. Zijn twee oudere broers waren in Parijs bekende kunstenaars (waarvan er een ook deelnam aan de New Yorkse Independents-tentoonstelling) met veel contacten in de Franse kunstwereld – dezelfde kunstwereld die zijn schilderij Nu descendant un escalier, nr.2 (1912) niet op de tentoonstelling van de Salon des Indépendants van 1912 wilde exposeren en Duchamp had verzocht – via zijn broers – zijn schilderij terug te trekken. Datzelfde schilderij zorgde overigens in 1913 op de Armory Show in New York opnieuw voor veel ophef. Al met al had Duchamp alle reden om de kunstwereld een hak te zetten. Als dat R. Mutt-schandaal ook in Parijs zou rondzoemen, zou dat daar een onverwachtse rebelse kant van de New Yorkse kunstscene laten zien.

In een volgend stukje meer over Fountain, want al is er heel veel over geschreven, er is ook nog heel veel onduidelijk, met bijzondere gezichtspunten en onwaarschijnlijke speculaties tot gevolg. Die Fountain-foto van Stieglitz bijvoorbeeld, is dat wel één foto, of een fotomontage? Die atelierfoto’s met het hangende urinoir, zijn die van vóór of na de weigering op de Independents? Is de signatuur ‘R. Mutt 1917’ wel op het urinoir zelf aangebracht, of misschien pas op de foto? Wat voor verborgen boodschappen kunnen erin zitten? En is het niet een misbaksel?

Literatuur, o.a.:

Irene Gammel, Baroness Elsa. Gender, Dada, and Everyday Modernity. A Cultural Biography. Cambridge, MA, London, UK (MIT Press) 2002
Theo Paijmans, ‘Duchamp’s brute daad: Het urinoir is niet van Duchamp’, See All This nr. 10, zomer 2018 (15 juni 2018), p.18-29
Sandra Smallenburg, ‘De leugen van Marcel Duchamp’, NRC, 14 juni 2018
Sandra Smallenburg, ‘Barones Elsa is de ware dada-koningin’, NRC, 28 juni 2018
H.-P. Roché, B. Wood, M. Duchamp, The Blind Man , nr.2, New York, mei 1917
Sophie Howarth, ‘Marcel Duchamp, Fountain’ april 2000, Tate (herzien 2015, Jennifer Mundy) (uitstekend stuk)
Jesse Prinz, ‘Pilfered Pissoire? A Response to the Allegation that Duchamp Stole his Famous Fountain’, Artbouillon, 20 nov. 2014 (uitstekend: Elsa’s onmogelijke betrokkenheid al verklaard)
Glyn Thompson, ‘Sloppy Virtuosity at the Temple of Purity: No. 23 in an Occasional Series; Francis M. Naumann’s recurrent haunting ghosts’, Academia (2018)
Tim Nowakowski, ‘Marcel Duchamp/Alfred Stieglitz (Mutt and Jeff) Photograph an Impossible Urinal, Fountain (in a slapstick kind of way),’ Academia (2017)
William A. Camfield, ‘Marcel Duchamp’s Fountain, Its History and Aesthetics in the Context of 1917’ Golob  (3 delen) (oorspr. in Dada/Surrealism 16 (1987), p.79-86)
‘Rarities from 1917: Facsimiles of The Blind Man No.1The Blind Man No.2 and Rongwrong’ tout-fait , tout-fait collections, The Marcel Duchamp Studies Online Journal, dec. 2000
Rhonda Roland Shearer e.a., ‘Why the Hatrack is and/or is not Readymade: with Interactive Software, Animation, and Videos for Readers to Explore’, tout-fait collections, The Marcel Duchamp Studies Online Journal, tout-fait, 2005
Calvin Tomkins, Duchamp, A Biography. New York, 1996, 2014
Pierre Cabanne, Dialogues with Marcel Duchamp, Londen (Thames & Hudson), 1971; oorspr. Entretiens avec Marcel Duchamp, Parijs (Belfond), 1967
Pieter de Nijs, Striptease met chocola, kikkers en een thermo-mechanisch orkest. Over de beeldtaal van Marcel Duchamp. (Nederlandse Academie voor ‘Patafysica), Esonstad 145 EP (2018). (Over de beeldtaal en taalspelletjes van Duchamp)
Bert Jansen, “Chacun son Marcel?”. Meerduidigheid in het werk van Marcel Duchamp. Leiden, 2015
Dawn Ades, ‘Marcel Duchamp’s Fountain, A Continuing Controversy’, The Journal of the London Institute of ‘Pataphysics

Dank: Pieter de Nijs, Bert Jansen, Matthijs van Boxsel

Marcel Duchamp’s urinoir zette de kunstwereld op z’n kop. Over de geschiedenis van Fountain.

duchamp fountain 2

Marcel Duchamp, Fountain, 1917. Foto Alfred Stieglitz

De inzending van een ordinair sanitairproduct als kunstwerk voor een tentoonstelling van moderne kunst was in 1917 een statement waar de kunstwereld nog niet aan toe was. Dit porseleinen urinoir kantelde het denken over kunst: alles kan kunst zijn, gemotiveerd door de ideeën van de kunstenaar en de context waarin het werk geplaatst wordt. Latere kunstenaars als Andy Warhol, Jeff Koons en Rob Scholte zetten het conceptuele gedachtegoed van Duchamp voort (zie ook @ auteursrecht).

Warhol Brillo Boxes 1964 Andy Warhol Museum

Koons. New Shelton Wet_Dry Doubledecker. 1981 _ MoMA

Scholte-Zelfportret 1997

 

sanitair

Op 10 april 1917 opende in het Grand Central Palace in New York een tentoonstelling van de Society of Independent Artists. Onafhankelijke kunstenaars. Een expositie zonder jury en zonder prijzen. Toch werd één inzending voor deze tentoonstelling niet geaccepteerd. Het bleek een urinoir te zijn, ingezonden door Richard Mutt, met als titel Fountain. Het kunstwerk was volgens de foto gesigneerd met ‘R. Mutt’. Het tentoonstellingscomité ging niet akkoord met een stuk loodgieterswerk als kunst. Het was immers loodgieterswerk, en bovendien een urinoir: onfatsoenlijk. Officieel was het werk niet geweigerd, er was immers geen jury. Maar het was er voor de bezoekers niet te zien. Duchamp, die nota bene lid was van het tentoonstellingscomité, trok zich daarop terug uit dat comité. Hooguit een paar vertrouwelingen wisten toen dat Duchamp zelf achter de naam Richard Mutt schuilging. Binnen een paar dagen vond hij het werk terug achter een afscheiding. Hij nam het mee naar het atelier van de bevriende fotograaf Alfred Stieglitz, die het op een sokkel voor een schilderij (van Marsden Hartley) plaatste en er de iconische foto van maakte.

Kort voor de tentoonstelling had Duchamp een sanitair- en keukenzaak op Manhattan bezocht, samen met de bevriende kunstverzamelaar Walter Arensberg en kunstenaar Joseph Stella. De zaak op 5th Avenue heette J.L. Mott Iron Works. Daar besloot hij een urinoir te kopen. Althans, zo luidt zijn eigen versie van het verhaal.

Arensberg

arensberg walter louise and duchamp

Louise en Walter Arensberg met Marcel Duchamp

Het huis van Walter en zijn vrouw Louise Arensberg stond lange nachten open als ontmoetingsplek voor een groep kunstenaars (grotendeels Europees of van Europese komaf), schrijvers, acteurs, musici, dansers, kunstcritici, maar ook zakenmensen en advocaten. Er was eten en drank, er werd gedebatteerd en geschaakt, er werd muziek gedraaid en gedanst, er werd lol gemaakt – er heerste een sfeer van totale vrijheid en hedonisme. Tot de frequente gasten behoorden Duchamp, Man Ray en Picabia, en verder onder meer de bizarre Baroness Elsa von Freytag-Loringhoven.

Walter Arensberg was, samen met een aantal kunstenaars waaronder Duchamp en Man Ray, een van de oprichters van de Society of Independent Artists in 1916, naar het voorbeeld van de Parijse Société des Artistes Indépendants. Ook Arensberg trok zich na de weigering van Fountain terug uit het comité.

afgewezen

Wat induchamp - nude descending a staircase de geschiedenis van Fountain meespeelt is de afwijzing van Duchamps schilderij Nu descendant un escalier (Nude Descending a Staircase, No. 2, 1912) op een tentoonstelling van die Franse Société in Parijs in 1912, vijf jaar eerder dus. Het werk was afkeurend beoordeeld door de sectie kubisme. Kubisme en beweging, dat hoorde niet bij elkaar, vond men, de voorstelling van een bewegend naakt al helemaal niet, en daar kwam dan ook nog eens de schaamteloze titel bij – alles bij elkaar veel te onrespectvol naar de gangbare opvattingen van het naakt, was de gedachte. Nijdig had Duchamp het schilderij uit de tentoonstelling teruggetrokken. Een jaar later exposeerde hij hetzelfde werk in de New Yorkse Armory Show, een gigantische tentoonstelling van Amerikaanse en Europese moderne kunst, waar het in de Amerikaanse pers werd neergesabeld, en bespot in meerdere cartoons.

Deze afkeuringen hadden ertoe geleid dat Duchamp niet snel meer tot een groep (zoals de kubisten) wilde behoren. Maar ook moet hij zich daardoor gesterkt hebben gevoeld in zijn positie als onafhankelijk kunstenaar. Zo zal de inzending van zijn Fountain een soort testcase zijn geweest: hoe onafhankelijk en openminded is zo’n tentoonstellingscomité in werkelijkheid.

Marcel Duchamp, Nu descendant un escalier (Nude Descending a Staircase, No. 2, 1912)

The Blind Man

Op de openingsdag van de Independants-tentoonstelling, 10 april 1917, kwam – niet toevallig – het eerste nummer van The Blind Man uit, een tijdschrift van Duchamp in samenwerking met Henri-Pierre Roché en Beatrice Wood. Het blaadje is een groot pleidooi voor de Onafhankelijke Kunst en verwijst ook naar de geschiedenis van de Parijse vereniging van onafhankelijke kunstenaars. De toon is enthousiast en geestig.

Blind Man nr 1 coverBlind Man nr 2 cover

The Blind Man, nr.1, april 1917, cover                                         The Blind Man, nr.2, mei 1917, coverBlind Man nr.2 p4

De volgende maand verscheen het tweede (en laatste) nummer van The Blind Man. Duchamp speelt in dit nummer een hoofdrol: niet alleen siert een werk van hem de omslag, ook wordt het geval Fountain, vanwege de weigering het te exposeren, breed uitgemeten – al wordt natuurlijk nergens Duchamps naam erbij vermeld. Op de vierde bladzijde staat Fountain paginabreed afgebeeld, met boven de foto de vermeldingen ‘Fountain by R. Mutt’ en ‘Photograph by Alfred Stieglitz’. Eronder: ‘THE EXHIBIT REFUSED BY THE INDEPENDENTS’. Meerdere stukken in dit blad gaan in op de afwijzing, bekritiseren de negatieve overwegingen van het comité en verdedigen de inzending van R. Mutt. ‘The Richard Mutt Case’ heet het eerste korte anonieme, maar aan Beatrice Wood toegeschreven stukje over de onterechte weigering van Fountain. Sommige critici zouden het immoreel en ordinair gevonden hebben, voor anderen was het plagiaat van een stuk loodgieterswerk. Immoreel? Absurd idee – was een badkuip dan ook immoreel? Maar ook stond deze overweging in het stukje:

Of de heer Mutt de fontein wel of niet met zijn eigen handen heeft gemaakt, is van geen belang. Hij KOOS het. Hij nam een gewoon artikel voor dagelijks gebruik, plaatste het zo dat de nuttige waarde onder de nieuwe titel en het nieuwe gezichtspunt verdween – creëerde een nieuw idee voor dat object.

ready-made

Het kiezen van een ding (een gebruiksvoorwerp, een reproductie etc.) is de essentie van Duchamps readymades. Het moest voor hem geen esthetische waarde hebben – artistiek-indifferent zou je kunnen zeggen, niet mooi, niet lelijk, niet aantrekkelijk, niet per definitie kunst, ook niet anti-kunst. In 1913 monteerde hij een fietswiel met voorvork op een krukje, zonder daarbij meteen aan een kunstwerk te denken, het woord ‘ready-made’ had hij nog niet bedacht. Hij wilde iets speels, iets wat bewoog, om naar te kijken terwijl je je gedachten verzet, als bij het kijken naar een haardvuur. Het jaar erop haalde hij een flessenrek in huis. Het volgende jaar, 1915, net in New York, kocht hij een sneeuwschep, waarop hij de woorden ‘In Advance of the Broken Arm’ schreef. Een gebruiksvoorwerp met een totaal onlogische, vervreemdende titel: hiermee was een nieuwe kunstvorm ontstaan. Rond deze tijd vond Duchamp daarvoor ook de benaming ‘ready-made’. Het kunstwerk was er immers al. Titel, klaar.

Mott, Mutt

Terug naar Fountain. Over de naam van de fictieve kunstenaar Richard Mutt verklaarde Duchamp later: aan de basis daarvan ligt de sanitairzaak J.L. Mott Iron Works, gecombineerd met de titel van de comic serie Mutt and Jeff. ‘Mutt’ is overigens ook slang voor dwaas of sukkel. De voornaam Richard zou kunnen verwijzen naar de Franse argot-benaming ‘richard’ voor rijkaard, iets wat op een ironische manier de commercie bij het kunstwerk kon betrekken (daar is ook door Duchamp zelf op gezinspeeld).

identiteit

Dan speelt er nog een andere mysterieuze kwestie rond de identiteit van de inzender. In een brief aan zijn zusje Suzanne in Frankrijk, een dag na de opening van de tentoonstelling, schreef Duchamp, nadat hij naar haarzelf en haar werk geïnformeerd had:

(…) Vertel de volgende bijzonderheid aan de familie: Een van mijn vriendinnen heeft onder een mannelijk pseudoniem, Richard Mutt, een porseleinen urinoir als sculptuur ingezonden. Het was in het geheel niet onfatsoenlijk, geen enkele reden om het te weigeren. Het comité heeft besloten te weigeren dit ding te exposeren. Ik heb mijn lidmaatschap opgezegd en het zal een waardevol roddelpraatje in New York opleveren. (…)

Er is Elsa_von_Freytag-Loringhovenveel gespeculeerd over de identiteit van die zogenaamde vriendin van Duchamp. Het zou om Baroness Elsa von Freytag-Loringhoven gaan – op zich geen gekke gedachte, want als wandelend dada-kunstwerk, overmatig geïnteresseerd in seks en obscene dingen, had zij op het idee van het urinoir kunnen komen. Zij schreef gedichten waarin soms grappige poep- en piesverwijzingen waren vermeld. Zij maakte een enkele assemblage met oud loodgieterswerk. Zij woonde in Philadelphia, de plaats waar ook de inzender van Fountain, Richard Mutt, zou verblijven. Maar de keuze voor een nieuw sanitairartikel uit een winkel zou weer niet bij haar passen. En het feit dat zij het auteurschap van Fountain nooit zelf heeft geclaimd, terwijl ze niet heel bescheiden was, niet vies van een schandaal en bovendien voortdurend in geldnood, zegt al genoeg.

De betrokkenheid van een andere vriendin, Louise Norton, die in het tweede nummer van The Blind Man ook over Fountain had geschreven, is aannemelijker. Links op de foto van Stieglitz is aan een bevestigingsgat van het urinoir een kaartje te zien. Gedetailleerde bestudering van de foto laat een adres op dat kaartje zien, dat van Louise Norton bleek te zijn. In een brief aan de kunstcriticus van The Sun schreef de kunstenaar Charles Demuth in een PS dat hij voor meer informatie over Fountain en Richard Mutt een telefoonnummer kon bellen. Ook dat bleek dat van Louise Norton te zijn. Al is het zeer waarschijnlijk dat Norton (die overigens later de vrouw van de componist Edgar Varèse werd) in het complot zat, toch heeft zij er nooit iets over willen zeggen.

Deze hele geschiedenis past uitstekend in Duchamps kunstopvattingen en werkwijzen. Hij had immers al meerdere readymades op zijn naam staan, waarin hij een spel speelde met de identiteit van een kunstwerk, dat hij meestal ook nog voorzag van een vreemde titel of inscriptie. Maar waarom in dit geval onder een pseudoniem? Je zou kunnen zeggen dat hij ook een spel speelde met de identiteit van de kunstenaar, zoals hij een paar jaar later onder een vrouwelijke naam, Rrose Sélavy, zou optreden. Maar misschien stuurde hij ook bewust aan op een schandaal, en dan zou het gebruik van zijn eigen naam, als medeorganisator van de tentoonstelling, zijn comitégenoten in verlegenheid hebben gebracht.

publiciteitsstunt

Dan resteert nog de vraag: waarom misleidde hij zelfs zijn zusje met de mededeling van die vriendin als kunstenaar met een mannelijk pseudoniem? Het ligt voor de hand aan te nemen dat absoluut niet bekend mocht worden dat Duchamp de kunstenaar achter R. Mutt was. Maar er speelt nog iets. Het is niet zomaar een mededeling aan zijn zusje Suzanne, hij schenkt er bijzonder nadrukkelijk aandacht aan. Hij vraagt haar het geval van de weigering aan de familie te vertellen. Als het inderdaad een schandaal zou worden in New York, zou dat via zijn broers en zusje, allen kunstenaars, ook in de Parijse kunstkringen rondzoemen. Zijn eigen naam alleen zou minder verrassend zijn bij een schandaal – gezien zijn tegendraadse werk – dan als een andere, onbekende, kunstenaar daarvoor zou zorgen. In het laatste geval zou er sprake geweest kunnen zijn van een rebelse medestander, misschien wel een hele rebelse kunstbeweging in New York. Uiteindelijk was de storm snel geluwd, en Suzanne moet korte tijd later het geheim gekend hebben. De brief heeft zij nooit ter sprake gebracht.

Al met al zal het waarschijnlijk zo gegaan zijn: Duchamp bezocht met Arensberg en Stella de bewuste (of een andere) sanitairzaak, kocht er het urinoir, signeerde het met ‘R. Mutt’ (al wijst veel erop dat niet het urinoir zelf, maar de foto gesigneerd is), vroeg Louise Norton het bij de tentoonstelling in te brengen met als afzender Richard Mutt, en schakelde na de weigering de kunstenaar Charles Demuth in om het voorval in de publiciteit te brengen. Een publiciteitsstunt om de traditionele manieren van kunst maken te hekelen én de idee van de kunstenaar als origineel schepper van origineel werk aan de kaak te stellen.

replica’s

duchamp studio fountain c.1918

Over het lot van de originele Fountain nadat Stieglitz het gefotografeerd had, is niets bekend. Op een enkele foto (vermoedelijk uit 1917 of 1918) van Duchamps atelier is nog wel een urinoir te zien, maar van het originele kunstwerk is daarna geen spoor meer teruggevonden. Duchamp had er geen enkel probleem mee dat er replica’s van werden gemaakt, net als van zijn andere readymades, die voor het merendeel verloren zijn gegaan. Hij liet in 1950 en in 1963 replica’s maken, en autoriseerde in 1964 Arturo Schwarz, galeriehouder, kunstcriticus en verzamelaar van dada- en surrealistisch werk in Milaan, voor acht replica’s op basis van de foto van Stieglitz. Even later voor nog vier. Op de replica’s werd door sommige ‘puristen’ kritiek geuit: readymades moesten volgens hen massageproduceerde voorwerpen zijn, op een bepaald moment door de kunstenaar uitgekozen. Dat geldt inderdaad voor de oorspronkelijke readymades van Duchamp. Maar ja, die waren er niet meer. Duchamp stoorde zich niet aan die kritiek. Sterker nog: hij was blij dat ook zijn readymades op die manier nog wat van de aura van uniciteit kwijtraakten. Bovendien konden zo veel meer mensen met het werk – en de ideeën daarachter – kennismaken.

Fountain 1917, replica 1964 Tate Gallery London

Fountain lokte ook vele jaren later felle reacties uit. Het kwam voor dat in tentoongestelde replica’s, al of niet door performancekunstenaars, daadwerkelijk werd geürineerd (al kon dat meestal niet direct vanwege een plexiglasbescherming; Brian Eno leidde naar eigen zeggen ooit indirect urine via een buisje naar het urinoir door een opening tussen de plexiglazen platen). Een Franse kunstenaar ging het in 1993 met een hamer te lijf tijdens een expositie in Nîmes, dezelfde man sloeg in 2006 opnieuw toe in het Parijse Centre Pompidou. Hij rechtvaardigde zijn acties met zijn gedachte dat Duchamp ze zelf wel had kunnen waarderen (wat te betwijfelen valt: hij vond de meeste neodadaïstische performancekunstenaars niet veel te melden hebben).

De betekenis van Duchamps Fountain voor de ontwikkeling van de moderne westerse kunst kan niet worden onderschat. In 2004 werd Fountain in een poll onder 500 Britse kunstexperts uitgeroepen tot het meest invloedrijke kunstwerk van de twintigste eeuw. Een kunstwerk dat alleen bekend is van een foto.

Bronnen, o.a.:

Sophie Howarth, ‘Marcel Duchamp, Fountain’, april 2000, Tate
Jesse Prinz, ‘Pilfered Pissoire? A Response to the Allegation that Duchamp Stole his Famous Fountain’, Artbouillon, 20 nov. 2014
Wikipedia (Eng.) entry ‘Fountain (Duchamp)’
‘Rarities from 1917: Facsimiles of The Blind Man No.1The Blind Man No.2 and Rongwrong’: tout-fait collections, The Marcel Duchamp Studies Online Journaldec. 2000
Pierre Cabanne, Dialogues with Marcel Duchamp, Londen (Thames & Hudson), 1971; oorspr. Entretiens avec Marcel Duchamp, Parijs (Belfond), 1967
Marc Dachy, Dada & les dadaïsmes. Parijs (Gallimard), 1994, 2011
Michael R. Taylor, ‘New York’, in Leah Dickerman (ed.), DADA. Washington, National Gallery of Art, 2006, p.274 e.v.
Helen Molesworth, ‘Rrose Sélavy Goes Shopping’, in Leah Dickerman (ed.), The Dada Seminars. Washington, National Gallery of Art, 2005, p.173 e.v.

Op enkele punten aangepast op 30-09-2019
Zie ook Barones Elsa & Fountain
Zie ook De Fountain-foto